Bea Vianen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Beatrice Sylvia Vianen (Paramaribo, 6 november 1935) was tot de jaren ’90 Surinames meest gelezen schrijfster.

Leven en werk[bewerken]

Zij werd geboren in de Surinaamse hoofdstad en is van gemengd-etnische afkomst. Zij werd katholiek opgevoed (vergelijk het verhaal 'Nonnen en straffen', opgenomen in de bloemlezing Verhalen van Surinaamse schrijvers, 1989). Vianen ging in 1957 naar Nederland en leefde sedertdien voortdurend periodes aan beide zijden van de oceaan. Zij debuteerde met poëzie en proza in het tijdschrift Soela (1962-1964). ln 1965 kwam haar bundeltje Cautal uit, ingeleid door Trefossa: liefdesliederen aan Krishna, al komt hier al de migrantenpsyche naar buiten. In al haar romans gaat het om de problematiek van vrijheid versus onvrijheid. Zij beschrijft Suriname lyrisch, maar is uiterst kritisch over de sfeer van benauwenis. In Sarnami, hai (Suriname, ik ben, 1969) revolteert het meisje Sita tegen de hindostaanse tradities. In Strafhok (1971) en Geen onderdelen (1979) doen verschillende personen verwoed pogingen om uit de knellende banden van kolonialisme, etnische verdeeldheid, geloofstegenstellingen en vooroordelen te breken. De internaatsjongens die in Ik eet, ik eet tot ik niet meer kan (1972) proberen nieuwe wegen te vinden, krijgen geen perspectief mee van Vianen (i.e. van het land). Het paradijs van Oranje (1973) is een in Nederland spelende roman met een kritische kijk op de leefwijze van Surinaamse emigranten. Dezelfde thematiek van vrijheid versus onvrijheid heeft ook haar poëzie bepaald. Aanvankelijk was die anekdotisch, als in Liggend stilstaan bij blijvende momenten (1974), later steeds sterker associatief, als in Over de grens (1986). Het latere werk van Vianen toont paranoïde trekken. Ervaringen van reizen door Zuid-Amerika, jeugdherinneringen aan Suriname en flitsen uit Nederland spelen door elkaar in het nauwelijks te volgen proza van Yo te espero, señora Ramkumari (1979). In de poëzie levert het soms nog acceptabele resultaten op; bundels: Op het laatst krijgen wij met z’n allen donderop (1989), Is als het zo ruist een vermogen (1993) en Begraaf mij in dit gruis (2002).

Over Bea Vianen[bewerken]

  • Michiel van Kempen, 'Bea Vianen.' In: Kritisch Lexicon van de Moderne Nederlandstalige Literatuur, no. 31, november 1988. (biografie, beschouwing, uitvoerige primaire en secundaire bibliografie)
  • Michiel van Kempen, Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Breda: De Geus, 2003, deel II, pp. 904-909.
  • Peter Meel, 'De kracht van christelijk kolonialisme; Rooms-katholicisme en hindoeïsme in het werk van Bea Vianen en Shrinivási. In: Wandelaar onder de palmen; Opstellen over koloniale en postkoloniale literatuur. Onder redactie van Michiel van Kempen, Piet Verkruijsse en Adrienne Zuiderweg. Leiden: KITLV Uitgeverij, 2004, pp. 465-477.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Dit artikel is – met toestemming van de auteur – gebaseerd op een lemma uit Michiel van Kempen, Surinaamse schrijvers en dichters (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1989).