Balavignus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het verbranden van Joden vanwege de pestepidemie in 1349

Balavignus (14e eeuw) was een Joods arts in Straatsburg die met succes de joodse reinigingswetten gebruikte om de pest te bestrijden, maar vervolgens juist werd aangeklaagd als de oorzaak voor het verspreiden ervan. Na marteling en een afgedwongen `bekentenis` volgde de wraak op deze vermeende Joodse samenzwering tegen het `christelijke` Europa. Een massamoord op de Joodse bevolking (die als zondebok voor de pest werd aangewezen) had plaats in Straatsburg en andere Europese steden.

Zwarte Dood[bewerken]

In de 14e eeuw werd Europa getroffen door de beruchte "Zwarte Dood" vermoedelijk de builenpest. Geschat wordt dat van 1348 tot 1351 ruim een kwart van de totale Europese bevolking stierf als gevolg van de zwarte dood. In deze catastrofale tijd begon het op te vallen dat er zo weinig slachtoffers werden geteld in de Joodse wijk van Straatsburg, waar Balavignus als arts werkte. Als Jood kende hij de Tenach (het oude testament) en daarom gaf hij in 1348 bevel om de hele Joodse wijk schoon te maken en al het afval te verbranden. Hij voerde alles uit wat volgens de reinigingswetten van het boek Leviticus, het derde boek van de Hebreeuwse Bijbel, gedaan moest worden. Als gevolg van deze complete reiniging verdwenen de ratten en vlooien naar omliggende wijken en steden. Het resultaat was dat in de wijk van Balavignus slechts 5% van de bevolking slachtoffer werd van de zwarte dood.

Joods reinigingswetten[bewerken]

Er was een opvallend verschil tussen het aantal slachtoffers in de Joodse wijk en in Straatsburg als geheel. In plaats dat men de hygiënische maatregelen uit Leviticus overnam begon men beschuldigend naar Balavignus en de Joodse inwoners te wijzen. De arts werd aangeklaagd als een van de hoofdverantwoordelijken voor de verspreiding van de pest in Europa.

Zondebok[bewerken]

Omdat Balavignus ontkende werd hij gemarteld met de meest extreme folteringen, het kon toch immers geen toeval zijn dat juist de Joden van Straatsburg immuun waren tegen de zwarte dood. Vanwege de extreme foltering "bekende" hij dat hij had meegeholpen aan het vergiftigen van de waterputten van de christenen. Het nieuws van zijn bekentenis verspreidde zich razendsnel door heel Europa. Via speciale koeriers werden alle steden geïnformeerd dat de Joden de lucht, de waterputten en bronnen hadden vergiftigd. Van in 1348 en 1349 volgden hevige pogroms over heel Europa. Tienduizenden joden werden afgeslacht en verbrand. In de steden Bazel, Frankfurt am Main, Straatsburg en Keulen werd de totale Joodse bevolking uitgemoord.

Hygiëne[bewerken]

Langzamerhand begon men tot de ontdekking te komen dat de joodse reinheidswetten heel erg belangrijk waren in de bestrijding van besmettelijke ziekten. In het boek Leviticus wordt onder meer gesproken over:

  • het opruimen van afval
  • het wassen van het lichaam voor het eten
  • het wassen van het lichaam na het aanraken van een lijk of een zieke
  • het in acht nemen van een zekere periode van afzondering en reiniging, indien er sprake is van een besmettelijke ziekte (de voorloper van quarantaine). Zie Leviticus 13:4:
Als de huid een lichte, witte plek vertoont die niet diep in de huid ligt en het haar niet wit geworden is, moet de priester de betreffende persoon zeven dagen afzonderen. 5 Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw. Als blijkt dat de plek zich niet heeft uitgebreid en de huid niet verder is aangetast, moet hij hem opnieuw zeven dagen afzonderen. 6 Zeven dagen later onderzoekt de priester hem nogmaals, en als de plek dof geworden is en zich niet heeft uitgebreid, moet hij hem rein verklaren. Het is dan gewone uitslag. De persoon in kwestie moet zijn kleren wassen en is dan weer rein.