Banksparen
Banksparen is een vorm van sparen in Nederland, waarbij het spaarbedrag op een geblokkeerde rekening bij een bank wordt gestort: de bankspaarrekening. Het spaartegoed is pas na een bepaalde tijd en voor bepaalde doelen op te nemen. Bij banksparen maakt de spaarder gebruik van een belastingvoordeel als het spaarbedrag gebruikt wordt voor:
- aanvulling van een pensioentekort (bancaire lijfrente)
- aflossing van een hypotheek
- een uitvaart
Inhoud |
[bewerken] Geschiedenis
Banksparen is sinds 1 januari 2008 mogelijk[1] na een wetsvoorstel van Staf Depla (PvdA) en Bibi de Vries (VVD). De Tweede Kamer heeft op 5 juli 2007 ingestemd met het wetsvoorstel, en de Eerste Kamer op 12 december 2007.
Bij het Belastingplan 2010 is de bankspaarvariant voor stamrechten voor ontslagvergoedingen (stamrechtspaarrekening), en voor uitvaartproducten geïntroduceerd. Het is op 22 december 2009 aangenomen en per 1-1-2010 ingegaan. Door deze verruiming kan o.a. ook een ontslagvergoeding ('gouden handdruk') worden ondergebracht bij de bank, zonder dat er direct inkomstenbelasting betaald dient te worden.
[bewerken] Voordelen
Banksparen is geïntroduceerd om spaarders meer keuzes te bieden om fiscaal gunstig te sparen voor onder andere pensioen en eigen woning. Tegelijkertijd was het de bedoeling om de concurrentie bij financiële aanbieders zoals verzekeringsmaatschappijen te vergroten: verruiming van het aanbod leidt tot een toename van het aantal aanbieders en tot een grotere afname van de producten. Hierdoor zullen de kosten van sparen dalen, wat de consument ten goede komt. Een reden om te gaan banksparen kan zijn dat op banken het depositogarantiestelsel van toepassing is, al is het gegarandeerde tegoed wel aan een maximum gebonden.
[bewerken] Aflossing eigenwoningschuld
De Spaarrekening Eigen Woning (SEW) en de Beleggingsrekening Eigen Woning (BEW) zijn vormen van banksparen waarbij het tegoed uiteindelijk in één keer wordt opgenomen voor het aflossen van de eigenwoningschuld. Het rendement is in principe belast in box 1 (art. 116a IB), maar pas aan het eind van de looptijd, en het is meestal geheel of gedeeltelijk vrijgesteld (art. 118a IB). Door het vallen in box 1 vallen ze, ook als ze zijn vrijgesteld, niet in box 3.
Volgens het Begrotingsakkoord 2013 is voor nieuwe hypotheken de betaalde rente alleen aftrekbaar als het een lening betreft die gedurende de looptijd volledig en ten minste annuïtair wordt afgelost. De combinatie van hypotheekrenteaftrek en belastingvrije vermogensopbouw voor uiteindelijke aflossing is dan niet meer of nog slechts beperkt mogelijk. Het akkoord vermeldt "De box 1 vrijstelling voor de KEW blijft gehandhaafd voor bestaande hypotheken." De SEW en de BEW worden niet genoemd.
[bewerken] Oudedag
- Zie ook Lijfrente (Nederland)
Een bancaire lijfrente is de bankspaarvariant van het zelf fiscaal gefaciliteerd sparen voor de oudedag (het alternatief is de lijfrenteverzekering). De bancaire lijfrente is mogelijk sinds 2008, en heeft noch in de opbouwfase, noch in de uitkeringsfase een verzekeringselement. Tussen de opbouwfase en de uitkeringsfase kan gewisseld worden van een lijfrenteverzekering naar een bancaire lijfrente en omgekeerd.
Banken bieden speciale rekeningen aan voor de bancaire lijfrente, aparte voor de opbouwfase en voor de annuïteit. Sommige banken bieden maar één van de twee.
Over het opgebouwde kapitaal in de opbouwfase en de waarde van de nog te ontvangen uitkeringen in de uitkeringsfase hoeft geen vermogensrendementsheffing betaald te worden.
[bewerken] Opbouwfase
Mits een pensioentekort aangetoond kan worden is de betaalde inleg tot een bepaald maximum fiscaal aftrekbaar in box 1 als uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Deelname kan met een speciale geblokkeerde spaarrekening (lijfrentespaarrekening) of geblokkeerde beleggingsrekening (lijfrentebeleggingsrecht). De term "lijfrente" wordt hier gebruikt hoewel het geen verzekering is.
[bewerken] Uitkeringsfase
Het opgebouwde kapitaal wordt aangewend voor een recht op een periodieke uitkering gedurende een bepaalde periode (annuïteit); deze periode hangt niet af van het in leven zijn van de verzekerde: het recht gaat bij overlijden over op de erfgenamen. Over de uitkering dient inkomstenbelasting betaald te worden, deze valt onder de periodieke uitkeringen en verstrekkingen in box 1.
Eisen:
- de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin de 70-jarige leeftijd wordt bereikt
- ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt, bedraagt de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar, vermeerderd met het aantal jaren dat de verzekeringnemer jonger is dan 65 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn (ruwweg: minstens tot 85-jarige leeftijd)
- ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar waarin de 64-jarige leeftijd wordt bereikt, bedraagt de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan € 19 761, en ten minste 20 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag
Net als bij een lijfrenteverzekering bestaat ook bij een lijfrentespaarrekening en een lijfrentebeleggingsrecht het gevaar dat men door een verkeerde berekening van de aftrekruimte een storting zou kunnen doen die niet aftrekbaar is, terwijl de uiteindelijke uitkeringen wel belast zijn. Bij een beperkte afwijking biedt de beperkte saldomethode uitkomst.
Referenties
|