Balthasar Gerards

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Balthasar Gerards
Portret van Balthasar Gerards
Portret van Balthasar Gerards
Volledige naam Balthasar Gérard
Geboren ca. 1557
Vuillafans, Frankrijk
Overleden 14 juli 1584
Delft, Nederland
Veroordeeld voor Moord op Willem van Oranje
Straf Foltering en executie
Status Geëxecuteerd
Overtuiging Rooms-katholiek

Balthasar Gerards (Balthasar Gérard) (Vuillafans, ca. 1557 - Delft, 14 juli 1584) was de moordenaar van prins Willem van Oranje.

Jeugd[bewerken]

Gerards werd geboren in Vuillafans bij Besançon in Franche-Comté en heette eigenlijk Balthasar Gérard. De straat waar hij werd geboren heet tegenwoordig Rue Gérard. Zijn familie speelde in de kleine dorpsgemeenschap een vooraanstaande rol. Zijn vader sprak recht over de inwoners en zou slotvoogd zijn geweest van het nabijgelegen Châteauneuf van de familie De Bauffremont. Balthasar was het negende kind van Jean Gérard en Barbe d'Emskerque en werd streng katholiek opgevoed. Van het protestantisme moest hij niets hebben.

Balthasar trok op zijn twaalfde naar de stad Dole om rechten te studeren. Dole was destijds de hoofdstad van Franche-Comté, dat tot de bezittingen van de Habsburgers behoorde en met de Nederlanden deel uitmaakte van de Bourgondische Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk. Van Balthasars jaren in deze stad is alleen bekend dat hij in dienst trad als klerk bij de griffie van het gerechtshof (een prestigieuze functie) en als secretaris diende in het leger van graaf Peter Ernst van Mansfeld. Een ander voorval uit deze tijd kennen wij alleen uit de mond van Balthasar zelf. In 1578 zou hij zich in een gesprek over politiek en Willem van Oranje zo hebben opgewonden, dat hij met al zijn kracht een dolk in de deur stak. Hij zou daarbij hebben uitgeroepen dat "deze steek in het hart van de prins van Oranje gegeven had moeten worden".

De strijd tussen de katholieken en de protestanten in die jaren, die ook Franche-Comté niet onberoerd liet, wekte Balthasars woede. Hij geloofde heilig in de zaak van de katholieke kerk en van koning Filips II van Spanje en beschouwde Willem van Oranje, die nota bene nog stadhouder van Franche-Comté was geweest, als een verrader.

Filips en Willem[bewerken]

Filips II

De verhouding tussen Filips en Willem was niet altijd slecht geweest. Willem erfde op 11-jarige leeftijd van zijn neef René van Chalon, graaf van Nassau en prins van Oranje, de Nassause bezittingen in de Nederlanden en het prinsdom Oranje. Chalon passeerde hierbij zijn echtgenote en ook Willems vader Willem de Rijke. Deze had zich namelijk kort daarvoor tot het lutherse geloof bekeerd en een testament dat zoveel rijkdom en macht aan een ketter deed toekomen zou door de toenmalige keizer Karel V nooit aanvaard worden. Tot dan was Willem Luthers opgevoed. Voorwaarde bij de erfenis was dat hij aan het Brusselse Hof een katholieke opvoeding zou krijgen.

De kleine Willem groeide dus op aan het hof van Karel als een katholiek en koningsgezind hoveling. Hij kon het goed vinden met de keizer en diens zoon, de latere Filips II. Hij vernoemde zelfs zijn eerste zoon naar hem: Filips Willem. De verstandhouding tussen de twee verslechterde toen Willem hertrouwde met de streng-lutherse Anna van Saksen, die bovendien de dochter was van de Saksische keurvorst Maurits, een van de machtigste tegenstanders van de Habsburgers, waartoe Filips behoorde. Zich gesteund wetende door zijn schoonfamilie begon Willem steeds meer kritiek op Filips uit te oefenen. Filips' landvoogdes Margaretha van Parma betrok de adel - en dus ook Willem - nauwelijks in het regeren van de Nederlanden en aartsbisschop Antoine Perrenot de Granvelle keurde zijn huwelijk met een ketterse natuurlijk sterk af. Willem verzette zich overigens voornamelijk tegen Granvelle en vermeed kritiek op de koning zorgvuldig. Granvelle beschouwde hij als de belichaming van de door hem zo gehate centralisatiepolitiek van Filips.

In 1564 stapte Granvelle op maar de Raad van State kreeg niet haar oude macht terug. Willem bleef kritiek uitoefenen en noemde Filips' onderdrukking van de ketters openlijk fout. De koning beschouwde dit als verraad. Op 23 augustus 1567 arriveerde de nieuwe landvoogd Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva. Diens rechtbank, de Raad van Beroerten (ook wel de Bloedraad genoemd), vervolgde de Nederlandse opstandelingen genadeloos. De graven Egmont en Hoorne werden onthoofd. In 1568 werd Willem verbannen en zijn goederen werden verbeurd verklaard. Zijn zoon Filips Willem werd naar Spanje ontvoerd. Prins Willem kon dit niet op zich laten zitten en begon ook gewapend verzet te plegen.

Filips II verklaarde Willem van Oranje op 15 maart 1580 vogelvrij: Wilhelm van Nassau, prince van Orangien, als hooft beroerder ende bederver van tgeheel Christenrijck, ende namentlijck van dese Nederlanden: Waerby een yeghelijck geauctoriseert wordt van hem te beschadigen, offenderen ende uyter weerelt te helpen, met loon ende prys voor den ghenen die des doen, oft daer toe assisteren zullen. Het edict bevatte verder nog een pagina's lange opsomming van de wandaden van deze schelm ende verrader - waaronder bigamie, hoogverraad en huichelarij - en de mededeling dat hij voor eeuwig uit de Nederlanden was verbannen. Balthasar Gerards hoorde in 1581 van de ban en besloot Willem te vermoorden.

Op weg naar Willem van Oranje[bewerken]

Onderweg naar Willems residentie in Delft verbleef Balthasar enige dagen bij zijn neef Jean Duprel in Luxemburg. Daar vernam hij dat Jean Jaureguy op 18 maart 1582 een succesvolle aanslag op Willems leven had gepleegd. Balthasar was opgelucht. Niet alleen was zijn aartsvijand dood, hij hoefde nu ook niet zelf zijn leven te wagen. Al snel bereikte hem echter het bericht dat Willem nog in leven was. Balthasar was inmiddels als schrijver in dienst getreden bij zijn neef. Hij besloot Duprel te vergezellen op de veldtochten van diens baas, graaf Peter Ernst I van Mansfeld, de gouverneur van Luxemburg. Als Mansfelds leger in de buurt van het leger van Willem zou komen, zou Balthasar overlopen om zo in Willems nabijheid te komen. Hij zou zich voordoen als protestant en de prins als bewijs van zijn goede bedoelingen een officieel zegel van Mansfeld aanbieden. Daarmee zou Willem allerlei valse documenten en paspoorten kunnen fabriceren met graaf Mansfelds zegel erop.

Alexander Farnese

De veldtochten brachten Balthasar echter niet in de buurt van prins Willem. Hij probeerde tweemaal ontslag te nemen maar dit werd geweigerd. In maart 1584 kneep hij er uiteindelijk tussenuit. Hij trok naar het nabijgelegen Trier waar hij zijn plannen opbiechtte aan een jezuïet. Hij was er niet geheel zeker van of hij met het gebruiken van Mansfelds zegel geen fout beging. De jezuïet (wiens naam niet bekend is) wist dit ook niet. Hij raadde Balthasar aan naar de landvoogd van de Nederlanden, Alexander Farnese, de latere hertog van Parma, te gaan. Wel verzekerde hij hem ervan dat hij een martelaar zou worden indien hij als gevolg van de aanslag zou sterven.

Balthasar overhandigde de landvoogd in Doornik een brief waarin hij zijn zorgen uitte over het feit dat het volstrekt juiste vonnis van de koning nog steeds niet was voltrokken en hij zijn plannen presenteerde. Parma was weinig onder de indruk en achtte Balthasar niet in staat de klus te klaren. Hij werd doorverwezen naar raadsheer Christophe d'Assonleville. Deze probeerde Balthasars enthousiasme te temperen, maar tevergeefs. Parma had er geen enkel vertrouwen in, maar was van mening dat Balthasar zijn gang maar moest gaan. Hij mocht echter in geen geval Parma's naam noemen.

Begin mei van het jaar 1584 kwam Balthasar aan in Delft en nam zijn intrek in herberg De Diamant in de Choorstraat, een paar honderd meter van het Prinsenhof waar Willem verbleef. Hij verspilde geen tijd en begaf zich onder de schuilnaam François Guyon met een brief voor de prins naar het Prinsenhof: Omtrent t'beghinsel vanden Mey, is een man, out zijnde ontrent sessentwintich oft sevenentwintich jaren, middelbaer cort van persoone, ende slecht van ghedaente, ghecomen aenden persoone vanden Prince, ende heeft hem eenen brief ghegheven. Een paar dagen later werd Balthasar bij Willems adviseur Pierre Loyseleur de Villiers geroepen. Hij presenteerde zich hier als een protestantse edelman die uit Frankrijk was gevlucht en in dienst van de prins wilde treden en liet het zegel van Mansfeld zien.

Willem en De Villiers kwamen tot de conclusie dat hun bondgenoten in Frankrijk wel iets aan het zegel zouden hebben en stuurden Balthasar eropuit. Dit kwam hem zeer slecht uit, maar aangezien hij in dienst van de prins was getreden kon hij niet weigeren. Een maand later werd hij echter weer teruggezonden. Van het reisgeld voor een nieuwe opdracht kocht hij op 8 juli twee pistolen van Franse soldaten.

Moord[bewerken]

Balthasar begaf zich op dinsdag 10 juli 1584 rond het middaguur naar het Prinsenhof met de mededeling dat hij Willem wilde spreken. Willems vrouw Louise de Coligny schijnt nog bezorgd te hebben gevraagd wie dat ongure type wel niet was, maar werd gerustgesteld. Willem meldde Balthasar dat hij hem na het middageten te woord zou staan. Balthasar keerde terug naar de Diamant om zijn pistolen te halen.

Kogelgaten als stille getuigen in het Prinsenhof

Rond half twee verliet het gezelschap, onder wie Rombertus van Uylenburgh en Cornelis van Aerssen de eetzaal. Toen Willem van Oranje zijn voet op de eerste trede van de trap zette schoot Balthasar hem van dichtbij in de borst en de zij. De prins zakte in elkaar en sprak - volgens het officiële verslag - zijn beroemde laatste woorden: "Mon Dieu, ayez pitié de mon âme, et de ce pauvre peuple!" ,vertaald als "Heere Godt weest mijn siele, ende dit arme volck ghenadich", soms nog voorafgegaan door "Heere Godt weest mijn siele ghenadich, ick ben seer gequetst". Vandaag de dag bestaat er twijfel of Willem van Oranje deze laatste woorden wel heeft kunnen uitspreken. Volgens recente onderzoeken zou hij op slag dood moeten zijn geweest,[1] andere moderne studies spreken dit weer tegen.[2]

Balthasar vluchtte het Prinsenhof uit, op de hielen gezeten door soldaten en bedienden. Hij klom over de stadsmuur, maar voordat hij in het water kon springen werd hij in de kraag gevat. Waar hij precies heen had willen vluchten is niet bekend. In zijn verhoren is het hem blijkbaar ook niet gevraagd.

Verhoor en executie[bewerken]

Balthasar werd opgesloten in de gevangenis en legde op eigen verzoek een lange schriftelijke verklaring af over zijn beweegredenen. Nog diezelfde dag werd hij verhoord, maar liet niet veel los. De schepenen besloten tot foltering over te gaan, een destijds niet ongebruikelijke stap. De eerste nacht in de gevangenis werd Balthasar met roeden geslagen. Zijn wonden werden met honing ingesmeerd opdat een bok met zijne scherpe tong al leckende zijn vel metten honich afschrabben soude. De bok had er echter geen zin in. De rest van de nacht bracht Balthasar door met zijn handen aan zijn voeten gebonden. De beulen hingen hem een half uur lang op met aan iedere grote teen een gewicht van 300 pond. Hij praatte nog steeds niet genoeg en men deed hem te kleine schoenen aan van nat ongelooid hondenleer. Ze zetten hem voor een groot vuur zodat de schoenen krompen en zijn voeten brandden. Ze hielden gloeiende fakkels onder zijn oksels en staken naalden en spijkers tussen zijn nagels, maar Balthasar gaf geen krimp. Uiteindelijk werd de Utrechtse beul Jacob Michielsz erbij gehaald, maar Balthasar bleef standvastig en ter zake antwoorden. De betrokkenheid van andere mensen bij de aanslag werd niet aangetoond, maar Balthasar noemde wel de naam van Parma.

Balthasar werd op 13 juli berecht. Het gerecht was van mening dat hij ten exempelen van allen anderen seer righoreuselijcken gehestraft [moest] worden. Ze veroordeelden de moordenaar tot een - ook voor zestiende-eeuwse begrippen - uiterst wrede straf. Hij zou de volgende dag naar het schavot worden geleid

"omme aldaer eerst zijn rechterhant, daer hy het voorsz. verradisch moordadighe feyt mede bedreven heeft, met een gloeyende toesluytende yzer geschroyet ende afghebrant te worden, ende dat daer naer met gloeyende tanghen tot ses reysen ende verscheyden plaetsen so aen aermen, beenen, en t'gheen daer sijn lichaem meest met vleesch becleedt is, het vleesch uutgebrant en afghenepen sal worden, ende dat hij daer nae levendich aen vier quartieren ghehouden sal worden, beghinnende van onderen ende ten laesten hem den buijck opgesneden ende zijn hart levendich uuijtgenomen ende in sijn ansichte geworpen ende daernae zijn hooft affgehouden zal worden ende dat zijn vier quartieren opten bolwercken van der Haechpoorte, Oostpoorte, Ketelpoorte ende Waterslootschepoorte deser stede uuijtgehangen ende zijn hooft opte Schooltoorn achter het logement des voornoemden heeren Prince op een staecke gestelt, sullen worden, verclarende alle syne goeden geconfisqueert ten proffijte van den Heer."

In hedendaags Nederlands vertaald staat er:

"Zijn rechterhand waarmee hij het moorddadige feit heeft gepleegd zal met een gloeiende tang worden afgeknepen; vervolgens zal men met gloeiende tangen op verscheidene plaatsen op zijn lichaam het vlees afknijpen tot op het bot. Vervolgens vierendele men hem levend waarna het hart uit zijn borstkas gesneden en hem in het gezicht zal worden geworpen. Ten slotte zal men zijn hoofd afhakken waarna zijn vier uiteengetrokken delen op de Haagpoort, Oostpoort, Ketelpoort en de Waterslootsepoort tentoongesteld dienen te worden. Zijn hoofd moet op een staak gespietst en vervolgens bij het voormalige huis van de prins worden geplaatst. Zijn bezittingen worden geconfisqueerd en komen aan de Heer ten goede"

Nasleep[bewerken]

De moordenaar had echter ook veel bewonderaars. Een gedicht uit die tijd luidt: Lof! Baltazar Geerarts, die, door Gods providentie, 's Conincks sententie hebt geëxecuteerd, Over den tiran, Orainge, boos van inventie, Wiens pestilentie in Belgis noch regneert. Er gingen zelfs stemmen op die riepen om Balthasar heilig te verklaren voor wat hij had gedaan. Dat zou nooit gebeuren, maar het is wel tekenend voor de tegenstellingen tussen katholiek en protestant in de Nederlanden.

De beloning, door Filips gesteld op de moord, diende volgens het edict van de koning te worden voldaan uit de nalatenschap van Willem van Oranje. Aangezien Filips daarover nog niet de beschikking had, bleven de nabestaanden zitten met een vordering die niet te innen viel.

Toen aan het begin van het Twaalfjarig Bestand de oudste zoon van Oranje, Filips Willem van Oranje, in zijn Nassause bezittingen werd hersteld, probeerde de landvoogd Albrecht van Oostenrijk hem te dwingen om uit dit vermogen de nabestaanden van Gerards te voldoen. De prins heeft dit een- en andermaal geweigerd[3].

Dr. C.A. Engelbregt schrijft in De Gids (jrg. 1859, blz. 621): "Indien wij wel onderrigt zijn, zoo hebben nog onder de vroege regering van koning Willem I, afstammelingen van Balthasar Gerart, te Doornik, aanzoek gedaan, op grond van die toenmaals uitgeloofde premie van Philips II, om opgenomen te worden onder den Nederlandschen adel!"

  1. NRC: Willem van Oranje sprak beroemde laatste woorden nooit uit. http://www.nrc.nl/nieuws/2012/03/31/willem-van-oranje-sprak-beroemde-laatste-woorden-nooit-uit/
  2. NU.nl: Onenigheid dood Willem van Oranje. http://www.nu.nl/binnenland/2783895/onenigheid-dood-willem-van-oranje-duurt-voort.html
  3. van Reyd, Hist. der Ned. oorlogen, enz. Amst. 1644 (3e ed.), bl. 53

Secundaire literatuur

Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Vonnis van Balthasar Gerards op de Nederlandstalige Wikisource.