Beneficie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een beneficie (van: bene = goed, en ficere = doen) was een als gunst verleend ambt in de Middeleeuwen. De betekenis werd zowel in het wereldlijke als in het kerkelijke recht gebruikt.

Wereldlijk recht[bewerken]

In de ruileconomie ten tijde van het Frankische Rijk konden leenmannen alleen beloond worden door hen gronden en het vruchtgebruik daarvan te geven. Dit werd aanvankelijk beneficium genoemd en hiermee bond de heer zijn vazallen aan zich. Deze waren verplicht de heer bij te staan met manschappen ten tijde van oorlog. Hieruit ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme.

Vanaf de tiende eeuw werd gesproken van feodum en werd beneficies nog slechts gebruikt voor het kerkelijke ambt.

Kerkelijk recht[bewerken]

Voor de vijfde eeuw was er alleen sprake van gezamenlijke inkomsten van een bisdom. Daarna werden bepaalde zaken voor het leven in leen gegeven aan geestelijken. Dit groeide uit tot een geestelijk ambt (officium) met daaraan het recht op de inkomsten uit de prebende verbonden. De inkomsten waren afkomstig uit de opbrengsten van schenkingen, bijvoorbeeld in de vorm van gronden, door gelovigen verricht. Dit inkomen werd verworven door op een vaste plaats en vaste tijdstippen missen op te dragen aan een daartoe bestemd altaar. Dit kon bijvoorbeeld een altaar zijn van een schuttersgilde of broederschap.

Een vicarie is in het algemeen een beneficium ecclesiasticum. Deze stichting werd - naast het wereldlijke recht - ook beheerst door het geestelijke recht. Er waren vicarieën waarvan het inkomen bestemd was voor een priester of predikant en die vroeger niet met zielzorg waren verbonden (vicarieën sine cura animarum). Voorts maakte het verschil of een leek de bestuurder was (vicarie patronatus laicalis) of de pastoor. De geestelijke die de mis opdroeg werd de beneficiant of drager van het beneficie genoemd.

Indien sprake was van een beneficium simplex hoefde de drager van het beneficie geen priester te zijn, doch hoefde slechts de tonsuur te hebben ontvangen, dus geestelijke te zijn. In dit geval moest hij een priester aanwijzen die de mis opdroeg, maar de beneficiant verwierf de inkomsten. Hij moest dan wel de onkosten vergoeden voor het gebruik van de kerk.

De beneficiant werd geïnstalleerd in een plechtigheid waarbij hij, in het bijzijn van twee getuigen, de vier hoekpunten van het altaar moest aanraken, alsmede de kelk, het missaal en de ornamenten.

Door de confiscatie van kerkelijke goederen tijdens de Franse Revolutie werden de meeste beneficies afgeschaft. Met de invoering van het kerkelijk wetboek van 1917 vermeerderde dit aantal weer. Tegenwoordig zijn de geestelijken echter niet meer aangewezen op het beneficiaal systeem.

Zie ook[bewerken]