Bahá'í-vasten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De bahá'í-vasten (2 maart - 20 maart) is een negentiendaagse periode van het jaar, gedurende welke de leden van het bahá'í-geloof vasten van zonsopgang tot zonsondergang. Samen met het verplichte gebed is het een van de belangrijkste verplichtingen van een bahá'í. Het belangrijkste doel van de vasten is geestelijk, om de ziel doen groeien en de persoon dichter bij God te laten komen. De vasten is ingesteld door de Báb en door bevestigd door Bahá'u'lláh, de grondlegger van het bahá'í-geloof, die de regels van het vasten in 1873 beschreef in zijn boek van wetgevingen, de Kitáb-i-Aqdas. De wet geldt voor alle bahá’ís van 15 tot 70 jaar oud. Ontheffing geldt voor mensen die reizen, ziek zijn, zwanger, een kind zogen of tijdens de menstruatie, en mensen die zware arbeid verrichten.

Op 21 maart, het begin van de lente op het noordelijk halfrond, wordt het begin van het nieuwe jaar gevierd (Naw-Rúz).

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]