Berengarius van Tours

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Berengarius van Tours, gravure van Henrik Hondius uit Jacob Verheidens, Praestantium aliquot theologorum(1602)

Berengarius van Tours (ca. 999 - 6 januari 1088) was een Franse 11e-eeuws theoloog en aartsdeken van Angers.

Beregarius was een geleerde wiens leiderschap van de kathedraalschool van Chartres een voorbeeld van intellectueel onderzoek stelde. Berengarius maakte gebruik van de nieuw leven ingeblazen instrumenten van de dialectiek. Het voorbeeld van de school van Chartres werd spoedig gevolgd door de kathedraalscholen van Laon en Parijs. De scholen betwistten de Kerk het leiderschap over de doctrine van de transsubstantiatie in de eucharistie.

Leven[bewerken]

Vroege jaren[bewerken]

Berengarius van Tours werd in de vroege jaren van de 11e eeuw waarschijnlijk in Tours geboren. Hij kreeg zijn opleiding aan de kathedraalschool van bisschop Fulbert van Chartres. Deze school representeerde de traditionele theologie van de vroege middeleeuwen. Berengarius werd in zijn jeugdjaren echter minder tot de pure theologie en meer door seculiere geleerdheid aangetrokken. Hij deed kennis op van de Latijnse literatuur, dialectiek en verkreeg een goede algemene ontwikkeling. Berengarius vertoonde een vrijheid van denken die verrassend was voor zijn tijd. Later in zijn leven heeft hij meer aandacht aan de Bijbel en vroeg-christelijke schrijvers, in het bijzonder Gregorius van Tours en Augustinus van Hippo besteed en kwam hij alsnog tot de formele theologie.

Teruggekeerd naar Tours werd hij kanunnik van de kathedraal. In 1040 werd hij hoofd van de plaatselijke kathedraalschool. Hij verbeterde er de doelmatigheid en trok studenten van heinde en verre aan. Zijn faam verwierf hij zowel door onberispelijk en ascetisch leven als door het succes van zijn school. Zijn reputatie was op een gegeven moment zo groot dat een aantal monniken hem vroeg een boek te schrijven om zo hun geloofsijver aan te wakkeren. Zijn brief aan Joscelin, later aartsbisschop van Bordeaux, die had hem gevraagd om een geschil tussen bisschop Isembert van Poitiers en zijn kapittel te beslissen is een verder bewijs van het gezag dat aan zijn oordeel werd toegeschreven. Hij werd aartsdeken van Angers. Hij genoot op dat moment het vertrouwen van een flink aantal bisschoppen en van de machtige graaf Godfried II van Anjou.

Controverse over de eucharistie[bewerken]

Te midden van dit koor van loftuigingen, maakte een dissonante stem zich nu echter gehoord; deze beweerde dat Berengarius er ketterse opvattingen over de eucharistie op na hield. De eerste controversen over de aard van de eucharistische aanwezigheid dateren reeds uit de vroege Middeleeuwen. In de negende eeuw had Radbertus Paschasius reeds twijfels geuit aan de identiteit van Christus' eucharistische lichaam met zijn lichaam in de hemel, maar blijkbaar was hij zijn tijd vooruit, want hij vond vrijwel geen steun voor zijn standpunten.[1] Zijn leer werd scherp aangevallen door Ratramnus van Corbie en Hrabanus Maurus, die zijn nadrukkelijk realisme, dat soms werd ontsierd door ongelukkige vergelijkingen en illustraties, scherp veroordeelden. Zij stonden een meer spirituele opvatting van de Goddelijke aanwezigheid voor.[2] Berengarius van Tours stellingname; hij ontkende dat enige materiële verandering in de elementen nodig was om de eucharistische aanwezigheid te verklaren, lokte een aanzienlijk groter oproer uit.[1]

De eerste die hier formeel notie van nam was zijn vroegere studiegenoot Adelman van Luik, die hem smeekte om zijn verzet tegen leer van de Kerk op te geven.

Waarschijnlijk in het begin van het jaar van 1050 schreef Berengarius een brief aan Lanfranc. Lanfranc was op dat moment prior van de Abdij van Bec in Normandië. In deze brief sprak Berengarius zijn spijt uit dat Lanfranc vasthield aan de eucharistische leer van Paschasius en de verhandeling van Ratramnus van Corbie over dit onderwerp (waarvan Berengarius veronderstelde dat deze geschreven was door Johannes Scotus Eriugena) als ketters beschouwde.

Veroordeling wegens ketterij[bewerken]

Hij sprak zijn eigen overeenstemming met Scotus uit en geloofde dat hij in zijn overtuiging werd gesteund door Sint Ambrose, Sint Hiëronymus, Augustinus en andere kerkelijke autoriteiten. Tegen de tijd dat deze brief door Lanfranc In Rome werd ontvangen was hij al door verschillende andere mensen gelezen. De brief van Berengarius viel bij hen niet bepaald in geode aarde. Lanfranc vreesde dat zijn associatie met Berengarius zijn eigen belangen zou kunnen schaden en legde de zaak voor aan de paus, Leo IX, die Berengarius op een synode na Pasen 1050 vervolgens excommuniceerde en hem opriep om persoonlijk aanwezig te zijn op een ander concilie dat in september 1050 in Vercelli zou worden gehouden.

Hoewel hij de wettigheid van zijn veroordeling betwistte ging Berengarius er mee akkoord te gaan, eerst ging hij echter nog naar Parijs om daar toestemming te verkrijgen van koning Hendrik I van Frankrijk, de nominale abt van Sint Martinus in Tours. In plaats van toestemming te geven voor de reis naar Vercelli zette de koning hem echter gevangen. Berengarius hield zich in gevangenschap bezig met de studie van de Evangelie van Johannes, dit met het oog op het zoeken naar bevestiging van zijn opvattingen. De synode werd zonder hem in Vercelli gehouden; twee van zijn vrienden probeerden hem nog te verdedigen, maar werden door geschreeuw en bedreigingen het zwijgen opgelegd; Ratramnus zijn boek werd vernietigd en Berengarius werd opnieuw veroordeeld.

Na zijn vrijlating uit de gevangenis, waarschijnlijk door de invloed van Godfied II van Anjou, vervolgde de koning hem nog steeds. Hij riep een concilie bijeen dat in oktober 1051 in Parijs zou moeten komen. Berengarius was niet gerust op een gunstige afloop. Hij koos ervoor niet op dit concilie te verschijnen. Ook de bedreigingen van de koning na dit concilie hadden geen effect. Omdat Berengarius onder bescherming stond van Godfried II van Anjou en van bisschop Eusebius van Angers had hij weinig te duchten. Ook onder minder prominente personen vonden zijn inzichten met betrekking tot de eucharistie vele aanhangers.

Verhoudingen met Rome[bewerken]

In 1054 kwam kardinaal Hildebrand als pauselijk legaat naar Frankrijk. In het begin toonde hij zich vriendelijk tegenover Berengarius. Hij sprak er over om het mee naar Rome te nemen om daar van paus Leo IX autoriteit te verkrijgen om vervolgens zijn vijanden het zwijgen op te kunnen leggen. Maar toen hij er achter kwam dat paus Leo meer kon doen om de vrede binnen de Kerk te verstoren dan Berengarius' vrienden, maakte Hildebrand een terugtrekkende beweging.

Onder deze omstandigheden besloot Berengarius om zoveel als hij kon toe te geven. Ook de Franse bisschoppen gaven aan dat zij een snelle oplossing van de slepende controverse wilde, toen de Synode van Tours zich tevreden betoonde met Berengarius' schriftelijke verklaring dat het sacramentele brood en de wijn na de consecratie in het Lichaam en het bloed van Christus waren "getranssubstantieerd"). Hetzelfde verlangen naar vrede gecombineerd met de dood van paus Leo IX (19 april) waren voor Hildebrand reden genoeg om er niet verder op aan te dringen dat Berengarius onmiddellijk naar Rome zou afreizen.

Vijf jaar leter, in 1059, ging Berengarius alsnog naar Rome. Hij wist zich gesterkt door een brief van aanbeveling van zijn beschermer graaf Godfried II van Anjou aan Hildebrand. Op het Lateraans Concilie kreeg Berengarius echter geen gehoor. Hij kreeg een formule ter aanvaarding voorgelegd met daarin het meest vleselijke uitleg van het sacrement. Door de krachten tegen hem overweldigd nam hij dit document in zijn hand en wierp zich vervolgens in stilte op de grond, schijnbaar in onderwerping.

Herbevestiging van zijn overtuigingen in Frankrijk[bewerken]

Berengarius ging terug naar Frankrijk vol wroeging over deze desertie van zijn geloof en vol bitterheid tegenover de paus en zijn tegenstanders; zijn vriendenkring was beduidend geslonken - Godfried II van Anjou was overleden en zijn opvolger stond vijandig tegenover Berengarius. Eusebius Bruno nam geleidelijk afstand van hem. Rome was echter bereid hem nog een ​​kans te geven; paus Alexander II schreef hem een ​​bemoedigende brief, maar waarschuwde hem tegelijkertijd ook om verder geen aanstoot te geven.

Hij hield nog steeds stevig vast aan zijn overtuiging. Rond 1069 publiceerde hij een verhandeling, waarin hij uiting gaf aan zijn wrok tegen paus Nicolaas II en zijn tegenstanders in het Romeinse concilie. Lanfranc beantwoordde deze verhandeling, waar Berengarius weer op reageerde. Bisschop Hugo van Langres schreef ook een verhandeling De corpore et sanguine Christi tegen Berengarius. Zelfs de gelijknamige bisschop van Venosa, Berengarius, mengde zich in de strijd en schreef tegen hem ten tijde van zijn tweede verblijf in Rome.

De stemming tegen hem in Frankrijk werd zo vijandig, dat het op de synode van Poitiers in 1076 bijna tot openlijk geweld kwam. Hildebrand, intussen paus Gregorius VII, probeerde hem nog te redden; hij ontbood hem nogmaals naar Rome (1078) en probeerde zijn vijanden tot zwijgen te brengen door hun instemming te vragen voor een vage formule, ongeveer gelijkluidend aan de formule die hij in Tours had ondertekend. Berengars' vijanden waren echter niet tevreden. Drie maanden later werd hij op weer een andere synode gedwongen in te stemmen met een ​​formule die, behalve wanneer men gebruikmaakte van volstrekt onverdedigbare drogredenen, alleen maar uitgelegd kon worden als een duidelijke instemming met de transsubstantiatie. Berengarius was indiscreet genoeg om zich te beroepen op de sympathie van Gregorius VII. Daarop werd hem bevolen om zijn fouten te erkennen en de zaak verder te laten rusten. Berengarius' moed liet hem opnieuw in de steek: hij bekende dat hij had gedwaald. Hij werd naar huis gestuurd met een beschermende brief van de paus, maar met woede in zijn hart.

Eenmaal terug in Frankrijk hervond hij zijn moed en publiceerde zijn eigen weergave van de gebeurtenissen in Rome. Hij trok zijn herroeping van zijn dwaalleer in. Dit leidde tot weer een ander proces voor een synode in Bordeaux (1080) en opnieuw een gedwongen onderwerping.

Hierna zweeg Berengarius definitief. Hij trok zich terug op het eiland Sint-Cosmas in de buurt van Tours, waar hij in ascetische eenzaamheid leefde. Op deze plaats stierf hij, nog steeds vasthoudend aan zijn overtuigingen. Hij vertrouwde op de genade van God onder wat hij als onrechtvaardige vervolgingen beschouwde, waaraan hij gedurende zijn leven was onderworpen.

Betekenis[bewerken]

De grootste tekenis van Berengarius voor de ontwikkeling van de middeleeuwse theologie ligt in het feit dat hij in vergelijking tot de meeste van zijn tijdgenoten een groter belang toekende aan de dialectiek. In zijn geschriften bevinden zich proposities die in een puur rationalistische zin kunnen worden begrepen. Maar het zou te ver gaan om in het rationalisme Berengarius' belangrijkste standpunt te zien, om hem een bewuste poging toe te schrijven om alle religieuze autoriteiten - de Schrift, de kerkvaders, pausen en concilies - te ondermijnen. Dit zou het toeschrijven van opvattingen zijn aan een man uit de 11e eeuw, waarvan zijn tijd nog niets wist, waarvoor toen zelfs nog geen terminologie voor was geconstrueerd om dergelijke gedachten in uit te drukken.

Het contrast dat hij naar voren brengt is er niet een tussen rede en openbaring, maar tussen rationele en irrationele manieren om de openbaring te begrijpen. Berengarius ontkende het recht van de heersende theologie om instemming te eisen, omdat de heersende theologie volgens hem van irrationele aannames uitging; de autoriteiten waaraan hij zich weigerde te onderwerpen waren naar zijn oordeel slechts menselijke autoriteiten.

Berengarius' positie stond nooit lijnrecht tegenover die van zijn critici. Waarschijnlijk werd hij ook nooit geëxcommuniceerd. Maar de controverse die hij veroorzaakte dwong mensen om de negende-eeuwse discussie over de Eucharistie, zoals Radbertus Paschasius deze had achter gelaten, opnieuw te overdenken. De doctrine van de transsubstantiatie moest verduidelijkt worden. Aangezien zowel Berengarius en zijn critici zich van de seculiere disciplines van de logica en grammatica bedienden om een zaak van christelijke doctrine uit te drukken en te beslechten, was de weg vrij voor de scholastiek van de twaalfde eeuw.[3]

Hij sprak bitter en onrechtvaardig over pausen en concilies. Hij was niet in staat om hen te vergeven dat zij hem bij herhaling gedwongen hadden om zijn eigen standpunten te verloochenen. Dit betekende echter geen afwijzing van de katholieke opvatting van de Kerk. Zijn verzet beperkte zich tot de eucharistische doctrine die in zijn tijd gangbaar was. Hij keerde zich ook tegen de theorie van de Radbertus Paschasius niet in het minst, omdat hij geloofde dat deze theorie in strijd was met de Schrift en de kerkvaders en ook omdat hij deze destructief achtte voor de aard van een sacrament.

Berengarius van Tours stierf in 1088 op het eiland Sint Cosmas in de Loire in de buurt van de stad Tours.

Voetnoten[bewerken]

  1. a b Oxford Dictionary of the Christian Church (Oxford University Press 2005 ISBN 978-0-19-280290-3), artikel eucharistie
  2. Oxford Dictionary of the Christian Church (Oxford University Press 2005 ISBN 978-0-19-280290-3), artikel Radbertus Paschasius
  3. Oxford Dictionary of the Christian Church (Oxford University Press 2005 ISBN 978-0-19-280290-3), artikel Berengarius van Tours