Lidwoord
Een lidwoord (of artikel) is een woord dat geplaatst kan worden voor zelfstandige naamwoorden en een enkele keer ook voor bezittelijke voornaamwoorden. Het heeft als voornaamste functie om de bepaaldheid ervan aan te duiden. Daarnaast kan een lidwoord ook andere informatie over het naamwoord verschaffen, in het Nederlands bijvoorbeeld over het woordgeslacht ervan (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig).
Inhoud |
Nederlands [bewerken]
Bepaalde lidwoorden [bewerken]
Het Nederlands kent in de nominatief twee bepaalde (of bepalende) lidwoorden:
- de, mannelijk of vrouwelijk (overkoepelend ook wel "zijdig" genoemd)
- het, onzijdig
Het wordt enkel gebruikt vóór een enkelvoudig onzijdig woord. Verkleinwoorden zijn in het Nederlands altijd onzijdig en worden in het enkelvoud dus met "het" aangeduid. Om een meervoud aan te duiden wordt altijd de gebruikt. Voorbeelden:
- de sleutel (mannelijk enkelvoud, dus de)
- het sleuteltje (verkleinwoord, dus onzijdig, dus het)
- de sleuteltjes (meervoud, dus de)
- het huis (onzijdig enkelvoud, dus het)
- de huizen (meervoud, dus de)
Onbepaald lidwoord [bewerken]
Het Nederlands kent in de nominatief slechts één onbepaald (of onbepalend) lidwoord:
- een
Het onbepaalde lidwoord een wordt in het Nederlands enkel gebruikt vóór een enkelvoud, om een onbepaald meervoud aan te duiden wordt simpelweg géén lidwoord gebruikt. Voorbeeld:
- Daar staat een huis (onbepaald enkelvoud, dus een)
- Daar staan huizen (onbepaald meervoud, dus geen lidwoord)
De zuidelijke dialecten van het Nederlands kennen nog een tweede onbepaald lidwoord, namelijk ne of nen, dat gebruikt wordt vóór een onbepaald mannelijk enkelvoud, bijvoorbeeld "ne stier", "nen auto".
Verbuiging lidwoorden [bewerken]
| lidwoorden[1] | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| enkelvoud | meervoud | |||||
| mannelijk | vrouwelijk | onzijdig | voor de drie geslachten | |||
| nominatief | de — een | de — ene | het — een | de | ||
| genitief | des — eens | der — ener | des — eens | de(n) | ||
| datief | den — enen | de(r) — ene(r) | het (den) — een (enen) | de(n) | ||
| accusatief | den — enen | de — ene | het — een | de | ||
Verbogen lidwoorden (ene, ener, enes/des, der, den) worden nauwelijks nog gebruikt. Sinds de jaren tachtig is bijvoorbeeld commissaris van de Koning(in) gangbaarder dan commissaris der Koning of des Konings (CdK). Bij procureur des Konings is echter alles bij het oude gebleven, net als in bepaalde namen en staande uitdrukkingen:
- Den Helder
- 's-Hertogenbosch (des Hertogen bosch, ook wel Den Bosch)
- Het Koninkrijk der Nederlanden
- De vader des vaderlands
- ten enenmale
Daarnaast kent het Nederlands nog enkele oudere verbuigingsvormen.
Generiek en categoraal [bewerken]
Men spreekt in het Nederlands ook nog van generische en categoriale lidwoorden.
Een generisch lidwoord ziet eruit als een gewoon bepaald lidwoord, maar het is niet specifiek voor het woord waar het bij staat.
- De mens is sterfelijk
Het spreekt vanzelf dat we hier niet een specifiek iemand op het oog hebben, maar bedoelen dat sterfelijkheid een kenmerk van alle mensen is.
Een categoriaal lidwoord ziet eruit al een onbepaald lidwoord, maar slaat eigenlijk op een hele categorie. Een meervoud heeft dit lidwoord, net als haar onbepaalde zuster, niet.
- De jongen is bang voor een slang
Uiteraard is de jongen niet bang van één enkele slang, maar van alle soorten. Dit lidwoord slaat op de hele slangencategorie.
Lidwoord voor een bezittelijk voornaamwoord [bewerken]
Bij een aantal (zelfstandig gebruikte) bezittelijke voornaamwoorden, waaronder mijne, jouwe, zijne, hare, onze, hunne, kunnen ook lidwoorden staan.
- Dat huis is het mijne.
- Mijn zus is groter dan de jouwe.
Voornaamwoord (vnw) [bewerken]
Het woord het kan ook een persoonlijk voornaamwoord zijn. Het wordt uitsluitend gebruikt voor een onzijdig onderwerp of voorwerp en kan niet worden voorafgegaan door een voorzetsel.
- Ik weet het echt niet.
- Waar is het paard? Ik heb het naar de wei gebracht.
Oorspronkelijk was dit alleen t, maar onder invloed van het lidwoord is het veranderd in 't (met een apostrof ervoor) of het.
Ook kan het voorkomen als een onbepaald voornaamwoord:
- Het sneeuwt.
Andere talen [bewerken]
Sommige talen hebben aangehechte lidwoorden: dit zijn elementen die achter het naamwoord worden geplaatst.
Weer andere talen hebben een lidwoord waar in het Nederlands geen lidwoord staat, zoals in het Frans en Duits.
- Frans
- le pain - het brood (het ding)
- du pain - brood (als stofnaam)
- des maisons - huizen (om een onbepaald meervoud aan te duiden)
- il mange du fromage - hij eet kaas (Dit is een derde soort lidwoord, het article partitif)
- Duits
- Aber da läuft der Karl! - Maar daar rent Karl!
- Du kennst doch die Marie. - Je kent Marie toch.
Wanneer men in het Duits over een bekende spreekt, kan het bepaald lidwoord toegevoegd worden dat past bij het geslacht van diegene. In sommige Nederlandse dialecten komt dit ook voor, althans wanneer het om mannen gaat.
- Talen zonder lidwoorden
Lang niet alle talen hebben lidwoorden. Voorbeelden van talen zonder lidwoorden zijn het Latijn, het Russisch en het Fins. Andere talen zoals Iers en Grieks kennen alleen een bepaald lidwoord.
Ook het Nederlands kende oorspronkelijk geen lidwoorden: in het Oudnederlands ontbraken ze nog. Het Middelnederlands kende ze echter al wel. Ze zijn ontstaan uit verzwakte vormen van het aanwijzend voornaamwoord die en het telwoord een.
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Woordsoorten |
|---|
|
achterzetsel · bijvoeglijk naamwoord · bijwoord · eigennaam · ideofoon · lidwoord · telwoord (hoofdtelwoord · rangtelwoord · telbijwoord) · tussenwerpsel · voegwoord · voornaamwoord (aanwijzend · betrekkelijk · bezittelijk · onbepaald · persoonlijk · temporeel · uitroepend · vragend · wederkerend · wederkerig) · voorzetsel · werkwoord · zelfstandig naamwoord |