Baltische Duitsers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Baltische Duitsers
vlag van de Baltische Duitsers
vlag van de Baltische Duitsers
Totale bevolking (onbekend)
Taal Nederduits, later Duits
Geloof Lutheranisme, Rooms-katholiek, Russisch-orthodox
Verwante groepen Rusland-Duitsers
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

De Baltische Duitsers (Duits: Deutsch-Balten, Baltendeutsche, vroeger: Balten) waren meestal etnisch Duitse inwoners die in het gebied van het huidige Estland en Letland woonden. De Baltisch-Duitse bevolking vormde hier nooit meer dan 10% van het totaal. Zij vormden echter voor meerdere eeuwen de sociale, commerciële, politieke en culturele elite. Sommigen van hen namen hoge posities in het militaire en civiele leven van het Keizerrijk Rusland in.

Geschiedenis[bewerken]

Vanaf de 12e eeuw begonnen handelaren uit Noord-Duitsland, de Nederlanden toen nog inbegrepen, zich in Lijfland te vestigen. Met de Lijflandse kruistocht en de oprichting van de pauselijke staat Terra Mariana kwam hier nog een tweede groep bij, de ridders van de Lijflandse Orde. Uit deze Orde ontstond de Baltische adel, die het meeste land in haar bezit hield.

Hoewel ze slechts een minderheid vormden, beheersten ze meer dan 700 jaar alle overheidsinstellingen, economie, onderwijs en cultuur van deze gebieden. De steden werden gedomineerd door de handelaren, het platteland werd beheerst door de baronnen.

Oorspronkelijk werd de administratie van Terra Mariana in het Latijn gevoerd. Al gauw verkreeg het Nederduits een overheersende positie. Na de opkomst van het lutheranisme werd dit door het Hoogduits verdrongen.

In de loop van hun 700-jarige geschiedenis hadden de Baltische Duitse families vaak niet alleen etnische Duitse en Nederlandse wortels. Ze waren vaak ook gemengd met de inheemse Esten, Lijven en Letten, alsook met Denen, Zweden, Engels, Schotten, Polen en Hongaren.

Bij gemengde huwelijken assimileerde de andere etnische groep meestal in de Duitse cultuur, nam de Duitse taal en gewoonten over, waarbij vaak hun namen en familienamen werden verduitst. Zij werden vervolgens ook als Baltische Duitsers beschouwd.

De etnische meerderheid van Esten en Letten woonde meest in landelijke gebieden als horigen en handelaars, of in de steden als bedienden. Dit was overeenkomstig de sociale orde in het Russische Rijk, en duurde tot ver in de 19e eeuw, toen de emancipatie van de lijfeigenschap de landbewoners meer politieke rechten en vrijheden bracht.

Met de bolsjewistische oktoberrevolutie van 1917 en de ondergang van het Russische Rijk kwam aan de privileges en de feitelijke overheersing van de Baltische Duitsers een einde.

In het najaar van 1939, na de ondertekening van het Molotov-Ribbentroppact, kwam aan hun geschiedenis en aanwezigheid in de Baltische staten een abrupt einde. Onder het Heim ins Reich-programma werden bijna alle Baltische Duitsers door de Duitse regering geherhuisvest in de nieuw gevormde rijksgouwen Wartheland en Danzig-West-Pruisen (op het grondgebied van het bezette Polen).

Bij de verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog werden deze opnieuw gehuisvest ten westen van de Oder-Neissegrens.

De hedendaagse afstammelingen van de Baltische Duitsers kan men over de hele wereld vinden, met de grootste groepen in Duitsland en Canada.

In 1881 waren er ongeveer 46.700 Duitsers in het huidige Estland (5,3% van de bevolking), en volgens de volkstelling van 1897 waren er 120.191 Duitsers in het huidige Letland, of 6,2% van de bevolking.

Middeleeuwen[bewerken]

Ruïnes van de kerk van Ikšķile

Etnische Duitsers begonnen zich in de 12e eeuw in wat nu Letland en Estland is te vestigen. Handelaren en missionarissen begonnen de kustlanden te bezoeken, bewoond door heidense stammen die Oostzeefinse talen spraken. Naar de stam der Lijven die de kusten van de Golf van Riga bewoonden noemden zij het gebied Lijfland. Aan de benedenloop van de Westelijke Dvina woonden de Baltische stammen der Selen en Letgallen, die onder vazalschap van het Oosters-orthodoxe Vorstendom Polotsk stonden.

In het kielzog van de Duitse kooplieden landde een monnik genaamd Meinhard in 1180 aan de monding van de Westelijke Dvina. In 1184 werd de eerste christelijke kerk in het gebied gebouwd in het Lijfse dorp Ikšķile. In 1186 werd Meinhard ingewijd als de eerste bisschop van Uexküll.

De paus riep in 1193 op tot een kruistocht tegen de Lijflandse heidenen en een kruistocht onder leiding van Meinhards opvolger, bisschop Berthold van Hannover, landde in Lijfland. In 1196 voerde Berthold de eerste kruistocht in de Baltische landen uit. In 1199 werd Albert van Buxhoeveden naar de Baltische landen gestuurd. Om een ​​permanente militaire aanwezigheid te zorgen stichtte Albert, nu bisschop van Lijfland, in 1202 de Orde van de Zwaardbroeders. Dertig jaar later was de verovering en formele kerstening van het huidige Estland en Letland noordelijk compleet.

Duitstalige kooplieden en ambachtslieden vormden de meerderheid van de snel groeiende stedelijke bevolking in het gebied. De Orde van de Zwaardbroeders werd in 1236 als Lijflandse Orde een deel van de Duitse Orde.

Toen de invloed van de Duitse Orde in de 15e eeuw door oorlogen met Polen en Litouwen verzwakte, begon de Lijflandse Orde in het noorden meer haar eigen beleid te voeren. De grootste tegenstander hier was het Grootvorstendom Moskou, en verzwakt door meerdere nederlagen werd in 1419 de Lijflandse Confederatie opgericht.

Na de Reformatie[bewerken]

Tijdens de reformatie namen de meeste Duitsers het lutheranisme aan.

Toen de Duitse Orde in 1525 geseculariseerd werd als het Hertogdom Pruisen, bleef de Lijflandse Orde onafhankelijk, hoewel omgeven door agressieve buren. In 1558 begon met de Russische inval in Lijfland de Lijflandse Oorlog tussen Rusland, Polen, Zweden en Denemarken, welke 20 jaar duurde. In de loop van de oorlog werd de Lijflandse Confederatie verdeeld tussen Denemarken (Saaremaa ), Zweden (Zweeds-Estland) en Polen (Hertogdom Lijfland), en het Hertogdom Koerland en Semgallen, een vazalstaat van het Pools-Litouwse Gemenebest.

In 1629 veroverde Zweden de westelijke helft van het Hertogdom Lijfland, inclusief de stad Riga. Dit werd nu Zweeds Lijfland. Dit had een belangrijke invloed op de emancipatie van de Letten, en de Letse taal (in feite het dialect van Zweeds-Lijfland) werd voor het eerst opgeschreven en kreeg hierdoor uiteindelijk zijn leidende positie in het huidige Letland.

Viering van het 300-jarig bestaan van de universiteit Dorpat in 1939

Ook de Duitse cultuur werd echter gestimuleerd. De Duitstalige Universiteit van Dorpat, de stichting waarvan door koning Gustaaf II Adolf van Zweden werd gesteund, bleef lange tijd de enige universiteit in het gebied en het intellectuele centrum van de Baltische Duitsers. Aan het einde van de jaren 1600 introduceerde Zweden ook in de Baltische provincies de reductie. Dit betekent dat het onroerend goed van de adel eigendom van de Kroon werd. Deze hervorming maakte effectief vrije boeren van de horigen, maar zou echter na de Russische verovering in 1710 teniet worden gedaan.

De situatie in het oostelijke gedeelte, het Woiwodschap Lijfland, was geheel anders. Hier was de Poolse taal en cultuur overheersend. De Duitse minderheid was hier minder talrijk, en de "Baltische baronnen" werden al gauw opgenomen in de Poolse adel en volledig gepoloniseerd. De landbevolking had hier weinig rechten.

Het Hertogdom Koerland en Semgallen, hoewel nominaal onder de Poolse kroon, bleef grotendeels autonoom. De Duitse overheersing kon zich hier dan ook ongestoord handhaven.

Na de Grote Noordse Oorlog kwam het gebied in 1721 onder het Keizerrijk Rusland. Zweeds-Estland werd het Gouvernement Estland, Zweeds-Lijfland het Gouvernement Lijfland, en het Hertogdom Koerland en Semgallen werd het Gouvernement Koerland. De Woiwodschap Lijfland werd uiteindelijk deel van het Gouvernement Vitebsk.

Onder Rusland[bewerken]

Tussen 1710 en 1795, na het succes van Rusland in de Grote Noordse Oorlog en de Poolse Delingen, werden de door Baltische Duitsers bewoonde gebieden gouvernementen van het Russische Rijk. Echter, deze Baltische gouvernementen bleven gedomineerd en bestuurd door de lokale Duitstalige aristocratie, deels afstammelingen van de vroegere ridders alsook meer recente immigranten uit het Duitse Rijk. Het platteland was volledig in handen van de Duitse adel.

Het merendeel van de geletterde klasse in het gebied was Duitstalig. De niet-adellijke Duitstalige burgers woonden hoofdzakelijk in de steden zoals Riga, Tallinn (Reval), Tartu (Dorpat) en Pärnu (Pernau). Nog in het midden van de 19e eeuw had de bevolking van veel van deze steden nog een Duitse meerderheid, met een Estse of Letse minderheid. In 1867 was de bevolking van Riga nog 42,9% Duits.

De inheemse plattelandsbevolking genoot onder de Baltische Duitse adel minder rechten dan de boeren in Duitsland of Zweden. Lijfeigenschap werd in de Baltische provincies aan het begin van de 19e eeuw officieel afgeschaft, ongeveer een halve eeuw eerder dan in de rest van Rusland. In de steden waren er minder spanningen tussen de Duitstaligen en de autochtone stadsbewoners.

De Duitse culturele autonomie werd in de jaren 1880 opgeheven, toen de Russificatie het gebruik van de Duitse taal in overheid en onderwijs verving door het Russisch.

De revolutie van 1905 leidde tot aanvallen tegen de Baltische Duitse landeigenaren. Hierbij werden landgoederen verbrand, en leden van de adel vermoord. Dit gebeurde meestal niet door de lokale bevolking, maar door externe revolutionaire bendes.

Bij het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog kwamen de Baltische Duitsers in een moeilijke positie. Door hun Duitse achtergrond werden ze door de Russen gewantrouwd, terwijl ze door de Duitsers als verraders werden gezien.

Revolutie en onafhankelijkheid (1917–1940)[bewerken]

Gedenkteken voor de eerste verjaardag van de Bevrijding van Riga door het Duitse leger. (Het monument bestond slechts september-november 1918, tot Riga tijdens de burgeroorlog door het Letse leger werd bevrijd)

Als gevolg van de Russische Revolutie van 1917 en de daaropvolgende Russische Burgeroorlog vluchtten veel Baltische Duitsers naar Duitsland. Afgelegen Baltisch-Duitse landgoederen waren regelmatig het doelwit van plaatselijke bolsjewieken, en de combinatie van lokale bolsjewieken en extreme nationalisten bracht een nationalisatie van het landbezit en een verplaatsing van de Baltische Duitsers uit hun posities van gezag.

Na de Russische overgave en de Vrede van Brest-Litovsk in 1917 organiseerde het Duitse Rijk de bezette gebieden in de Ober-Ost. In 1918 werd hieruit het Hertogdom Koerland en Semgallen opgericht.

Na de Duitse verovering van Lijfland richtte de Duitse adel het Baltische Hertogdom op. Dit werd later samengevoegd met het Hertogdom Koerland en Semgallen tot het Verenigd Baltisch Hertogdom onder Duitse soevereiniteit. Geen van deze "staten" had echter een daadwerkelijke macht.

In de Estse en Letse Onafhankelijkheidsoorlogen konden de Esten en Letten hun nationale onafhankelijkheid veroveren. De meeste Duitse landeigenaren werden onteigend.

In Letland vochten de Baltische Duitsers aanvankelijk als Baltische Landeswehr samen met de Letse vrijheidsstrijders tegen de bolsjewieken. Ze waren echter weinig geïnteresseerd in een zelfstandig Letland, en zagen meer in een herstel van het Russische Keizerrijk. Nadat de Letse regering door het Rode Leger naar Liepāja was verdreven, werd ze door de Duitsers afgezet en door een marionettenregering onder Andrievs Niedra vervangen. De Baltische Duitsers hielpen met de oprichting van het West-Russische Vrijwilligersleger, dat uit pro-tsaristische Russen bestond. Gezamenlijk probeerden deze Riga op de inmiddels herstelde Letse nationalisten te veroveren.

De Baltisch-Duitse bevolking van Estland was kleiner, waardoor de Baltische Duitsers daar een minder overheersende rol speelden. Gedurende de Estische Onafhankelijkheidsoorlog hadden veel jonge Baltische Duitsers vrijwillig dienst genomen in het nieuw gevormde Estse leger. Deze Baltisch-Duitse militaire eenheid werd bekend als het Baltenregiment. Desalniettemin begonnen veel Baltische Duitsers de onafhankelijke Republiek Estland te verlaten. Voor de emigratie in deze periode zijn geen exacte cijfers beschikbaar.

In de Republiek Letland bleven de Baltische Duitsers de meest politiek actieve en georganiseerde etnische groep, hoewel ze na de staatsgreep van Kārlis Ulmanis in 1934 aan invloed verloren.

Emigratie van de Baltische Duitsers (1939-1944)[bewerken]

Propagandaplakkaat uit 1939
Verlading in Riga

Als gevolg van de geheime afspraken van het Molotov-Ribbentroppact tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie in 1939 werden Estland en Letland aan de Sovjet-invloedssfeer toegewezen. Jozef Stalin kreeg hiermee de vrije loop over deze landen en hij maakte hiervan onmiddellijk gebruik door in eind 1939 militaire bases in Estland en Letland op te zetten. Dit was ter voorbereiding van een invasie van de Baltische staten door de Sovjet-Unie die in de zomer van 1940 plaatsvond.

Een van de belangrijkste in augustus 1939 door Hitler gestelde voorwaarden was de voorafgaande overdracht van alle Baltische Duitsers uit Estland en Letland naar gebieden onder Duitse controle.

Verschillende verdragen met Estland en Letland werden in 1939 en 1940 ondertekend met betrekking tot de emigratie van Baltische Duitsers en de liquidatie van hun educatieve, culturele en religieuze instellingen. Onder de dreiging van een Sovjet-invasie waren de meeste Baltische Duitsers hiertoe bereid. Begin 1940 werden rond 13.700 Baltische Duitsers uit Estland en rond 51.000 Baltische Duitsers uit Letland geherhuisvest.

De meeste Baltische Duitsers verlieten Estland en Letland per schip en werden geherhuisvest in de Rijksgouw Wartheland en andere door Duitsland van Polen geannexeerde gebieden, vaak in woningen van verdreven Polen.

Evacuatie van voorjaar 1941[bewerken]

Na de Sovjetinvasie en oprichting van de Letse Socialistische Sovjetrepubliek regelde de Duitse regering in het begin van 1941 een nieuwe hervestiging voor al diegenen die in 1939 of 1940 geweigerd hadden om te vertrekken. Deze keer werd geen compensatie aangeboden voor achtergelaten woningen of bezittingen. De actie werd de Nachumsiedlung genoemd. Onbekend bij het publiek lag de Duitse invasie van de Sovjet-Unie slechts 2-4 maanden in de toekomst, en dit was Hitlers laatste kans om deze mensen in vredestijd te evacueren.

Tegen die tijd bevonden zich de resterende Baltische Duitsers in Estland en Letland in een heel andere situatie dan in 1939. Hun landen waren nu bezet door de Sovjet-Unie, en er was een intense druk en intimidatie op iedereen met een positie van voorrecht of rijkdom. Massale arrestaties en moorden hadden plaatsgevonden. Uit angst voor een verslechtering van de situatie besloot de overgrote meerderheid van de overige Baltische Duitsers te vertrekken. Omstreeks eind maart 1941 werden rond 7000 Baltische Duitsers uit Estland geherhuisvest en circa 10.500 uit Letland.

Een zeer kleine minderheid van de Baltische Duitsers weigerden opnieuw te hervestigen en bleef in de Baltische staten na maart 1941. Sommigen werden het slachtoffer van de Sovjet-deportaties naar de Siberische goelags vanaf begin juni 1941. Anderen vluchtten in 1944 met de terugtrekkende Duitse legers. Precieze getallen of lijsten zijn hiervan niet beschikbaar.

Een klein aantal bleef na 1944 in de Baltische staten, maar deze werden onderworpen aan wijdverbreide discriminatie (en tot 1953 mogelijke deportatie naar Siberië) door de Sovjet-autoriteiten. Als gevolg hiervan verborgen of ontkenden velen hun Baltisch-Duitse afkomst. De meeste Baltische Duitsers die na 1944 bleven waren kinderen van gemengde huwelijken of zelf getrouwd met etnische Esten, Letten of Russen.

Tweede evacuatie in 1945[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog

Door het Sovjet-offensief in Polen en Duitsland in eind 1944 en begin 1945 werden de Baltische Duitsers opnieuw gedwongen te verhuizen naar gebieden nog verder in het westen, om te ontsnappen aan het oprukkende Rode Leger.

Dit keer werd de evacuatie in de meeste gebieden tot het laatste moment uitgesteld, tot het te laat was om het op een ordelijke manier uit te voeren, en vrijwel allen moesten de meeste van hun bezittingen achterlaten.

Veel Baltische Duitsers bevonden zich aan boord van de Wilhelm Gustloff toen dit op 30 januari 1945 door een Sovjet-onderzeeër tot zinken werd gebracht, met het ergste verlies van levens van een enkel schip in de maritieme geschiedenis. Andere Baltische Duitsers stierven tijdens het zinken van de Steuben op 10 februari 1945.

De meeste overlevenden vestigden zich in West-Duitsland, sommigen in Oost-Duitsland. Een aanzienlijke minderheid emigreerde vanaf 1948 naar Canada, met de steun van de Canadese gouverneur-generaal Harold Alexander, die tijdens zijn tijd als bevelhebber van de Baltische Landeswehr vele Baltische Duitsers had gekend.

Vernietiging van het cultureel erfgoed in de Baltische staten 1945–1989[bewerken]

De Grosser Friedhof in Riga
Het Schwarzhäupterhaus, met rechts het standbeeld van Roland

Tijdens de 50 jaar durende bezetting van de Baltische staten waren de Sovjet-autoriteiten bereid om alle sporen van etnische Duitse invloed uit de afgelopen eeuwen te wissen. Talrijke standbeelden, monumenten, bouwwerken of gedenkstenen met Duitse opschriften werden vernietigd of gewijzigd.

De grootste Baltisch-Duitse begraafplaatsen van Estland in Kopli en Mõigu, beide bestaand ​​sinds 1774, werden volledig verwoest door de Sovjet-autoriteiten. De Grote begraafplaats (Grosser Friedhof) van Riga, de belangrijkste begraafplaats van de Baltische Duitsers in Letland en in gebruik sinds 1773, had de overgrote meerderheid van zijn graven vernield.

Hoewel slechts gering beschadigd door oorlogshandelingen werd het Schwarzhäupterhaus, het 14e-eeuwse huis van de Duitse gilden aan het raadhuisplein van Riga, volledig afgebroken. In de jaren negentig werd dit heropgebouwd.

Na de vernieuwde onafhankelijkheid[bewerken]

De huidige regeringen van Estland en Letland, die hun onafhankelijkheid in 1991 herwonnen, toonden over het algemeen een positieve, of soms neutrale, visie op de bijdragen van de Baltische Duitsers in de ontwikkeling van hun steden en landen gedurende de geschiedenis. Af en toe komt wel enige kritiek ten opzichte van de grootgrondbezitters, die het grootste deel van het platteland beheersten.

Nadat Estland op 20 augustus 1991 onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie herwon, stuurde de Associatie van de Duitse Baltische adel in ballingschap een bericht aan de presidentskandidaat Lennart Meri dat geen enkel lid van de vereniging eigendomsrechten op hun vroegere Estse landerijen zou claimen. Ook het feit dat de eerste Duitse ambassadeurs in Estland en Letland Baltische Duitsers waren hielp de verzoening.

De samenwerking tussen de verenigingen van Baltische Duitsers en de regeringen van Estland en Letland heeft de restauratie van vele kleine Baltisch-Duitse plaques en gedenkstenen mogelijk gemaakt, zoals monumenten voor degenen die in de Onafhankelijkheidsoorlog van 1918-1920 gevochten hebben.

Bekende Baltische Duitsers[bewerken]

De Baltische Duitsers speelden in de periode van de 13e tot halverwege de 20e eeuw een grote rol in de samenleving van wat nu Estland en Letland is. Vele van hen werden belangrijke wetenschappers en ontdekkingsreizigers. Een aantal Baltische Duitsers diende als generaal in het Russische keizerlijke leger en de marine. Verschillende Baltische Duitsers vochten aan de kant van de Witten tijdens de Russische Burgeroorlog.

Lijst van bekende Baltische Duitsers[bewerken]

Standbeeld van Barclay de Tolly in Riga
Bronnen, noten en/of referenties