Begijnen en begarden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Begijnen)
Ga naar: navigatie, zoeken
Begijnhof in Hasselt
Begijnhof in Breda
Begijnhof in Antwerpen
Begijnhof in Amsterdam

Begijnen en begarden (ook wel bogaarden of beggaarden) waren respectievelijk vrouwen en mannen die leefden als alleenstaanden en deel uitmaakten van een soort vrije lekengemeenschap binnen de Rooms-katholieke Kerk en meestal in een begijnhof verbleven. Anders dan een lid van een kloosterorde legden begijnen en begarden geen eeuwige geloften af, behalve die van kuisheid. Zij mochten geldelijk en onroerend eigendom behouden. Door sommigen wordt de term begijn (spottend) gebruikt voor vrome vrouw of kwezel. In 2013 overleed de laatste begijn ter wereld in Kortrijk.

Hun patroonheilige is de Heilige Begga. Het woord 'begijn' zou afgeleid zijn van deze naam. Andere bronnen zeggen echter dat 'begijn' afkomstig is van de kleur van hun pijen: beige. Nog andere bronnen zeggen dat het woord afkomstig zou zijn van Albigenzen. Ook wordt wel verondersteld dat de term 'begijn' is afgeleid van de stam begg die zou duiden op mompelen, stamelen (vgl. het Franse bègue= stamelaar). In deze opvatting is een begijn een vrouw die voortdurend gebeden prevelt.

Dit artikel behandelt in eerste instantie de begijnen.

Inhoud

Geschiedenis [bewerken]

11e eeuw [bewerken]

In de Lage Landen ontstonden de eerste begijnhoven, als infrastructuur voor een nieuw spiritueel samenwerkingsverband, op instigatie en inspiratie van ‘heilige vrouwen’, zo noteerde augustijner biograaf van Maria van Oignies, Jacob van Vitry in 1215. Zij ‘wijdden zich aan hun hemelse bruidegom’, en hij haastte zich eraan toe te voegen dat zij ‘de vleselijke verlokkingen de rug toe keerden en de rijkdommen van de wereld verachtten’.

Als gevolg van de Gregoriaanse hervormingen ontstonden in geheel West-Europa spontane en georganiseerde religieuze bewegingen. Omstreeks de 11e eeuw waren er bewegingen die een terugkeer naar de oorsprong van de Kerk zoals beschreven in het Nieuwe Testament en de Handelingen van de Apostelen voor ogen hadden.

Het streven van deze Apostolieken was een leven in eenvoud, armoede en kuisheid uit protest tegen een geestelijkheid die openlijk samenleefde met concubines en geen aandacht meer had voor hun parochianen.

12e eeuw en 13e eeuw [bewerken]

Het waren vooraanstaande vrouwen, de gravinnen Johanna en Margaretha van Vlaanderen die ook begijnhoven stichtten in Gent (1234), Valenciennes (1239), Kortrijk (1242), Rijsel (1244-45) en Douai (1245).

Onder invloed van vernieuwende figuren als Sint-Norbertus en later Sint-Franciscus, die boetebeleving en armoede predikten, kwam er een verdieping van het geloofsleven en verkreeg de geloofsbeleving een nieuw en menselijk karakter. Als gevolg daarvan trof men in het Westen in de loop van de 12e eeuw meer en meer vrouwen aan die alleen of in kleine groepen, thuis bij hun familie of in aparte huizen leefden. Men verkoos om teruggetrokken van de wereld in zelfgekozen armoede ter heiliging, een vroom en kuis leven te leiden. Men trof deze religieuze vrouwen aan over geheel West-Europa van Scandinavië tot in Spanje. Hun naam evolueerde van "vrome vrouwen" naar religieuze vrouwen die in de volksmond de spotnaam "begijnen" kregen met een ketterse bijgedachte. In de aanvang van de 13e eeuw deelden de zogenoemde begijnen die naam met een hele reeks van ketterse bewegingen zoals Albigenzen, Vrije geesten en andere. In sommige groepen begijnen zullen wellicht ook wel verwante ideeën hebben geleefd.

De kerk bekeek deze groep, die steeds groter werd en door zijn onafhankelijkheid ontsnapte aan de controle van de geestelijkheid, met grote argwaan. Sommige geestelijken zagen dat het volk in zijn vraag naar een andere kerk behoefte had aan geestelijke begeleiding; Lambert le Bègue, een priester uit het Luikse, vertaalde voor deze vrouwen het leven van de heilige Agnes en delen uit de Handelingen van de Apostelen. Toen paus Innocentius III in 1216 instemde met de nieuwe beweging stelde men in de daarop volgende jaren een grote bloei en verspreiding vast. Omstreeks 1240 konden de eerste vormen van een georganiseerde beweging onderscheiden worden, die zich langzaam van de naam "Begijn" gingen bedienen zonder nog de bijgedachte aan ketterse praktijken met zich te nemen.

In de Lage Landen in de buurt van Nijvel en Oignies in Brabant en in het Luikse ontstonden de eerste kernen van samenlevende groepen religieuze vrouwen onder de naam Begijnen. Maria van Oignies, Ida van Leuven en andere begijnen werden door toenmalige geestelijken en het volk als bijna-heiligen beschouwd.

De nieuw ontstane gemeenschappen van vrome vrouwen of mulieres religiosae leefden eerst verspreid in de stad maar naderhand bij voorkeur in de nabijheid van een kerk of een kapel en onderhielden zichzelf door inkomsten uit eigen arbeid. Na verloop van tijd nam hun aantal toe en zij groepeerden zich in de eerste conventen, veelal rond hospitalen en leprozerijen. De beweging concentreerde zich aan het einde van de 13e eeuw voornamelijk in het noorden van Frankrijk, Vlaanderen, Brabant, Luik, de Rijnstreek in Duitsland van Keulen tot Bazel en in mindere mate Italië en Zuid-Frankrijk. Hadewijch is waarschijnlijk de bekendste begijn en mystica uit de 13de eeuw[1].

14e eeuw [bewerken]

In 1311 trof de kerk op het concilie van Vienne maatregelen tegen wat genoemd werd de ketterse bewegingen in begijnse kringen. De bewegingen waren weliswaar religieus, maar niet aangesloten bij de officiële kerk, vandaar dat ze als ketters beschouwd werden. De getroffen besluiten werden nooit omgezet in maatregelen behalve in Duitsland en Frankrijk, maar de bisschoppen in de Lage Landen verdedigden het orthodoxe van de begijnen in hun bisdommen, waardoor ze van de verschillende pausen vrijstellingen verkregen en ze hun gemeenschappen verder konden uitbreiden. Eén van de bekendste slachtoffers van de begijnenvervolging was Margareta Porete. Zij stierf in 1310 op de brandstapel, samen met haar boek "Spiegel der eenvoudige zielen", een werk dat later herontdekt werd[2].

In de praktijk kwam het erop neer dat alleen nog begijnen geduld werden, die zich vrijwillig samenvoegden in conventen of begijnhoven onder leiding van kloosterlingen of een priester. De begijnhoven werden door een muur omgeven en tussen zonsondergang en zonsopgang van de buitenwereld afgesloten. De begijnen leefden er een godvruchtig leven met alle dagen het volgen van de heilige mis, luisteren naar de preek, gebedsstonden en het lezen van de psalmen in het goddelijk officie indien mogelijk. Bovendien baden zij reeds vroeg de Mariale devotie van de rozenkrans. De begijnen stelden zich onder leiding van een grootmeesteres en gehoorzaamden aan de statuten die door de bisschoppen werden goedgekeurd.

In tegenstelling tot kloosterzusters, die eeuwige geloften aflegden, verklaarden de begijnen alleen maar voor een bepaalde tijd sober, in kuisheid en van hun eigen vermogen of verdiensten te zullen leven. Ze waren vrij om uit te treden om te huwen waarbij ze zes weken voor de huwelijksvoltrekking het begijnhof moesten verlaten. Het begijnhof bevatte jonge meisjes, ongehuwde vrouwen van alle leeftijden en weduwen. Jonge meisjes werden aan de begijnen toevertrouwd om er onderwijs te krijgen.

15e eeuw [bewerken]

De beweging groeide zelfs zover dat ze in de 15e eeuw in bepaalde steden tussen 2 en 5% van de totale bevolking uitmaakte, en sommige begijnhoven als Keulen, Mechelen, Gent en andere telden op hun hoogtepunt tot meer dan 2000 begijnen.

Recente geschiedenis [bewerken]

In de loop van de verdere geschiedenis kende de begijnenbeweging door de vervolgingen in het zuiden van Europa, Zwitserland en Duitsland een grote terugloop om tegen het einde van de 18e eeuw nog vrijwel alleen in de Nederlanden voor te komen. Dertien begijnhoven in Vlaanderen maken sedert 1998 deel uit van het werelderfgoed van de UNESCO.

Nadat op 23 mei 2008 de bijna 100-jarige Marcella Van Hoecke (geboren in 1908), grootjuffrouw van het klein Begijnhof te Gent, overleden was, restte er wereldwijd nog slechts één traditionele begijn: Marcella Pattyn, geboren in 1920, begijn in het begijnhof te Kortrijk. Marcella verbleef de laatste jaren van haar leven in het rusthuis Sint-Jozef te Kortrijk, waar ze in de nacht van 13 op 14 april 2013 in haar slaap overleed.[3] De laatste Nederlandse begijn, Cornelia Frijters, stierf in 1990. Zij woonde vrijwel haar hele volwassen leven op het begijnhof in Breda.

In Duitsland is afgelopen decennia sprake van de opleving van een nieuwe begijnenbeweging.[4]

Zie ook [bewerken]

Literatuur [bewerken]

  • SIMONS, Walter, Cities of ladies. Beguine Communities in the Medieval Low Countries, 1200-1565, Philadelphia, University of Pennsylvania Press, 2001.
  • SIMONS, Walter, Staining the Speech of Things Divine: The Uses of Literacy in Medieval Beguine Communities, Thérèse De Hemptinne & Maria Eugenia Gongora (eds.), The Voice of Silence: Women's Literacy in a Men's Church, Turnhout, Brepols, 2004.
  • SIMONS, Walter, Begijnen, liturgie en muziek in de middeleeuwen: een verkenning, 2008, Dartmouth College (New Hampshire).
  • MANNAERTS, P. (ed.), Beghinae in cantu instructae – Muzikaal erfgoed uit Vlaamse begijnhoven (middeleeuwen-eind 18de eeuw, Brepols, Turnhout, 2008 ISBN 9789056220648
Bronnen, noten en/of referenties

Voetnoten

  1. Paul Mommaers, (1989): Hadewijch. Schrijfster, begijn, mystica. Averbode: Altiora Averbode
  2. Marguerite Porete, (1984): Le miroir des âmes simples et anéanties. Paris: Albin Michel
  3. Laatste begijntje ter wereld overleden in Kortrijk, deredactie.be, 14 april 2013
  4. http://www.beginenhof.de/basics/netzwerk_c.php