Baltische Duitsers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Baltische Duitsers
Vlag van de Baltische Duitsers
Vlag van de Baltische Duitsers
Totale bevolking (onbekend)
Taal Nederduits, later Duits
Geloof Lutheranisme, Rooms-katholiek, Russisch-orthodox
Verwante groepen Rusland-Duitsers
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken

De Baltische Duitsers (Duits: Deutsch-Balten, Baltendeutsche, vroeger: Balten) waren meestal etnisch Duitse inwoners die in het gebied van het huidige Estland en Letland woonden. De Baltisch-Duitse bevolking vormde hier nooit meer dan 10% van het totaal. Zij vormden echter voor meerdere eeuwen de sociale, commerciële, politieke en culturele elite. Sommigen van hen namen hoge posities in het militaire en civiele leven van het Keizerrijk Rusland in.

Geschiedenis[bewerken]

Vanaf de 12e eeuw begonnen handelaren uit Noord-Duitsland, waarbij toen ook de Nederlanden nog inbegrepen werden, zich in Lijfland te vestigen. Met de Lijflandse Kruistocht en de oprichting van de pauselijke staat Terra Mariana kwam hier nog een tweede groep bij, de ridders van de Lijflandse Orde. Uit deze Orde ontstond de Baltische adel, die het meeste land in haar bezit hield.

Hoewel ze slechts een minderheid vormden, beheersten ze meer dan 700 jaar de overheidsinstellingen, economie, onderwijs en cultuur van deze gebieden. De steden werden gedomineerd door de handelaren, het platteland werd beheerst door de baronnen.

Oorspronkelijk werd de administratie van de ridderorde in het Latijn gevoerd. Al gauw verkreeg het Nederduits een overheersende positie. Na de opkomst van het lutheranisme werd dit door het Hoogduits verdrongen. In de loop van hun 700-jarige geschiedenis hadden de Baltisch-Duitse families vaak niet alleen etnisch Duitse en Nederlandse wortels. Ze verbonden zich soms met inheemse stamhoofden, Esten en Letten, alsook met adellijke leden van Deense, Zweedse, Engelse, Schotse, Poolse en Franse geslachten, en laat ook met russische adel. Zij assimileerden de cultuur van ridderschap, hoewel de Duits-Batische edelen die in Russische adelsfamilies een plaats kregen, net zelden russificeerden, dat wil zeggen het Russisch als primaire taal aannamen en zich lieten opnemen in de Russisch-orthodoxe staatkerk.

De etnische meerderheid van Esten en Letten woonde meest als horige boeren op het platteland of als dienstpersoneel van de handelaars en handwerkers in de steden. Dit was overeenkomstig de sociale orde in het Russische Rijk en bleef daarom zo vanaf de inlijving in de 18de eeuw om voort te duren tot ver in de 19e eeuw, toen uiteindelijk de emancipatie van de lijfeigenschap de plattelandsbewoners meer politieke rechten en vrijheden bracht.

Met de bolsjewistische Oktoberrevolutie van 1917 en de ondergang van het Russische Rijk kwam aan de privileges en de feitelijke overheersing van de Baltische Duitsers een einde.

In het najaar van 1939, na de ondertekening van het Molotov-Ribbentroppact, kwam aan hun geschiedenis en aanwezigheid in de Baltische staten een abrupt einde. Onder het Heim ins Reich-programma werden bijna alle Baltische Duitsers door de Duitse regering geherhuisvest in de nieuw gevormde rijksgouwen Wartheland en Danzig-West-Pruisen (op het grondgebied van het bezette Polen).

Bij de verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog werden deze opnieuw gehuisvest ten westen van de Oder-Neissegrens.

De hedendaagse afstammelingen van de Baltische Duitsers kan men over de hele wereld vinden, met de grootste groepen in Duitsland en Canada.

In 1881 waren er ongeveer 46.700 Duitsers in het huidige Estland (5,3% van de bevolking), en volgens de volkstelling van 1897 waren er 120.191 Duitsers in het huidige Letland, of 6,2% van de bevolking. Zie verder hieronder bij 'aantallen'.

Middeleeuwen[bewerken]

Ruïnes van de kerk van Ikšķile

Kooplieden uit het noorden van het Duitse Rijk Duitsers begonnen zich in de 12e eeuw in wat nu Letland en Estland is te vestigen. Zij weren gevolgd door missionarissen die hun bekering richtten op de heidense stammen die Oostzeefinse talen spraken. Naar de stam der Lijven die de kusten van de Golf van Riga bewoonden noemden zij het gebied Lijfland. Meer landinwaarts, aan de benedenloop van de Westelijke Dvina woonden de Baltische stammen der Selen en Letgallen, die onder vazalschap van het Oosters-orthodoxe Vorstendom Polotsk stonden. De bekering werd geleid in pauselijke opdracht door Meinhard die in 1180 aan de monding van de Westelijke Dvina begon. In 1184 werd daar de eerste christelijke kerk gebouwd in het Lijfse dorp Ikšķile. In 1186 werd Meinhard ingewijd als de eerste bisschop van Uexküll. Door het verzet van de inheemse stammen riep de paus in 1193 op tot een kruistocht onder leiding van Meinhards opvolger, bisschop Berthold van Hannover. In 1199 werd Berthold opgvolgd door Albert van Buxhoeveden en deze kreeg als bisschop van Lijfland een ​​permanente militaire steun in de vorm van een in 1202 gestichte Orde van de Zwaardbroeders, bewapende adellijke monniken uit vooral Westfalen afskomstig. Dertig jaar later was de verovering en formele kerstening van het huidige Estland en noordelijk Letland voltooid.

Duitstalige kooplieden en ambachtslieden vormden de meerderheid van de snel groeiende stedelijke bevolking in het gebied. De Orde van de Zwaardbroeders werd in 1236 als Lijflandse Orde een deel van de Duitse Orde. Een verwante adellijke monniksorde die in Oost-Pruisen en West-Pruisen een eigen staat had ingericht nadat zij daar de Baltische stam van de Prussen had verslagen. Toen de invloed van de Duitse Orde in de 15e eeuw door oorlogen met Polen en Litouwen verzwakte, begon de Lijflandse Orde in het noorden meer haar eigen beleid te voeren. De grootste tegenstander hier was het grootvorstendom Moskou, en verzwakt door meerdere nederlagen tegen de Russen werd in 1419 de Lijflandse Confederatie opgericht.

Na de Reformatie[bewerken]

Toen de Duitse Orde in 1525 geseculariseerd werd als het hertogdom Pruisen, bleef de Lijflandse Orde onafhankelijk, hoewel omgeven door agressieve buren. In 1558 begon met de Russische inval in Lijfland de Lijflandse Oorlog tussen Rusland, Polen, Zweden en Denemarken, welke 20 jaar duurde. In de loop van de oorlog werd de Lijflandse Confederatie verdeeld tussen Denemarken (Saaremaa ), Zweden (Zweeds-Estland) en Polen (hertogdom Lijfland), en het hertogdom Koerland en Semgallen, een vazalstaat van het Pools-Litouwse Gemenebest.

Tussen 1522 en 1524 nam op gezag van de adel de gehele bevolking het lutheranisme aan, de stedelijke burgerij deed dat ook op grond van haar contacten met de lutherse steden in het Duitse Rijk. De ridders verlieten hun geestelijke ordensgeloften en namen als nu seculiere adelskaste het staatsgezag over. De stedelijke burgerij liet voor eigen gebruik Nederduitse katechismussen drukken en voor haar dienstpersoneel ook de eerste gedrukte Estse en Letse religieuze werken, vooral gezangboeken en evangeliefragmenten, die in gebruik gegeven werden van predikanten die in het Ests en Lets preekten. De Bijbel zou overigens al snel in de Hoogduitse vertaling gebruikt gaan worden. Het Nederduits zakte sociaal af als gesproken taal van de lagere burgerij en als beroepsjargon in bepaalde gilden. Aan het einde van de 17de eeuw was het zo goed als verdwenen, al zou een deel van de woordenschat in het zogenaamde Baltische Duits blijven voortleven.

In 1629 veroverde Zweden de noordwestelijke helft van het hertogdom Lijfland, inclusief de stad Riga. Dit werd nu Zweeds Lijfland.

Viering van het 300-jarig bestaan van de universiteit Dorpat in 1939

Onder Zweeds koninklijk gezag maar werd een Duitstalige Universiteit van Dorpat ingericht. Deze universiteit zou ok predikanten voor de Estse en Letse plattelandsbevolking gaan opleiden. Het zou toch nog tot 1689 duren voordat het Nieuwe en Oude Testament in het Lets werden gedrukt, en tot 1715 resp. 1739 voordat dat in het Estisch gebeurde. Ondanks deze zielzorg en het dorpsonderwijs in de eigen taal, zou de lutherse ‘Landeskirche’ een instelling van de Baltische adel blijven en daarom vreemd voor de lijfeigen Esten en Letten. Zij bleef zij het intellectuele centrum van de Baltische Duitsers.

De emancipatie van de Esten en de Letten kreeg een kans door het invoeren de Baltische provincies van de zogenaamde de reductie, zoals zij ook in Zweden plaatsvond. Dit betekent dat het onroerend goed van de adel eigendom van de Kroon werd. Deze hervorming had van de horige vrije boeren kunnen maken. De Russische verovering in 1710 deed deze ontwikkelig echter teniet.

De situatie in het oostelijke gedeelte van Letland, het woiwodschap Lijfland, was in de 17de eeuw geheel anders. Polen had deze provincie in 1561 ingelijfd. De Duitse adel en de stedelijke burgerij was er onbetekend. De weinige "Baltische baronnen" werden opgenomen in de Poolse adel en gepoloniseerd. De landbevolking kwam eveneens onder gezag van de Roomskatholieke kerk. Die situatie bleef ook na de Russische inlijving in 1721 gehandhaafd.

Het hertogdom Koerland en Semgallen, hoewel nominaal onder de Poolse kroon, bleef grotendeels autonoom. De Duitse ridderschap kon zich hier dan ook wel handhaven.

Na de Grote Noordse Oorlog kwam al deze gebieden in 1721 onder het keizerrijk Rusland. Zweeds-Estland werd het gouvernement Estland, Zweeds-Lijfland het gouvernement Lijfland, en het hertogdom Koerland en Semgallen werd het gouvernement Koerland. De woiwodschap Lijfland werd uiteindelijk deel van het gouvernement Vitebsk.

Deel van het Keizerrijk Rusland[bewerken]

Tussen 1710 en 1795, na het succes van Rusland in de Grote Noordse Oorlog en de Poolse Delingen, moesten Zweden en Polen hun baltische gebieden afstaan. Deze door Baltische Duitsers bewoonde gebieden werden nieuwe gouvernementen van het Russische Rijk. Echter, deze Baltische gouvernementen ook wel Oostzeeprovincies of Baltische provincies genoemd, bleven gedomineerd en bestuurd door de Duitstalige ridderschap, nakomelingen van de voormalige Zwaardbroeders en van meer recente immigranten uit het Duitse Rijk en uit Polen en Rusland. De ridderschap oriënteerde zich in toenemende mate op Duitsland, in het bijzonder op Pruisen en Saksen, maar was tegelijk loyaal aan het tsaristische Rusland waaraan ze het behoud van haar machtspositie dankte. Enkele families verbonden zich met hoge Russische adelsgeslachten en een aanzienlijk aantal individuele Duitse Balten maakte carriere in Russische ambtelijke, wetenschappelijke of militaire staatsdienst. In de ‘Oostzeeprovincies’ , het huidige grondgebied van Estland en Letland, bewoonden ze ca. 2.000 ‘Herrenhäuser’ de meeste waren eenvoudige landhuizen, sommige hadden vorstelijke allure. Deze adellijke families hadden ca. 80% van de grond in bezit.

Het merendeel van de geletterde klasse in het gebied, uiteraard de adel en ook de burgerij, was Duitstalig. De Duitstalige burgers woonden hoofdzakelijk in de steden zoals Riga, Tallinn (Reval), Tartu (Dorpat) en Pärnu (Pernau). Nog in het midden van de 19e eeuw had de bevolking van veel van deze steden nog een Duitse meerderheid, met een Estse of Letse minderheid. Ongeacht hun aantal bleven de stedelijke besturen in hun handen. In 1842 mochten de plattelanders zich vrij in de steden vestigen en dat deed het Estse en Letse element toenemen. In die tijd ondergingen de sociaal stijgende elementen uit de Estse en Letse bevolking een germanisatie in de steden, om deel uit te gaan maken van de Baltische-Duitse gemeenschap. Op het platteland kregen bestuurlijke functionarissen – ambtenaren, private ondernemers en zaakwaarnemers in dienst van de ridderschap – ook een plaats in Duits-baltische gemeenschap. Zij bestonden uit eigenlijke Duitse Balten en uit verduitste Esten, Letten en joden, en waren duidelijk afgescheiden van de adelijke bovenlaag. Naast deze 'verduitsing' kwam vanaf het midden van de 19de eeuw onder Esten en Letten ook een nationale emancipatiebeweging op gang, geïnitieerd door lutherse plattelandsdominees die overigens zelf uit de Baltisch-Duitse cultuurgemeenschap stamden. Geleidelijk verloren de ridderschappen na 1860 hun bestuurlijke autonomie. Onder controle van de centrale regering in Sint Petersburg gesteld, namen een aantal oude gezagsdragers na conflicten, o.a. over het gebruik van het Duits as ambtelijke taal, ontslag. Met privé-instituten hielden de Duitse Balten hun eigen Duitstalige onderwijs in stand, maar zij verloren de universiteit van Dorpat (Tartu) die een Russische staatsinstelling werd. Het volksonderwijs – overigens op het platteland in het Ests en het Lets - werd in de jaren 70 de ridderschap uit handen genomen. Russische onderwijzers, die de inheemse talen niet kenden, werden aangesteld in het volksonderwijs en het analfabetisme onder de plattelanders steeg aanzienlijk. De russificatie deed onder de Duitse Balten een ondergangsstemming ontstaan en meer dan de helft van de Baltische studenten en docenten zou Dorpat verlaten en verdwijnen naar universiteiten in Duitsland en Oostenrijk vertrekken om daar hun carrieres voort te zetten. De invloed van de Duitse taal en cultuur op de jonge Esten en Letten werd nu door het Russisch van de staatsinstelllingen overgenomen. Aan het einde van de 19de eeuw was al de helft van de overheidsambtelijke posities door Russen overgenomen. De Duitse Balten domineerden toen nog steeds de sociale lagen van de adel, de rijke kooplieden, en de wetenschappelijke en vrije beroepen. Vooral de laatsten gaven de leiding aan een 16-tal literaire, natuurkundige, geschiedkundige en culturele genootschappen. Maar name onder de grootgrondbezittende adel waren daarentegen niet Duitsers, namelijk Russen, tot een derde toegenomen, en onder de door het Tsaristische Hof benoemde titulaire persoonlijke adel vormden zij zelfs de meerderheid. De Duitse culturele autonomie werd in de jaren 1870 opgeheven, toen met de Russificatie de Duitse taal in overheid en onderwijs werd vervangen door het Russisch, maar een veelzeggende indicatie voor de blijvende Duitse invloed geeft de statistiek van in het Lets uitgegeven boeken aan: in 1902 waren dat er 1.582 waarvan 48% als vertaling uit het Duits, en 40% origineel in de Letse taal. Nog steeds dragen zeer veel Esten en Letten familienamen met een Duitse taalbasis. Na 1945 werden deze vaak in het Ests of Lets vertaald en soms na 1990 weer gerestaureerd in hun oude vorm

De Revolutie van 1905 leidde tot aanvallen tegen de Baltisch-Duitse landeigenaren, waarbij veel landgoederen werden geplunderd en afgebrand, en 82 leden van de adel en van de geestelijke stand werden vermoord. Dit gebeurde meestal niet door de lokale bevolking, maar door revolutionaire bendes die van elders kwamen. Hierbij werden landgoederen verbrand, en leden van de adel vermoord. Dit gebeurde meestal niet door de lokale bevolking, maar door revolutionaire bendes die van elders kwamen.

Aantallen aan het einde van de Russische tijd[bewerken]

Het hoogste aantal Duitstaligen werd door de statistiek geregistreerd in 1881 met 185.182 (9% van de bevolking). In 1897 waren het er 165.627 (bijna 7%). Daaronder werden niet alleen de in etnische zin Duitse Balten gerekend, maar ook de Esten en Letten en Joden die zich een germanisering van hun taal en cultuur hadden laten wegevallen. Schattingen van 40.000 Esten en Letten en een preciezer aan te geven aantal van ruim 30.000 Joden waren in taal en cultuur Duitstalig geworden zodat het statistische aantal eigenlijke Duitse Balten rond de eeuwwisseling op ca. 100.000 gesteld moet worden. Na 1905 zullen onder de toenemende bedreiging van hun voorrechten steeds meer Duitse Balten vertrekken naar Duitsland. Als we hun statistische aanwezigheid in Riga nagaan maakten zij in 1867 42,9% uit van de bevolking ofwel 43.980, en waren zij in 1897 ingekrompen tot 25,5%, maar bij een sterk gegroeide stadsbevolking in absolute zin toch nog vooruitgegaan tot 66.775. In 1913 had een versterkte relatieve teruggang plaatsgevonden, nu tot 16,7%, maar opnieuw toch ook een absolute groei tot 78.656. Zij waren in de zeer sterk groeiende metropool Riga statistisch voorbijgestreefd door Letten, hoewel hun aandeel in het onroerend bezit en het bankkapitaal nog steeds domineerde.

Bij het aanbreken van de Eerste Wereldoorlog kwamen de Duitse Balten in een moeilijke positie. In hun benaming had al een accentverschuiving plaatsgevonden naar 'Baltische Duitsers'. Voor zover zij tot de adellijke kaste behoorden, dienden zij als officier in het Tsaristische leger. Maar door hun Duitse achtergrond werden ze door de Russen zowel als de Duitsers gewantrouwd. Hoewel maar een voorbeeld is het tekenend dat de grote Russische inval in Oost-Pruisen in 1914 werd geleid door een generaal uit Duits-Baltische kring, Paul von Rennenkampf die als vele Balten was opgeklommen in het Russische leger. Zijn eveneens uit de Baltische elite afkomstige tijdgenoot en was Graaf Sergej Witte, als vormgever van de modernisering van Rusland enkele decennia lang een bijzonder belangrijk minister in de tsaristische kabinetten. Hij sprak zich overigens wel tegen de oorlogsverklaring in 1914. Beiden werden in het verhittende nationale debat als verraders bestempeld .

Revolutie en onafhankelijkheid (1917–1940)[bewerken]

Gedenkteken voor de eerste verjaardag van de Bevrijding van Riga door het Duitse leger. (Het monument bestond slechts september-november 1918, tot Riga tijdens de burgeroorlog door het Letse leger werd bevrijd)

Als gevolg van de Russische Revolutie van 1917 en de daaropvolgende Russische Burgeroorlog vluchtten veel Baltische Duitsers naar Duitsland. Afgelegen Baltisch-Duitse landgoederen waren regelmatig het doelwit van plaatselijke bolsjewieken, en de combinatie van lokale bolsjewieken en extreme nationalisten bracht een nationalisatie van het landbezit en een verplaatsing van de Baltische Duitsers uit hun posities van gezag.

Na de Russische overgave en de Vrede van Brest-Litovsk in 1917 organiseerde het Duitse Rijk de bezette gebieden in de Ober-Ost. In 1918 werd hieruit het hertogdom Koerland en Semgallen opgericht.

Na de Duitse verovering van Lijfland richtte de Duitse adel het Baltische Hertogdom op. Dit werd later samengevoegd met het hertogdom Koerland en Semgallen tot het Verenigd Baltisch Hertogdom onder Duitse soevereiniteit. Geen van deze "staten" had echter een daadwerkelijke macht.

In de Estse en Letse Onafhankelijkheidsoorlogen konden de Esten en Letten hun nationale onafhankelijkheid veroveren. De meeste Duitse landeigenaren werden onteigend.

In Letland vochten de Baltische Duitsers aanvankelijk als Baltische Landeswehr samen met de Letse vrijheidsstrijders tegen de bolsjewieken. Ze waren echter weinig geïnteresseerd in een zelfstandig Letland, en zagen meer in een herstel van het Russische Keizerrijk. Nadat de Letse regering door het Rode Leger naar Liepāja was verdreven, werd ze door de Duitsers afgezet en door een marionettenregering onder Andrievs Niedra vervangen. De Baltische Duitsers hielpen met de oprichting van het Westrussisch Bevrijdingsleger, dat uit pro-tsaristische Russen bestond. Gezamenlijk probeerden deze Riga op de inmiddels herstelde Letse nationalisten te veroveren.

De Baltisch-Duitse bevolking van Estland was kleiner, waardoor de Baltische Duitsers daar een minder overheersende rol speelden. Gedurende de Estische Onafhankelijkheidsoorlog hadden veel jonge Baltische Duitsers vrijwillig dienst genomen in het nieuw gevormde Estse leger. Deze Baltisch-Duitse militaire eenheid werd bekend als het Baltenregiment. Desalniettemin begonnen veel Baltische Duitsers de onafhankelijke republiek Estland te verlaten. Voor de emigratie in deze periode zijn geen exacte cijfers beschikbaar.

In de republiek Letland bleven de Baltische Duitsers de meest politiek actieve en georganiseerde etnische groep, hoewel ze na de staatsgreep van Kārlis Ulmanis in 1934 aan invloed verloren.

Emigratie van de Baltische Duitsers (1939-1945)[bewerken]

Propagandaplakkaat uit 1939
Verlading in Riga

Als gevolg van de geheime afspraken van het Molotov-Ribbentroppact tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie in 1939 werden Estland en Letland aan de Sovjet-invloedssfeer toegewezen. Jozef Stalin kreeg hiermee de vrije loop over deze landen en hij maakte hiervan onmiddellijk gebruik door in eind 1939 militaire bases in Estland en Letland op te zetten. Dit was ter voorbereiding van een invasie van de Baltische staten door de Sovjet-Unie die in de zomer van 1940 plaatsvond.

Een van de belangrijkste in augustus 1939 door Duitsland gestelde voorwaarden was de voorafgaande overdracht van alle Baltische Duitsers uit Estland en Letland met medeneming van roerende en banktegoeden.

Daartoe werden met verdragen met Estland en Letland ondertekend met betrekking tot deze emigratie en de liquidatie van educatieve, culturele en religieuze instellingen. Onder de dreiging van een Sovjet-invasie, die zonder meer ook hun onteigening zou betekenen, waren de meeste Baltische Duitsers bereid tot medewerking. Begin 1940 werden rond 13.700 Baltische Duitsers uit Estland en rond 51.000 Baltische Duitsers uit Letland per schip naar Duitsland, voornamelijk naar Danzig, verscheept en vervolgens geherhuisvest, vooral in de rijksgouw Wartheland en andere door Duitsland van Polen geannexeerde gebieden. Deze gebieden waren bij het Molotov-Ribbentroppact aan de invloedssfeer van Duitsland gelaten en in september bezet en ingelijfd. Zij kregen de woningen van verdreven Polen toegewezen.

Na de Sovjetinvasie en oprichting van de Letse Socialistische Sovjetrepubliek in het begin van 1941 regelde de Duitse regering nog een laatste emigratie-actie voor de weinigen die in 1939 of 1940 hadden geweigerd om te vertrekken. Deze keer zonder compensatie voor achtergelaten woningen of bezittingen. De actie werd de Nachumsiedlung genoemd. Dit was de laatste kans om deze mensen in vredestijd te evacueren want onbekend bij het publiek was de Duitse invasie van de Sovjet-Unie slechts 2-4 maanden in de toekomst lag.

In de zomer van 1941 werden Letland en Estland door Duitsland na de inval in Rusland bezet. Sommige emigranten keerden nu terug als functionaris in het Duitse bezettingsbestuur.

Een klein aantal bleef ook nog na 1944 in de Baltische staten, maar zij werden onderworpen aan wijdverbreide discriminatie (en tot 1953 mogelijke deportatie naar Siberië) door de Sovjet-autoriteiten. Als gevolg hiervan verborgen of ontkenden velen hun Baltisch-Duitse afkomst. De meeste Baltische Duitsers die na 1944 bleven waren kinderen van gemengde huwelijken of zelf getrouwd met etnische Esten, Letten of Russen.

Tweede evacuatie in 1945[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog

Door het oprukkend Sovjet-offensief eind 1944 en begin 1945, werden de Baltische Duitsers, die in de bezette Poolse gebieden zoals West-Pruisen en Warthegau, of in Oost-Pruisen woonden, gedwongen naar het westen te vluchten. Van de ca 60.000 die op weg gingen kwamen er ca. 10 tot 20.000 onderweg om. Veel Baltische Duitsers bevonden zich aan boord van de Wilhelm Gustloff toen dit op 30 januari 1945 door een Sovjet-onderzeeër tot zinken werd gebracht, met 9.000 slachtoffers het ergste verlies van levens van een enkel schip in de maritieme geschiedenis. Andere Baltische Duitsers verdronken tijdens het torpederen van de Steuben en de Goya op 10 februari 1945, waarbij 15.000 vluchtelingen omkwamen.

De meeste overlevenden vestigden zich in West-Duitsland, sommigen in Oost-Duitsland. In 1950 waren in Duitsland ca 50.000 Baltische Duitsers aanwezig. Een minderheid emigreerde vanaf 1948 naar Canada, met de steun van de Canadese gouverneur-generaal Harold Alexander, die tijdens zijn tijd als bevelhebber van de Baltische Landeswehr vele Baltische Duitsers had gekend.

Vernietiging van het cultureel erfgoed in de Baltische staten 1945–1989[bewerken]

De Grosser Friedhof in Riga
Het Schwarzhäupterhaus, met rechts het standbeeld van de Roland

Tijdens de 50 jaar durende bezetting van de Baltische staten werden door de Sovjet-autoriteiten de sporen van etnische Duitsers uitgewist. Talrijke standbeelden, monumenten, bouwwerken of gedenkstenen met Duitse opschriften werden vernietigd of gewijzigd. Van de ca 2.000 'Herrenhäuser', adellijke landhuizen verviel de helft tot ruïne. De landhuizen die een publieke functie toegewezen werd, bleven behouden. Met name het grote paleis van de hertogen van Koerland te Rundale bleef wel behouden als regeringsgebouw.

De grootste Baltisch-Duitse begraafplaatsen van Estland in Kopli en Mõigu, beide bestaand ​​sinds 1774, werden volledig verwoest door de Sovjet-autoriteiten. Op de Grote Begraafplaats (Grosser Friedhof) van Riga, de belangrijkste begraafplaats van de Baltische Duitsers in Letland en in gebruik sinds 1773, werd de overgrote meerderheid van de graven vernield. Niet alleen de levende maar ook de dode Baltische Duitsers hadden daarmee de historische herinnering van de Baltische landen moeten verlaten.

Na de vernieuwde onafhankelijkheid[bewerken]

De huidige regeringen van Estland en Letland, die hun onafhankelijkheid in 1991 herwonnen, tonen over het algemeen soms positieve meestal echter neutrale visie op de bijdragen van de Baltische Duitsers in de ontwikkeling van hun steden en landen gedurende de geschiedenis. Maar die bijdrage wordt zeker niet in haar historische betekenis beklemtoond.

Nadat Estland op 20 augustus 1991 onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie herwon, stuurde de Associatie van de Duitse Baltische adel in ballingschap een bericht aan de presidentskandidaat Lennart Meri dat geen enkel lid van de vereniging eigendomsrechten op hun vroegere Estse landerijen zou claimen. Ook het feit dat de eerste Duitse ambassadeurs in Estland en Letland Baltische Duitsers waren hielp de verzoening.

De samenwerking tussen de verenigingen van Baltische Duitsers ('Baltische Landsmannschaften') en de regeringen van Estland en Letland heeft de restauratie van vele kleine Baltisch-Duitse plaques en gedenkstenen mogelijk gemaakt, zoals monumenten voor degenen die in de Onafhankelijkheidsoorlog van 1918-1920 gevochten hebben. Een aantal landhuizen wordt met fondsen uit Duitsland gerestaureerd.

Bekende Baltische Duitsers[bewerken]

De Baltische Duitsers speelden in de periode van de 13e tot halverwege de 20e eeuw een grote rol in de samenleving van wat nu Estland en Letland is. Vele van hen werden belangrijke wetenschappers en ontdekkingsreizigers, in Rusland maar meer nog aan Duitse universiteiten en hoven. Een aantal Baltische Duitsers diende als generaal in het Russische keizerlijke leger en de marine. Verschillende Baltische Duitsers vochten aan de kant van de Witten tijdens de Russische Burgeroorlog aan de vooravond van de gezagsovername door de Sovjets.

Lijst van bekende Baltische Duitsers[bewerken]

Standbeeld van Barclay de Tolly in Riga

Bronnen[bewerken]

  • W. Mitzka, Studien zum baltischen Deutsch, Marburg 1928
  • R. Wittram, Baltische Kirchengeschichte, Göttingen 1956
  • D. Loeber, Diktierte Option: die Umsiedlung der Baltendeutsche, 1939-1941, Neumünster 1972
  • M.H. Haltzel, The Baltic Germans, in: E.C. Thaden, Russification in the Baltic Provinces 1855-1914, Princeton 1981, p. 110 e.v.
  • G. von Pistohlkors, Baltische Länder, in: H. Boockmann, Deutsche Geschichte im Osten Europas, Bd 10, Berlijn 2002


Bronnen, noten en/of referenties