Bernd Alois Zimmermann

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bernd Alois Zimmermann
Afbeelding gewenst
Algemene informatie
Volledige naam Bernd Alois Zimmermann
Geboren 20 maart 1918
Overleden 10 augustus 1970
Land Vlag van Duitsland Duitsland
Werk
Genre(s) symfonische muziek
Beroep(en) componist, muziekpedagoog
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Bernd-Alois Zimmermann, (Bliesheim, nu deelgemeente van Erftstadt, 20 maart 1918Königsdorf, nu deelgemeente van Frechen, 10 augustus 1970), was een Duits componist en muziekpedagoog. Zimmermann behoorde tot de belangrijke eenlingen binnen de klassieke muziek van de 20e eeuw. Alhoewel hij de muzikale stromingen binnen de klassieke muziek van de 20e eeuw in zijn muziek integreerde, heeft hij zich niet aangepast naar één bepaalde. Door toepassing van allerlei avant-garde-technieken van voor- en naoorlogse tijd, staat zijn kleine oeuvre geheel op zichzelf. Zijn beeld van de tijd, waarin het verleden, heden en de toekomst in gelijke mate aanwezig zijn, paste hij toe als "pluralistisch" componeren. Zijn composities vertonen dan ook overeenkomsten met collages als bedoeld in andere kunststromingen, waarbij de toepassingen vanuit alle tijdperken van de muziekgeschiedenis herkenbaar zijn en als verzameling naar een hoger plan zijn getild. Hij was daarin een van de voorlopers.

Levensloop[bewerken]

Jeugd en opleiding[bewerken]

Zimmermann groeide op in een landbouwgebied van de Vooreifel met een katholieke omgeving. Zijn vader was ambtenaar bij de Deutsche Reichsbahn. Vanaf 1929 ging hij op de kloosterschool en het pensionaat Klooster Steinfeld in een deelgemeente van Kall. Hier kreeg hij geregeld muziekonderwijs en legde de basis voor zijn grote literaire vakkennis. Toen de privéscholen in 1936 door de Nazi's gesloten werden, ging hij naar een staats-rooms-katholiek gymnasium in Keulen.

Zimmermann die aanvankelijk theologie wilde studeren, studeerde 1937 en 1938 twee semesters germanistiek en filosofie aan de hoge school voor opleiding in Bonn. Vervolgens studeerde hij schoolmuziek aan de Rheinische Musikhochschule te Keulen en tegelijkertijd aan de Universiteit van Keulen. In 1940 werd hij opgeroepen voor de dienst in het Duitse leger, vocht in Polen, Frankrijk en Rusland, maar in 1942 werd hij oneervol ontslagen als gevolg van een zware huidziekte. In de herfst van 1942 studeerde hij verder in de compositieklas van Philipp Jarnach en ook bij Lehmacher opnieuw aan de Rheinische Musikhochschule. Als gevolg van de vele studieonderbrekingen in het verdere verloop van de oorlog kon hij zijn examens eerst in 1947 doen.

Componist en leraar/docent[bewerken]

Sinds 1946 werkte hij als freelance-componist voor verschillende omroepmaatschappijen. Van 1948 tot 1950 studeerde hij tijdens de Kranichsteiner Ferienkurse für Neue Musik of Darmstädter Ferienkurse für Neue Musik bij René Leibowitz en Wolfgang Fortner, waar hij in de dodecafonie van de Tweede Weense School verdiepte, die hem fascineerde. Van 1950 tot 1952 was hij lector voor muziektheorie aan het musicologisch instituut van de Universiteit van Keulen. In 1957 kreeg hij een studiebeurs om aan de villa Massimo in Rome te studeren en te werken.

Nadat hij meerdere aanbiedingen om als compositiedocent te werken in verband met zijn onrustige geest verworpen had, werd hij in 1958 opvolger van Frank Martin als docent voor compositie aan de Rheinische Musikhochschule te Keulen, alwaar hij vier jaar later tot professor werd benoemd. Aan dit conservatorium richtte hij een seminar voor toneel-, film- en radiomuziek op. In 1960 werd hij onderscheiden met de grote kunstprijs van de deelstaat Noordrijn-Westfalen. In 1964 kreeg hij opnieuw een studiebeurs voor de villa Massimo in Rome. In 1965 werd hij opgenomen als lid van de Berlijns Academie van de Kunsten. Een aanstelling als compositieprofessor aan de Berlijns Universiteit van de Kunsten verwierp hij in 1968.

Aan het eind van de jaren '60 namen de depressies toe en voerden tot een psychische crises. Deze crises werden nog verergerd door een niet te opereren oogziekte. Zimmermann pleegde zelfmoord vijf dagen na het voltooien van de partituur voor Ich wandte mich und sah alles Unrecht, das geschah unter der Sonne een "Ecclesiastische actie" voor twee sprekers, bas solo en orkest. Een tweede opera Medea bleef daardoor onvoltooid.

Muzikale stijl[bewerken]

Zimmermann stond tussen twee muzikale wereldbeelden, omdat hij enerzijds te jong was om van de muzikale gebeurtenissen tijdens de zogenoemde Weimarrepubliek gevormd te zijn, maar hij was tegelijkertijd na het einde van de Tweede Wereldoorlog te oud, om mee te gaan in de jonge generatie. Dit vormde mede de basis van de tweespalt waarin hij zich bevond en die zijn persoonlijke en muzikale ontwikkeling sterk beïnvloed en gevormd heeft.

Hij begon met werken te schrijven in de neoclassicistische stijl en kwam onder de indrukken van de Darmstädter Ferienkurse... met de vrije atonaliteit (vanaf 1949) en de dodecafonie (vanaf 1951) tot het serialisme. In zijn werken is ook zijn voorliefde voor de jazz te herkennen (Vioolconcert [1950], Trompetconcert [1954] en de opera Die Soldaten).

In tegenstelling tot de vertegenwoordigers van de zogenoemde Darmstädter Schule (Karlheinz Stockhausen, Pierre Boulez, Luigi Nono e.a.) brak hij niet radicaal met de muzikale traditie. Aan het einde van de 1950er jaren ontwikkelde hij zijn typische persoonlijke compositiestijl, de "pluralistische klankcompositie", die bestaat uit de combinatie en opeenstapeling van muzikale tijdperken en van diverse herkomst (van muziek vanuit de gouden eeuw naar barok naar klassiek naar jazz en naar popmuziek).

Composities (Selectie)[bewerken]

Werken voor orkest[bewerken]

Werken voor harmonieorkest[bewerken]

  • 1950-1962 Rheinische Kirmestänze, voor 13 blazers

Cantates[bewerken]

  • 1947 Lob der Torheit, burlesque cantate naar Johann Wolfgang von Goethe voor solisten, gemengd koor en groot orkest
  • 1952-1957 Canto di speranza, cantate voor cello (celloconcert nr. 1) en klein orkest
  • 1957 Omnia tempus habent (cantate voor sopraan en 17 instrumenten

Muziektheater[bewerken]

Opera's[bewerken]

Voltooid in titel aktes première libretto
1958-1960
rev.1963-1965
Die Soldaten 4 bedrijven 15 februari 1965, Keulen, Stedelijk theater van de componist naar het gelijknamige schouwspel vanuit 1776 van
Jakob Michael Reinhold Lenz
Des Menschen Unterhaltsprozess gegen Gott, radio-opera 3 aktes naar Pedro Calderón de la Barca
in een bewerking van Matthias Bungart

Balletten[bewerken]

Voltooid in titel aktes première libretto choreografie
1966 Musique pour les soupers du Roi Ubu 7 delen en entrée 1968 naar het surrealistisch stuk „König Ubu“ van Alfred Jarry

Vocale Muziek[bewerken]

Liederen[bewerken]

  • 1942-1946 Fünf Lieder, voor middenstem en piano

Kamermuziek[bewerken]

  • 1959-1960 Sonate, voor cello solo
  • 1970 Vier kurze Studien, voor cello solo

Werken voor piano[bewerken]

  • 1946 Extemporale
  • 1946 Capriccio
  • 1949 Enchiridion I
  • 1951 Enchiridion II
  • 1955 Perspektiven, voor twee piano's
  • 1956 Konfigurationen
  • 1960-1964 Monologe, voor twee piano's

Elektronische muziek[bewerken]

Publicaties[bewerken]

  • Bernd Alois Zimmermann. Eigene Schriften-Bibliographie-Diskographie, in: Musik und Bildung. 10 (1978), S. 654-656.
  • "Requiem fur einen jungen Dichter", Texte, in: Neue Zeitschrift fur Musik 135 (1974), S. 12-22.

Bibliografie[bewerken]

  • Patrick van Deurzen: Tijdsaspecten in het werk van Bernd Alois Zimmermann, in: Tijdschrift voor Muziektheorie, jg. 1 (1996), nr. 2, juni 1996, pp. 98–106
  • Klaus Ebbeke: Zeitschichtung - Gesammelte Aufsätze zum Werk von Bernd Alois Zimmermann, Mainz: Im Auftrag der Stiftung Akademie der Künste, 1998. 219 S., ISBN 978-3-7957-0345-5
  • Klaus Ebbeke: Sprachfindung - Studien zum Spätwerk von Bernd Alois Zimmermann, Freie Universität (Berlin). dissertation. Mainz: 1986. 140 S., ISBN 3-7957-1793-0
  • Klaus Ebbeke: Bernd Alois Zimmermanns späte Werke, Bernd Alois Zimmermann. Köln: 1986. S. 139-151.
  • Jörn Peter Hiekel: Bernd Alois Zimmermanns "Requiem für einen jungen Dichter", Stuttgart 1995 (= Beihefte zum Archiv für Musikforschung, Band 336)
  • H. Beyer und Siegfried Mauser (Hg.): Zeitphilosophie und Klanggestalt – Untersuchungen zum Werk Bernd Alois Zimmermanns, Mainz, Schriften der Hochschule für Musik Würzburg, 1986. 146 S., ISBN 978-3-7957-1795-7
  • Ralph Paland, Fritsch, Kämper: Work in progress und Werkindividualität - Bernd Alois Zimmermanns Instrumentalwerke 1960-1965, 396 S., ISBN 978-3-7957-1898-5
  • Ralph Paland, "...ad usum delphini"? Bernd Alois Zimmermanns "Monologe" für 2 Klaviere als Transkription und Transformation der "Dialoge" für 2 Klaviere und großes Orchester, in: A. Edler und S. Meine (Hrsg.), Musik, Wissenschaft und ihre Vermittlung. Bericht über die internationale Musikwissenschaftliche Tagung der Hochschule für Musik und Theater Hannover 26.-29. September 2001, Augsburg 2002 (= Publikationen der Hochschule für Musik und Theater Hannover, Band 12), S. 267-271. ISBN 3-89639-342-1
  • Silke Hilger: Zu den Hörspielmusiken von Winfried Zillig und Bernd Alois Zimmermann, Köln: Kölner Schriften zur Neuen Musik, Band 5, 288 S., ISBN 978-3-7957-1893-0
  • Bernd Alois Zimmermann: Dokumente zu Leben und Werk, Ausstellungskatalog Nr. 152 der Akademie der Künste 1989, 212 S., ISBN 978-3-88331-958-2
  • Wulf Konold: Bernd Alois Zimmermann – Der Komponist und sein Werk, Köln: DuMont, 1986. 256 S.
  • Wulf Konold: Zimmermanns kompositorische Entwicklung. - Von den Anfangen bis zu den "Soldaten", Bernd Alois Zimmermann. Köln 1986. S. 101-107.
  • Wulf Konold: Zimmermann-Aspekte : Anmerkungen zu Persönlichkeit und Werk, in: Musik und Bildung. 10 (1978), S. 630-633.
  • Karl-Josef Müller: "Weh dem, der allein ist!" Zum letzten Werk von Bernd Alois Zimmermann, in: Beiträge zur Geschichte des Oratoriums seit Händel. Bonn: 1986. pp. 541-555.
  • Manfred Niehaus: Zimmermann als Kompositionslehrer, Bernd Alois Zimmermann. Köln 1986. S. 135-137.
  • Angelus Seipt: Pluralistisches Musiktheater - Zur Oper "Die Soldaten", Bernd Alois Zimmermann. Köln: 1986. S. 126-134.
  • Wilfried Gruhn: Zimmermann und der Kranich, Bernd Alois Zimmermann. Köln 1986. S. 109-116.
  • Wilfried Gruhn: Zur Entstehungsgeschichte von Bernd Alois Zimmermanns Oper "Die Soldaten", in: Die Musikforschung. 38 (1985), S. 8-15.
  • Wilfried Gruhn: Integrale Komposition. Zu Bernd Alois Zimmermanns Pluralismus-Begriff, in: Archiv für Musikwissenschaft. 40 (1983), S. 287-302.
  • Irmgard Brockmann: Das Prinzip der Zeitdehnung in "Tratto, Intercomunicazione, Photoptosis" und "Stille und Umkehr", in: Zeitphilosophie und Klanggestalt. Mainz 1986. S. 20-69.
  • Martin Zenck: Oratorien nach Auschwitz - Zu Bernd Alois Zimmermanns ecclesiastischer Aktion "Ich wandte mich und sah an alles Unrecht, das geschah unter der Sonne", in: Beiträge zur Geschichte des Oratoriums seit Händel. Bonn 1986. S. 557-586.
  • Walter Biemel: Bernd Alois Zimmermann : Musik und Zeit, Bernd Alois Zimmermann. Köln 1986. S. 117-125.
  • Martina Hippe: Bernd Alois Zimmermanns "Tempus loquendi ... ", in: Zeitphilosophie und Klanggestalt. Mainz 1986. S. 70-112.
  • Peter Kiesewetter: Bernd Alois Zimmermann: "Musique pour les soupers du Roi Ubu", in: Melos. 47 (1985) H. 1, S. 28-59.
  • Clemens Kuhn: Bernd Alois Zimmermann ein exemplarischen Fall?, in: Die Musik der fünfziger Jahre. Mainz 1985. S. 89-101.
  • Clemens Kuhn: Die Orchesterwerke Bernd Alois Zimmermanns - Ein Beitrag zur Musikgeschichte nach 1945, Technische Universitat (Berlin). 1977. dissertation, Hamburg: Verlag d. Musikalienhandlung Wagner 1978. 175 S.
  • Wilfried Brennecke: Komponist und Interpret - Ein Brief von B. A. Zimmermann an Tiny Wirtz, in: Musica. 38 (1984), S. 323-330.
  • Egizia Olshausen-Rossi: Zur Funktion von Sprache und Musik in Bernd Alois Zimmermanns Lingual "Requiem für einen jungen Dichter", Frankfurt am Main. 1983. dissertation. 3 MF. Mikroreprod. e. Ms 270 Bl. Mit Ill.
  • Peter Becker: Aspekte der Lenz-Rezeption in Bernd Alois Zimmermanns Oper "Die Soldaten", in: Musiktheater heute. Mainz 1982. S. 94-104.
  • Carl Dahlhaus: "Kugelgestalt der Zeit". Zu Bernd Alois Zimmermanns Musikphilosophie, in: Musik und Bildung. 10 (1978), S. 633-636.
  • Heinrich von Luttwitz: "Und das Verjagte ... "Zur Funktion der Collagen in Zimmermanns Zeitkugel, in: Mitteilungen der Arbeitsgemeinschaft fur rheinische Musikgeschichte, Nr. . 53 (1977), S. 36-43.
  • Andreas von Imhoff: Untersuchungen zum Klavierwerk Bernd Alois Zimmermanns. 1918-1970, Köln. 1975. proefschrift, Regensburg: Bosse 1976. 292 S.
  • Ursula Sturzbecher: Werkstattgespräch mit Bernd Alois Zimmermann, Köln: Musikverlage Hans Gerig, 1971.

Externe links[bewerken]