Beleg van Bredevoort (1597)
| Beleg van Bredevoort (1597) | ||||
| Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog | ||||
| Datum | 1 oktober - 9 oktober 1597 | |||
| Locatie | Bredevoort, Gelderland | |||
| Resultaat | Bredevoort wordt ingenomen door het Staatse leger | |||
| Strijdende partijen | ||||
|
|
||||
| Commandanten | ||||
|
||||
| Troepensterkte | ||||
|
||||
| Verliezen | ||||
|
||||
Het Beleg van Bredevoort in 1597 was een belegering van vestingstad Bredevoort, door het Staatse leger onder leiding van Prins Maurits, ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog. Het beleg duurde van 1 tot en met 9 oktober, waarna Bredevoort werd ingenomen door de belegeraars. Het beleg was onderdeel van Maurits' veldtocht van 1597, Maurits' succesvolle offensief tegen de Spanjaarden.
Inhoud |
Bredevoort in 1597 [bewerken]
Bredevoort was net als veel steden in deze tijd nog niet voorzien van moderne vestingwerken en moest zich nog behelpen met de middeleeuwse stadsmuur, die door Maarten van Rossum tussen 1545 en 1555 nog werd verbeterd door middel van opgeworpen aarden wallen tegen de stadsmuren. Het stadje werd onneembaar geacht vanwege de strategische ligging te midden van ondoordringbare moerassen. Het had 7 waltorens, twee zware rondelen twee stadspoorten op hun beurt weer beschermd door twee ravelijnen. Tenslotte als laatste uitvalbasis een kasteel, die slechts te bereiken was over een dubbele gracht door drie poorten, waarvan twee poorten weer voorzien waren van dubbele torens. Bredevoort was na de inname van 1572 kortstondig door de Staatsen bezet, maar was na Don Frederiks strafcampagne weer snel bezet door een Spaans garnizoen. Diederick van Bronckhorst-Batenburg had echter gesmeekt dat dit garnizoen de stad zou verlaten. De Spanjaarden misdroegen zich nog erger dan de Geuzen, stad en heerlijkheid werd nog meer geplunderd dan ooit tevoren. Diederick vocht liever met zijn borgmannen tegen (muitende) soldaten die de omgeving onveilig maakten. Het garnizoen vertrok uiteindelijk, op voorwaarde dat vanuit Bredevoort soldaten van voedsel werden voorzien in Groenlo. Diederick probeerde intussen de heerlijkheid Anholt en Heerlijkheid Bredevoort buiten de strijd te houden en laat herhaaldelijk weten dat de Spaanse koning geen soevereine rechten heeft op Anholt en Bredevoort. Zijn zoon neemt dienst in het leger van Parma als keizerlijk veldmaarschalk, en in die hoedanigheid weet hij ook in 1580 het belegerde Anholt te ontzetten, Bredevoort van een sterk garnizoen te voorzien, en ook Groenlo in te nemen. De soevereiniteit van Anholt wordt uiteindelijk wel erkend, maar niet die van Bredevoort. Bredevoort was strategisch te belangrijk voor de Spanjaarden om deze buiten de strijd te houden. De pandvrouwe van Bredevoort, Geertruida van Myllendonk was er net als de Staten op gebrand het Spaanse garnizoen uit de stad verwijderd te zien, maar krijgt geen toestemming van Parma. Intussen nam de macht van de Staatse legers toe.
1 oktober, de opmars [bewerken]
Na het innemen van Rijnberk, Meurs en Groenlo trok Maurits met zijn leger bestaande uit 6.000 man voetvolk en 1.200 man cavalerie op 1 oktober naar Bredevoort. Bredevoort werd op dat moment verdedigd door slechts twee vendels (200) soldaten, onder leiding van een Franse kapitein Damien Gardot en zijn luitenant Van Broeckhuysen, wegens afwezigheid van de graaf Van den Bergh en de vrijheer van Anholt. Maurits liet de wegen naar de stad afsluiten en bouwde zijn hoofdkwartier westelijk in het nabij gelegen Aalten samen met 13 Engelse vendels onder bevel van Horatio Vere en 12 vendels onder bevel van graaf Willem Lodewijk, de Friese Stadhouder. Ten oosten legerden de graaf Van Solms met 9 vendels, samen met 12 Schotse vendels onder bevel van Mereu en 6 vendels onder bevel van Duivenvoorde in Miste en Corle.
2 oktober, begin [bewerken]
Na de insluiting worden 12 stuks geschut geplaatst in afwachting van overige kanonnen, kartouwen en mortieren die nog vanuit Groenlo moesten worden gebracht door 'scheepslieden'. Maar diezelfde dag liet Maurits een eerste salvo af vuren.(Maurits had de gewoonte om na drie salvo's een ingesloten vestingstad op te eisen. Gaven de belegerden zich niet over, dan werden na een tweede eis minder gunstige voorwaarden aangeboden. Na een derde en laatste eis, was het slechts mogelijk om de stad op genade of ongenade over te geven.) Na de eis van Maurits, riepen de belegerden vanaf de stadsmuur uitdagend "Ghy hebt die van Grol niet voor" en dat zij voornemens waren de stad tot de laatste man voor de Spaanse koning te verdedigen. De verdedigers hadden vertrouwen in een ontzettingsleger omdat Maurits geen circumvallatielinie rondom de stad kon aanleggen door de aard van het omringende land waardoor de stad midden in een bijna ondoordringbaar moeras lag ondanks dat zij maar met 200 verdedigers tegenover ruim 7.200 soldaten van Maurits stonden.
3 oktober, approches [bewerken]
Graaf Van den Bergh liet weten dat hij niet door de Staatse linies kon doorbreken, maar dit bericht werd onderschept door het Staatse leger, zodat dit nieuws nooit Bredevoort bereikte. Zij wisten niet dat het ontzettingsleger niet zou komen. Intussen liet Maurits dammen bij de watermolen doorsteken, in een poging de stadsgracht leeg te laten lopen. Maar hij kwam er snel achter dat het onmogelijk was een gracht droog te leggen in een laag gelegen gebied midden in een moeras. Er was geen andere mogelijkheid dan het graven van approches (benaderingsloopgraven) waarmee soldaten en geschut naar de frontlinie vervoerd konden worden. Zo gebeurde het dat aan de oost- en westkant de stad beschoten werd, en de Friezen en Engelsen wisten daardoor de stad tot 400 meter te naderen door het aanleggen van loopgraven. Hoewel de situatie voor de bezetter niet beter op was geworden, bleven zij iedere aangeboden overgave weigeren, omdat zij het volste vertrouwen in de strategische omgeving, gracht en vooral het ontzettingsleger van graaf Van den Berg hadden (die nooit zou komen).
4 oktober, geheim wapen [bewerken]
Maurits was altijd voorstander van inzet van de nieuwste strijdmiddelen en bracht een geheim wapen in de strijd. Op 15 juli 1597 was in Den Haag een mobiele kurken brug gedemonstreerd waarmee een bestorming op een belegerde stad kon worden uitgevoerd. Deze brug bestond uit losse onderdelen en kon wel 150 bewapende soldaten en ook nog eens zwaar geschut overbrengen. De onder- en bovenkant was versterkt met houten planken. Maurits wilde dit wel eens uitproberen en gaf opdracht de mobiele kurkbrug vanuit Doesburg te laten overbrengen met genoeg brugdelen om vanuit drie kanten een aanval te kunnen uitvoeren.
8 oktober, bloedig handgemeen [bewerken]
Het krijgsgeweld was nu in alle hevigheid toegenomen. Na vijf dagen vechten hadden de Schotse compagnieën vanuit de westkant een ravelijn, die gelegen was voor de Aalterpoort, na een erg bloedig handgemeen weten in te nemen. Die dag werden ook de eerste brugdelen aangevoerd met schepen vanuit Doesburg. Het zou een kwestie van tijd zijn totdat de stad zou vallen.
9 oktober, ondergang [bewerken]
Vroeg in de morgen werd in alle hevigheid begonnen met het beschieten van de stad met zwaar onophoudelijk geschut op met name de oost- en westkant van de stad. Aan de zuidkant van de stad werd de kurkbrug aangelegd. Dit was een gevaarlijke onderneming, want deze brug werd door de scheeplieden van Maurits zonder dekking aangelegd, waarbij zij zonder onderbrekingen vanaf de stadsmuren werden beschoten. Maar met een ware doodsverachting wisten Maurits' soldaten een eerste stadswal te naderen, en groeven zich onmiddellijk in. De stormloop had een grote indruk op de verdedigers gemaakt.
Volgens krijgsgebruik uit die tijd, kwam een trommelslager naar de wal om een signaal te geven dat zij nu wel willen onderhandelen over voorwaarden van overgave. Maar de Staatsen waren nu niet meer aanspreekbaar. Het beleg had aan Staatse kant al teveel bloed gekost. Toen de trommelslager zijn hoofd boven de wal uitstak werd zijn hoofd er met een kanonskogel afgeschoten. Hierop ging de bestorming in alle hevigheid verder. Maurits was de greep op de soldaten nu kwijt, maar het was ook mogelijk dat Maurits de soldaten hun gang liet gaan om wraak te nemen wegens ontberingen die zij moesten ondergaan. De verdedigers lieten daarop vrouwen en kinderen op de wallen, in de hoop dat de aanblik op het zwakke geslacht de Staatse troepen mild zouden stellen. De Spanjaarden wierpen nu hun hoeden in de lucht (als teken van overgave), maar zij werden harteloos vermoord. De overgebleven 120 Spanjaarden[1] vluchten daarop naar het kasteel van Bredevoort als laatste schuilplaats. Nu kwam roofzucht boven moordzucht bij de Staatse troepen en de aandacht ging nu uit naar de buit. Bredevoort was daarvoor een winstgevende stad, want veel buitenlui hadden hun bezittingen binnen de muren van de stad gebracht. Maurits liet zijn troepen twee dagen uitrazen en plunderen. Maurits zei in een brief na afloop:
|
Brief aan de Staten Generaal. |
11 oktober, genade en ongenade [bewerken]
Nadat de gemoederen bedaard waren, gaven de ingeslotenen onder leiding van Luitenant Van Broekhuysen op het kasteel zich op genade en ongenade over. De Franse gouverneur Damien Gardot wat het niet gelukt om in het kasteel te vluchten. De soldaten van de compagnie van Van Broekhuysen hadden hem namelijk geweigerd, en gedreigd hem dood te slaan, als hij ook maar een voet op de kasteelbrug zou zetten. Dit was omdat gouverneur Damien Gardot geweigerd had te onderhandelen tot overgave onder gunstige voorwaarden toen dat nog mogelijk was. Gardot was samen met een trouw gebleven soldaat in een hol binnen de stadswal gekropen. Hij werd de dag daarvoor gevonden, en gevangengenomen door de vaandrig van graaf Hohenlohe. Hoewel het leven van Damien Gardot aan een zijden draad hing, kon hij zijn leven vrijkopen door een afkoopsom. De soldaten van Broekhuysen konden gaan tegen betaling van 1.700 goudguldens. De Franse soldaten mochten zich afkopen door betaling van 2.300 goudgulden. Alle bezetters moesten vertrekken en mochten zich drie maanden niet meer boven de Maas laten zien, op straffe van de dood.
12 oktober, aftocht van de bezetter [bewerken]
Na het betalen van afkoopsommen ter waarde van 6.000 goudguldens konden de bezetters vertrekken, met achterlating van wapens en bezittingen. Zij moesten gaan met een bonenstaak in de handen om zich publiekelijk tot schande te maken. De burgers van Bredevoort moesten 6.000 daalders betalen, maar omdat zij al hun huizen en goederen kwijt geraakt waren door een grote stadsbrand werd deze kwijtgescholden door Maurits. Als dank boden de Bredevoortse burgers hem drie vaten wijn aan. Het ingezamelde geld werd verdeeld onder de gewonde soldaten en die waren talrijk. Het beleg van Bredevoort had Maurits meer officieren en soldaten gekost dan in Maurits zijn hele veldtocht van 1597 tezamen, waarbij toch steden als Rijnberk, Meurs en Groenlo waren ingenomen.
Stadsbrand [bewerken]
Een Staats soldaat die in de nacht naar buit zocht, had bij gebrek aan licht een bosje stro aangestoken. Door onvoorzichtigheid raakten de hooizolder in brand die oversloeg naar andere huizen waarbij de hele stad (op 20 huizen na) afbrandden. Hoewel Maurits zeer ontstemd was over het voorval, dacht hij ook dat het een afschrikwekkend voorbeeld voor andere steden zou zijn. [3] Vanuit Vreden worden enkele krijgsgevangen soldaten van Verdugo uit Enschede vrijgelaten met het laatste nieuws over de inname en brand in Bredevoort Maurits liet twee compagnieën achter in de Bredevoort en trok verder naar Enschede waarbij deze stad zonder slag of stoot kon worden ingenomen want Maurits dreigt hard op te treden als het garnizoen in Enschede hem zou dwingen ook maar één schot te moeten lossen. Waarop Jaques Meurs met zijn compagnie het commando in Enschede over neemt van Pottere [4].
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Gevechten om Bredevoort |
|---|
|
1278: Van der Mark · 1322-6: Reinoud van Gelre · 1572: Willem van den Bergh · 1583: Desperaten · 1597: Maurits van Oranje · 1606: Frederik Hendrik · 1672: Bernhard von Galen |