Beleg van Tripoli (1102-1109)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beleg van Tripoli
Onderdeel van kruisvaartoorlogen
Datum 1102 tot 1109
Locatie Tripoli, Libanon
Resultaat kruisvaart overwinning
Strijdende partijen
Kruisvaarders Seldjoeken
Commandanten
Raymond IV van Toulouse (overleden 1105 †)
Willem II van Cerdagne
Bertrand van Toulouse
Fakhr al-Mulk
Troepensterkte
onbekend onbekend
Verliezen
onbekend onbekend
Kruisvaart Veldslagen in de Levant (1096-1303)

Eerste Kruistocht
Xerigordon · Civetot · Nicea · 1ste Dorylaeum · 1ste Antiochië · Ma'arrat · 1ste Jeruzalem · 1ste Ashkelon


Inter-Kruisvaart periode
Melitene · Kruisvaart van 1101 · Harran · Artah · Ramla · 1ste Tripoli · Sidon · 1ste Shaizar · Al-Sannabra · Sarmin · Ager Sanguinis · Hab · Yibna · Azaz · Marj es-Suffar · Ba'rin · 2de Shaizar · Edessa · Bosra


Tweede Kruistocht
2de Dorylaeum · Ephesus · Meander · Mont Cadmus · Damascus


Inter-Kruisvaart periode
Inab · Aintab · 2de Ashkalon · Kruisvaardersinvasie van Egypte · Meer van Huleh · al-Buqaia · 1ste Bilbeis · Harim · al-Babein · 2de Bilbeis · 1ste Damietta · Montgisard · Marj Ayyun · Jakobs Voorde · kasteel Belfort · Al Fule · Kerak · Cresson · Hattin · 2de Jeruzalem · Tyrus


Derde Kruistocht
Iconium · 1ste Akko · Arsoef · Jaffa


Vijfde Kruistocht
3de Jeruzalem · 2de Damietta


Nasleep van de Zesde Kruistocht
4de Jeruzalem · La Forbie


Zevende Kruistocht
3de Damietta · El-Mansoera · Fariskur


Late Kruisvaart Periode
Caesarea · Haifa · 2de Arsoef · 2de Antiochie · Krak des Chevaliers · 2de Tripoli · 3de Tripoli · 2de Akko · Ruad ·

Het Beleg van Tripoli vond plaats vanaf 1102 tot 12 juli 1109. Het speelde zich af in de nasleep van de Eerste Kruistocht en leidde tot de stichting van de vierde kruisvaardersstaat in de Levant, het graafschap Tripoli.

Achtergrond[bewerken]

Na de verovering van Antiochië, in juni 1098, en het vernietigen van Ma'arrat al-Numan, 13 januari 1099, waren de Syrische emirs bang geworden voor de oprukkende kruisvaarders. Ze verleenden hen vrije doortocht en soms droegen zij hun steden zonder slag of stoot aan hen over. Op 14 januari zond sultan ibn Munqidh, emir van Shaizar, een gezant naar Raymond van Toulouse, een van de kruisvaartleiders, om provisie en voedsel voor mannen en paarden aan te bieden. Hij bood ook zijn diensten aan om hen voor te gaan naar Jeruzalem om hen de weg te wijzen. In februari bood de emir van Homs, Janah ad-Dawla, die tijdens het beleg van Antiochië nog tegen de kruisvaarders gevochten had, een aantal paarden aan. De kalief van Tripoli, Jalal al-Mulk zond bijzondere giften en nodigde de Franken uit om zijn stad aan te doen. Uiteindelijk was een alliantie tussen deze emirs en de kruisvaarders een feit. De kruisvaarders gingen vervolgens verder naar Arqa, dat ze van 14 februari tot 13 mei belegerden, voordat ze verder zuidelijk gingen naar Jeruzalem. Ze deden geen aanvallen op Tripoli of andere bezittingen in het gebied.

Terugkeer van Raymond[bewerken]

Het Beleg van Jeruzalem was een succes en leidde tot de oprichting van het koninkrijk Jeruzalem. De meeste kruisvaarders keerden terug naar huis. Aangemoedigd door het succes van de eerste kruistocht ontstond echter al snel een nieuwe beweging in 1101. Deze groep werd ruw tegengehouden door de Seljoekse Turken in Anatolië. Ook Raymond participeerde in deze kruistocht, maar keerde terug naar Syrië nadat hij moest vluchten na zijn nederlaag met Kilij Arslan I bij Mersivan, Anatolië, bij terugkeer had hij alleen nog maar drie honderdman bij zich. Fakhr al-Mulk, kalief van Tripoli, was nu niet zo behulpzaam als voorheen en riep de hulp in van Dukak van Damascus en ook de gouverneur van Homs. Ondertussen kregen de legioenen uit Damascus en Homs problemen onderweg en bleef de hulp lang uit, de kalief werd verslagen in april, en verloor rond de zevenduizend manschappen. Raymond kon uiteindelijk de stad niet innemen, maar had wel de controle over Tortosa verkregen, van waaruit alle toekomstige operaties tegen Tripoli werd ondernomen.

Het beleg[bewerken]

Het volgende jaar (1102), ondernam Raymond met behulp van Byzantijnse constructeurs de bouw van Mons Peregrinus, de Pelgimsberg, om zo een blokkade op te werpen naar het binnenland van Tripoli. Met de Genuaan Hugo Embriaco, nam Raymond ook Gibelet in. Na de Slag bij Harran in 1104, vroeg Fakhr al-Mulk hulp aan Sokman, een voormalig Artuklu gouverneur van Jeruzalem, om te anticiperen; Sokman marcheerde naar Syrië, maar werd gedwongen weer terug te keren.

Fakhr al-Mulk deed vervolgens een aanval op Mons Peregrinus in september 1104, hij vermoordde daarbij een hoop kruisvaarders en wist een vleugel van het het fort af te branden. Raymond zelf was zwaargewond geraakt, en stierf vijf maanden later, in februari 1105, aan zijn verwondingen. Hij werd als leider vervangen door zijn neef Willem Jordaan, graaf van Cerdagne. Op zijn sterfbed had Raymond nog een akkoord geregeld met de kalief. Als die stopte met het onder vuur nemen van het fort, zouden de kruisvaarders de handel in en om Tripoli met rust laten. De kalief accepteerde dit.

In 1108, werd het steeds moeilijker om voedsel naar de belegerde inwoners te brengen. Veel inwoners vluchtten naar andere steden als Homs, Tyrus en Damascus. De edelen van de stad, die de kruisvaarders in een eerder stadium hadden verraden, werden geëxecuteerd in het kruisvaarders kamp. Fakhr al-Mulk, was radeloos aan het wachten op versterkingen van Seldjoek sultan Mehmed I Tapar, die eind maart met vijfhonderd manschappen en diversen giften naar Bagdad was getrokken. Tijdens zijn reis deed hij Damascus aan waar hij met open armen werd ontvangen door Toghtegin, vervanger van de pas overleden Dukak. Eenmaal in Bagdad werd Mehmed I met groots vuurwerk ontvangen. Zijn gedachten waren niet meer bij Tripoli maar er moest onderhandeld worden over een dispuut over Mosoel. Fakhr al-Mulk keerde zelf in augustus terug naar Damascus, waar hij vernam dat de overige edelen, die het wachten op de terugkeer van de kalief beu waren, Tripoli hadden overhandigd aan al-Afdal Shahanshah, vizier van Egypte.

Het jaar erop formeerde de kruisvaarders een grote groep buiten Tripoli, geleid door Boudewijn I van Jeruzalem, Boudewijn II van Edessa, Tancred, regent van het vorstendom Antiochië, Willem Jordaan en Raymond IV's zoon Bertrand van Toulouse, die recent was aangekomen met verse troepen uit Italië en Frankrijk. In Tripoli waren ze nog tot in den treuren aan het wachten op versterking van moslimkant, vooral uit Egypte.

Een compromis werd gesloten over een dispuut buiten de stadsmuren, dit werd geleid door Boudewijn I van Jeruzalem. Er werd besloten dat de stad nu ingenomen kon worden; als dit een feit was, zou het graafschap Tripoli worden verdeeld in twee gebieden: Willem Jordaan zou het noordelijk gebied krijgen als vazal van het vorstendom Antiochië, en Bertrand het zuidelijk deel, als vazal van het koninkrijk Jeruzalem.

De stad viel op 12 juli 1109, en werd helemaal geplunderd door de kruisvaarders. Honderdduizend documenten, boeken en prenten van de Dar-em-Ilm bibliotheek werden vervloekt en daarna verbrand. De Egyptische vloot arriveerde acht uur te laat. De meeste inwoners werden tot slaaf verheven, anderen werden verdreven of gedood en van hun bezittingen ontdaan. Bertrand, Raymond IV's legitieme zoon, had Willem Jordaan laten vermoorden in 1110 en maakte aanspraak op twee derde van de stad voor zichzelf, waarbij het resterende deel onder Genuees gezag zou komen. Vervolgens werd Tripoli een kruisvaardersstaat. De rest van de Mediterrane kust was al in handen van de kruisvaarders gevallen. Later vielen nog de havensteden Sidon (1111) en Tyrus (1124).

Bronnen, noten en/of referenties
  • René Grousset, Histoire des croisades et du royaume franc de Jérusalem - I. 1095-1130 L'anarchie musulmane, 1934 [détail des éditions]
  • René Grousset, L'Empire du Levant : Histoire de la Question d'Orient, 1949 [détail des éditions]
  • Jean-Luc Déjean, Les comtes de Toulouse (1050-1250), 1979 [détail des éditions]
  • Riley-Smith, J. 1983. "The Motives of the Earliest Crusaders and the Settlement of Latin Palestine, 1095-1100." The English Historical Review 98(389):721-736
  • Archer, T.A., Kingsford, C.L. and H.E. Watts. 1894 The Story of the Crusades, putnam.