Berner Alpen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vlag van het Berner Oberland

De Berner Alpen of het Berner Oberland is een bergketen die deel uitmaakt van de Alpen. Oorspronkelijk werd de naam Berner Oberland alleen gebruikt voor de dalen van Grindelwald, Lauterbrunnen, Wengen en Mürren, maar tegenwoordig geldt de naam voor de hele noordkant van de bergketen, die gelegen is in het Zwitserse kanton Bern. De Berner Alpen zijn één van de grootste en hoogste bergmassieven in de Alpen, alleen het Mont Blancmassief en de Walliser Alpen zijn hoger.

Begrenzing[bewerken]

In het oosten gaan de Berner Alpen aan de andere kant van de Grimselpas en het Haslital over in de Urner Alpen. In het zuiden vormt het dal van de Rhône (het Wallis/Valais, waar het kanton Wallis naar genoemd is) de grens. In het noorden en noordwesten worden de Berner Alpen van de lagere Berner Vooralpen gescheiden door een grote lijn in het landschap, die de Hintere Gasse genoemd wordt. In het westen grenzen de Berner Alpen aan de lagere bergen in de kantons Vaud en Fribourg.

Lijst bergtoppen[bewerken]

De oostelijke Berner Alpen uit het noorden: van links naar rechts de toppen van de Wetterhorn, Schreckhorn, Finsteraarhorn, Fiescherhorn, Eiger, Mönch en Jungfrau.

De Berner Alpen kunnen in een westelijk en een oostelijk deel worden verdeeld, waarbij de oostelijke toppen hoger zijn dan de westelijke. Van west naar oost zijn de belangrijkste toppen:

Westelijke Berner Alpen

Oostelijke Berner Alpen

Dalen[bewerken]

Het Lauterbrunnental is een typisch voorbeeld van een trogdal, met steile wanden.

Aan de noordkant (in het kanton Bern) lopen de volgende (min of meer) noord-zuid georiënteerde dalen dood op de Berner Alpen:

Van oost naar west:

Aan de zuidkant van de Berner Alpen (in het kanton Wallis) zijn de zijdalen van het Wallis op een paar na veel kleiner dan de dalen aan de noordkant van de Berner Alpen of aan de zuidkant van het Wallis. Van oost naar west zijn een paar dalen:

Geologie en landschap[bewerken]

Gesteentes uit de Berner Alpen worden in de geologie ingedeeld bij de Helvetische Zone. Het oostelijk deel van de Berner Alpen, dat hoger en massiever is dan het westelijk deel, hoort bij het Aarmassief. Gesteentes in dit terrein zijn metamorfe gesteentes uit het Paleozoïcum, die voor de vorming van de Alpen al door de Hercynische gebergtevorming zijn gedeformeerd. Het zijn granieten, amfibolieten, gneissen en schisten. Ten noorden van deze massieven dagzomen de Helvetische Dekbladen, die voornamelijk uit Krijtaire en Jurassische kalksteen bestaan. De kalksteen dipt zeer steil tegen het kristallijne massief aan. Dit komt door de druk uit het zuidoosten bij het omhoog komen van het Aarmassief. De steil staande kalk vormt de wand van de Eiger, de Jungfrau bestaat juist uit metamorfe gesteentes van het Aarmassief.

Het westelijk deel van de Berner Alpen bestaat uit Mesozoïsche (vooral onder-Krijt) sedimentaire gesteentes, waaronder veel kalksteen.

Het verschil in geologie is te zien in het landschap. De westelijke Berner Alpen bestaan uit geïsoleerde kalkmassieven, de hoogste top is net over de 3200 m hoog. Er liggen slechts enkele gletsjers op het karstlandschap. Er voeren enkele passen voor wandelaars over deze bergen. De oostelijke Berner Alpen daarentegen bestaan uit lange bergketens met veel toppen boven de 4000 m, en talloze gletsjers, zodat er geen wegen overheen kunnen lopen. Zelfs te voet is een oversteek hier alleen te doen door ervaren klimmers.

Natuur[bewerken]

De Aletschgletsjer

In het oostelijk deel van de Berner Alpen bevinden zich (per oppervlakte) meer gletsjers dan in andere delen van de Alpen. Daaronder is de langste gletsjer van de Alpen, de Aletschgletsjer. Het gebied Jungfrau-Aletsch-Bietschhorn is in 2002 uitgeroepen tot UNESCO Werelderfgoed. Onder meer het Aletschwald is biologisch van groot belang. De Eiger, Mönch en Jungfrau zijn onder de bekendste bergen ter wereld. Dat komt doordat al sinds de 19e eeuw massaal toeristen naar de noordkant van de Berner Alpen trokken. Dit gebied was vanuit Noordwest-Europa gemakkelijk te bereiken. De Eiger is met zijn steile noordwand ook een bekend fenomeen in de klimsport.

Omdat ze aan de noordkant van de Alpen liggen, valt er meer neerslag dan in centrale en zuidelijke gebieden van de Alpen.

Verkeer en toerisme[bewerken]

In de middeleeuwen dienden de passen van de westelijke Berner Alpen al als belangrijke verkeersaders tussen het Wallis en het Berner Oberland. Omdat de handelaren die van de passen gebruik maakten vaak Alemannen waren hebben nu nog veel toppen in Franstalig gebied Duitse namen. Hoewel in het noorden alleen de dalen bevolkt werden, werden aan de zuidkant ook delen van de hellingen bewoond.

De noordkant van de Berner Alpen werd al in de periodes van de barok en romantiek een reisdoel voor dichters (Goethe), schilders (William Turner, Samuel Birmann, Caspar Wolf) en wetenschappers (Louis Agassiz, Hugi). Al snel volgde het eerste toerisme, het alpinisme is in het gebied ontstaan. De eerste expedities om toppen te beklimmen, zoals naar de Jungfrau (1811) en Finsteraarhorn (1812 en 1829) werden in het gebied georganiseerd.

De zuidkant was moeilijker te bereiken, daarom kwam het toerisme in het Wallis later op gang.

In 1894-1912 werd de Jungfraubahn gebouwd, voor een groot deel door een tunnel. Het eindstation Jungfraujoch is nog steeds het hoogste treinstation van Europa (3454 m). De Lötschbergtunnel kwam klaar in 1913.

In het oosten zijn ook een aantal stuwmeren te vinden: de (Räterichsbodensee, de Grimselsee, en de Oberaarsee).

In de twintigste eeuw ontstonden ook grote skigebieden in de westelijke Berner Alpen, zoals Crans-Montana en Les Diablerets. Ook zomers kan hier geskied worden.

Hoewel ook enkele skiplaatsen aan de zuidkant van de oostelijke Berner Alpen ontstonden, is dit gebied behalve voor wandelaars en bergklimmers nauwelijks ontsloten. Soms worden berghutten die voor wandelaars bedoeld zijn 's winters door skiërs gebruikt.

Zie ook[bewerken]