Gelijkenis van de barmhartige Samaritaan
De Gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is een parabel in het Nieuwe Testament van de Bijbel, verteld door Jezus als antwoord op de vraag: "wie is mijn naaste?" in verband met het gebod "Heb uw naaste net zo lief als uzelf" (Leviticus 19:18).[1]
In het verhaal weigeren eerst twee hooggeplaatste Joden (een priester en een Leviet) om hun handen vuil te maken om een slachtoffer van een geweldsmisdrijf langs de kant van de weg te helpen, maar later blijkt een Samaritaan (een destijds door de Joden geminacht volk) wel hulpvaardig.
Wat met deze gelijkenis moet worden overgebracht is dat telt wat iemand doet, niet wat hij is. En niet alleen de letter van de wet, ook de geest van de wet moet worden nageleefd, is de stelling. (Evangelie volgens Lucas 10:25-37).[2]
| Zie de categorie The Good Samaritan van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |
| Bronnen, noten en/of referenties |