Barad-dûr

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tekening geïnspireerd door de Barad-dûr uit de filmreeks The Lord of the Rings

Barad-dûr (Lugbúrz in de Zwarte Taal) is in de trilogie In de Ban van de Ring van J.R.R. Tolkien de toren in het land Mordor waarop het oog van Sauron staat. Barad-dûr betekent "duistere toren".

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Sauron was in de Tweede Era achtergebleven in Midden-aarde. Daar hield hij zich aanvankelijk een paar honderd jaar gedeisd, maar zou later de Elfen trachten te beïnvloeden, en ze hun Ringen laten smeden. Hij pleegde verraad door de Ene Ring te smeden, die alle andere Ringen in duisternis binden zou. Rond deze tijd koos hij het land Mordor als zijn basis, en bouwde daar met zijn slaven en Orks de Barad-dûr. Hij gebruikte deze als basis voor aanvallen op de Elfenrijken in Eriador, en later voor zijn oorlogen tegen Arnor en Gondor. In de Oorlog van het Laatste Bondgenootschap werd de Barad-dûr zeven jaar lang belegerd, en ten slotte ingenomen. Saurons lichaam werd gedood, maar zijn Ring en hiermee de basis van de macht, bleef intact. Ook bleven de fundamenten van de toren bestaan.

In de Derde Era was de Barad-dûr een ruïne, en Sauron gebruikte Dol Guldur als basis. Nadat Gandalf hem hier had verdreven, herbezette hij Mordor en bouwde de Barad-dûr opnieuw op. Sauron had inmiddels de gedaante aangenomen van een Oog, dat hoog op de toren zetelde, en alles en iedereen in de gaten hield. In de Oorlog om de Ring werd Sauron definitief verslagen, de Ring werd vernietigd, en de Barad-dûr stortte definitief in.