Bardengouw
De Bardengouw was een vroeg-middeleeuwse gouw in het Hertogdom Saksen. De Bardengouw maakte deel uit van Oostfalen en lag in de benedenloop van de Elbe. De belangrijkste stad in de Bardengouw was Bardowick; andere belangrijke steden waren Lüneburg en Oldenstadt (het huidige Uelzen).
De Bardengouw werd begrensd door de Limes Saxonicus, de Polaben, de Drewani en de gouwen Osterwalde, Derlingau, Gretinge, Lohingau, Sturmi, Mosde en de gouw Stormarn.
De Bardengouw wordt genoemd als een gebied, waar Karel de Grote in het jaar 795 inviel om te vechten tegen de Saksen. De Oude zoutroute van Lüneburg naar Lübeck, met haar oversteekplaats van de Elbe bij Artlenburg, liep door de Bardengouw. Daarnaast was de gouw tevens een grensgouw tegen de Slaven.
Vanaf de 10e eeuw worden leden van de Billungers als graven van de Bardengouw vermeld. Egbert (geboren in 932), graaf in de Wetigau, ontving in 892 van de Oost-Frankische koning Arnulf van Karinthië 66 koninklijke hoeven in de Tilithigouw de Marstemgouw, de Loingau en de Bardengouw. Wichman I de Oudere (gestorven op 23 april 944) en waarschijnlijk een kleinzoon van Egbert, was graaf in de Bardengouw.
Via de erfgenamen van de Billungers, de Welfen ging de Bardengouw uiteindelijk deel uitmaken van het hertogdom Brunswijk-Wolfenbüttel.