Beeldende Kunstenaars Regeling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) was van 1956 tot 1987 een regeling in Nederland, waardoor kunstenaars in ruil voor hun diensten of kunstwerken een inkomen konden krijgen. Toen de regeling verviel, werd deze opgevolgd door de WIK.

Achtergrond[bewerken]

Bij de economische crisis in de jaren dertig bleek dat beeldende kunstenaars een kwetsbare positie hadden. Op initiatief van een aantal kunstenaarsorganisaties werd door de minister van Sociale Zaken in 1935 het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars opgericht. Drie jaar later, in 1938, werd het Fonds voor Bijzondere Doeleinden opgericht, als nevenfonds van het Voorzieningsfonds met als doel financiële hulp voor bijzondere uitgaven van kunstenaars. Kunstenaars gaven soms een vrijwillige tegenprestatie.[1]

In de Tweede Wereldoorlog sloten meerdere kunstenaars zich aan bij het kunstenaarsverzet. Na de oorlog sloegen de verscheidene kunstenaarsgroepen de handen ineen en richtten de Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars (BBK) op. Mede door inzet van de BBK, kreeg de politiek gehoor voor de situatie van kunstenaars en er kwam in 1949 een landelijke regeling Sociale Bijstand voor Beeldende Kunstenaars (SBBK), ook bekend als Contraprestatie. Het ministerie van Sociale Zaken zorgde voor het geld, de uitvoering werd op vrijwillige basis door de gemeentes gedaan, die bepaalden wie er van de regeling gebruik mochten maken. De gemeentes stelden een aankoopcommissie samen, die de prijs van het kunstwerk bepaalde, dat als artistieke tegenprestatie moest worden geleverd. Gemeenten declareerden 75% van de kosten bij het rijk, dat dan ook driekwart van de ingeleverde aankopen kreeg. Die kwamen terecht bij een van de voorgangers van het Instituut Collectie Nederland. De Contraprestatie was een openeindregeling, dat wil zeggen er was geen maximaal bedrag op de rijksbegroting voor uitgetrokken.

In 1956 werd deze regeling omgezet in de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR), met het doel de maatschappelijke zelfstandigheid van de kunstenaar te garanderen. Het bijstandsidee van de Contraprestatie werd terzijde geschoven.

In 1970 werd vanuit de BBK een werkgroep BKR ingesteld, die de regeling en de uitvoering daarvan kritisch wilde bekijken. Tegen advies van de werkgroep, de Raad voor de Kunst en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voerde het kabinet-Biesheuvel I per 1 januari 1972 [2] een nieuwe BKR in, de Regeling Complementaire Arbeidsvoorziening Beeldende Kunstenaars. Hierin werden onder andere scherpere leeftijdsbepalingen gesteld en werd een sterkere nadruk gelegd op willekeurige artistieke selectie. De werkgroep BKR constateerde 36 verslechteringen tegenover een gering aantal marginale verbeteringen. Bezwaren waren onder andere de toegenomen bevoegdheid van de rijksconsulent, die een aankoop kon tegenhouden, en het feit dat de adviescommissie moest beloven "letter en geest van de regeling" bij hun oordeel als basis aan te nemen. De angst was groot dat de nieuwe BKR niet meer zou zijn dan een sociale regeling voor minderwaardige kunstenaars.[3]

Uitvoering[bewerken]

De uitvoering van de BKR was in handen van het gemeentebestuur van de woonplaats van de kunstenaar. Er werden adviescommissies ingesteld, waarin, naast vertegenwoordigers van de gemeente, een aantal kunstenaars zitting hadden, een drietal deskundigen op het gebied van kunst en een rijksconsulent. Kunstenaars die zelf van de BKR gebruik moesten maken, konden in de regel niet voor de adviescommissie worden benoemd. De commissie bekeek of de kunstenaar aan de gestelde voorwaarden voldeed en bracht advies uit aan het gemeentebestuur.

Voorwaarden[bewerken]

Als een kunstenaar voor de BKR (1972) in aanmerking wenste te komen, moest hij voldoen aan de volgende voorwaarden:

  1. over onvoldoende middelen van bestaan beschikken;
  2. tussen de 25 en 65 jaar oud zijn;
  3. Nederlander zijn;
  4. drie jaar voor hij de BKR aanvroeg beeldend kunstenaar zijn geweest;
  5. pogingen hebben gedaan om exposities te houden of op andere wijze zijn verkoop te hebben gestimuleerd;
  6. bij een leeftijd tussen de 25 en 35, ook buiten zijn eigen vakgebied pogingen hebben gedaan om een inkomen te verdienen;
  7. als hij of zij jonger was dan 30, moest er bovendien nog een diploma of getuigschrift worden getoond van een door de overheid gesubsidieerde instelling.

Opkomst kunstuitleen[bewerken]

De kunstwerken werden in de eerste jaren van de regeling door de gemeenten vooral verspreid onder (semi)overheidsinstellingen. Vanaf 1972 werd op initiatief van de BBK de verspreiding van kunstwerken uitgebreid met de mogelijkheid om deze ook onder de bevolking te laten rouleren. Hiervoor werden diverse centra voor kunstuitleen opgezet. Doordat kunstwerken gemeentelijk bezit zijn, kunnen de uitleentarieven voor particulieren zeer laag gehouden worden. Op grond van de regeling mochten de kunstwerken niet verkocht worden.

Einde van de regeling[bewerken]

Er maakten steeds meer kunstenaars gebruik van de BKR en ze wilden dat de BKR onder het ministerie van Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) zou vallen en niet meer onder Sociale Zaken. Het rijk ging niet op de eis in en omdat de BKR te duur werd, werden de toelatingseisen strenger. De protesten liepen op en op 11 juni 1969 hebben de kunstenaars de Nachtwachtzaal in het Rijksmuseum bezet.

De hoeveelheid kunstwerken groeide iedereen boven het hoofd in 1976. Het rijksaandeel in de opname van kunstwerken veranderde van 75 % naar 25% omdat het rijk de vele kunstwerken niet meer goed kan beheren. De gemeente Eindhoven stopt in 1977 helemaal met werk naar het rijk te sturen: de verhouding gemeente-rijk werd in geval van Eindhoven 100%-0%. De kunstenaars bleven ontevreden. Twee jaar later, in 1979, nam het rijk in het geheel geen werk meer in, waarop de kunstenaars voor de tweede keer de Nachtwachtzaal hebben bezet. De opnamestop voor het rijk werd weer ongedaan gemaakt. Het ministerie van Sociale Zaken wilde de BKR opheffen omdat het niet meer te betalen was en de kunstwerken niet meer beheerd konden worden.

In het regeerakkoord over de jaren 1982-1986 werd besloten tot een drastische verlaging van het BKR-budget; het rijk nam geen werk meer op uit Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Per 1 januari 1987 was de regeling officieus opgeheven en pas in 1992 officieel ingetrokken. Kunstenaars konden in het vervolg terugvallen op bijvoorbeeld de Algemene bijstandswet.

Van de 220.000 kunstwerken die het rijk toen in huis had dankzij de regeling, werd er ongeveer 120.000 geschonken aan instellingen die de werken vaak al in huis hadden voor wandversiering. De resterende 100.000 werken komen terecht bij de hiervoor in het leven geroepen Stichting Kunstwegen, die de helft schonk aan non-profitinstellingen, 25.000 werden teruggegeven aan de kunstenaars en de laatste 25.000 werden aan de Stichting Beeldende Kunst Amsterdam gegeven voor kunstuitleen.

Nieuwe regelingen[bewerken]

In de praktijk bleek dat gemeenten kunstenaars, na het wegvallen van de BKR, een uitzonderingspositie toekenden; Ze werden ontheven van de sollicitatieplicht en van het zoeken naar passende arbeid. Omdat er te weinig uitstroom was van uitkeringsgerechtigden en het gedoogbeleid geen grondslag in de wet had, werd er door de regering gezocht naar een andere oplossing.

Na vijf jaar voorbereiding, werd in 1999 werd de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK)[4] ingevoerd. Met deze wet konden kunstenaars met een laag inkomen voor maximaal vier jaar inkomenssteun krijgen op 70 procent van het bijstandsniveau. In die vier jaar kreeg de kunstenaar de kans een eigen rendabele beroepspraktijk op te bouwen, zodat geen gebruik meer van de bijstand hoefde te worden gemaakt.

Na evaluatie van de WIK [5], waaruit bleek dat de wet lastig uitvoerbaar was en kunstenaars te weinig aanzette tot het opbouwen van een zelfstandige beroepspraktijk, werd per 1 januari 2005 de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) ingevoerd. Kunstenaars moesten voor de WWIK voldoen aan een minimum inkomenseis. Daarbij werd niet alleen gekeken naar het inkomen uit kunst, maar naar het totale inkomen. De minimum inkomenseis lag hoger naarmate een kunstenaar langer van de uitkering gebruik maakt. Per 1 januari 2012 is de WWIK vervallen.

Verkoop[bewerken]

In 2007 werd voor het eerst door het Instituut Collectie Nederland (ICN) een gedeelte van de werken die de BKR had opgeleverd, samen met kunst uit de depots van vijf musea, via eBay [6] geveild.

De Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars (BBK) eiste dat de veiling van de kunstwerken werd stopgezet. De verkoop zou onrechtmatig zijn omdat, volgens een clausule in de BKR, de kunstenaars het recht hebben om hun werk in bruikleen terug te vragen. Volgens het ICN zijn echter alle clausules met het afschaffen van de BKR vervallen. In overleg werd besloten dat de betreffende kunstenaars zouden worden opgespoord en de vraag zouden krijgen voorgelegd of zij afstand wilden doen van het werk en instemden met de verkoop.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Fransje Kuyvenhoven
  2. Staatscourant, dec. 1972, nummer 250
  3. Werkgroep BKR (1972). De Beeldende Kunstenaarsregeling. Het ontstaan, een onderzoek naar de bestemming van het in het kader van de BKR aangekochte werk in Amsterdam en toekomstmogelijkheden betreffende de BKR. Amsterdam:Mark Spruyt.
  4. Wet inkomensvoorziening kunstenaars
  5. De evaluatie van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (2002)
  6. Haaleenstukjemuseuminhuis.nl