Bersiap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Javaanse revolutionaire strijders voor onafhankelijkheid. Ze zijn bewapend met bamboesperen en enkele geweren afkomstig van de Japanners (1946).

De Bersiap-periode was een gewelddadige periode in de Indonesische geschiedenis die duurde van ongeveer oktober 1945 tot begin 1946. Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 ontstond een gezagsvacuüm in het toenmalige Nederlands-Indië.

Japanse capitulatie[bewerken]

Op 15 augustus 1945 gaf Japan zich over aan de geallieerden. Aangezien er geen geallieerde of Nederlandse troepen in Indonesië aanwezig waren, maar wel de Japanse bezetters, kregen de Japanners van de geallieerden specifieke orders om de status quo te handhaven totdat geallieerde troepen arriveerden. Soekarno, Hatta, en de oudere leiders waren terughoudend om op te treden en wilden geen conflict uit lokken met de Japanners. Vice-admiraal Maeda Tadashi, vrezend voor gewelddadige jeugdgroepen en gedemoraliseerde Japanse troepen, wilde een snelle overdracht van de macht aan de oudere generatie Indonesische leiders.

Terwijl deze groep leiders, met Soekarno en Hatta, terughoudend was, wensten Republikeinse jongeren (de 'Pemuda'), onmiddellijke onafhankelijkheid. Soekarno werd door de Pemuda ontvoerd en in zijn huis op Pegangsaan Oost met succes onder pressie gezet om, twee dagen na de Japanse capitulatie, op 17 augustus de Republik Indonesia uit te roepen.

Intussen hadden de Japanners een aantal Indonesische paramilitaire organisaties opgericht teneinde hen bij te staan in de strijd met de geallieerden, zoals de Peta (Pembela Tanah Air, de Heiho, Seinendan, Keibodan, de Barisan Pelopor (oktober I943) en ook een specifiek Islamitisch korps, de Barisan Hizbullah (december 1944). Zij kregen geen vuurwapens in handen maar werden wel door Japanse instructeurs getraind. De bewapening was sober, ze bestond uit een kapmes en de bambu-runcing (runcing = spits/puntig) een in een punt geslepen bamboestok van omstreeks 2 meter lang. Het argument voor het oprichten van deze militaire en paramilitaire groepen was: de Japanse troepen steun te verlenen bij een eventuele geallieerde invasie. Het ligt voor de hand dat in deze paramilitaire milities ook zeer veel gewelddadige, roofzuchtige elementen zaten.

Onafhankelijkheidsproclamatie[bewerken]

Nadat Japan op 15 augustus 1945 gecapituleerd was riepen Soekarno en Hatta op 17 augustus de Republik Indonesia uit. Het proclameren van de onafhankelijkheid was het begin van een reeks beslissende ontwikkelingen. Japan had weliswaar gecapituleerd, maar omdat er in de daarop volgende weken nog geen geallieerde troepenmacht in zicht was, ontstond er een machtsvacuüm. Dat werd eerst opgevuld door nationale comité’s en vervolgens vooral door revolutionaire jongeren. Het mondde uit in een uiterst gewelddadige revolutionaire explosie, een poging tot vernietigende afrekening met alles wat zweemde naar enige vorm van buitenlands gezag, of dat nu Japans, Brits of Nederlands was. Het werd volstrekt duidelijk: het koloniale tijdperk was definitief voorbij.

Volkswoede[bewerken]

Toen een geallieerd vlooteskader in de baai van Batavia verscheen en de eerste Britse troepen landden,kwam het tot massale gewelddadigheden, waarbij onder Indische Nederlanders, Nederlanders, en van pro Nederlandse gezindheid verdachte Indonesiërs en Chinezen grote aantallen doden vielen. Het geweld richtte zich daarnaast ook tegen de Indonesische bestuursadel. Het aantal geregistreerde slachtoffers was 3.500. Dr L. de Jong achtte deze schatting te laag. Uitvoerig archiefonderzoek werd echter tot dusverre niet verricht. Ook het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies geeft geen uitsluitsel, maar acht een aantal van circa 5.500 slachtoffers het meest reëel.[bron?] Volgens een schatting van de Amerikaanse onderzoeker William Frederick waarvan hij in 2013 melding maakt in dagblad Trouw zou het aantal dodelijke slachtoffers meer dan 35.000 bedragen.[1] Hij en de historicus Robert Cribb reppen dan ook over "genocide".

De meeste Europese burgers zonder of bijna geen Indonesische afkomst (Totoks) zaten nog in Japanse interneringskampen (jappenkampen), door de Japanners aangeduid als beschermde wijken, waardoor onder hen relatief weinig slachtoffers zijn gevallen. Daartegenover staat dat voor velen de bevrijding pas veel later kwam toen ze werden bevrijd door Brits-Indische troepen(met name de Ghurka's). Grote aantallen "kampers" en "buiten kampers" werden echter geïnterneerd in kampen die de Republiek oprichtte. Zij kwamen pas veel later vrij.

De Indonesische Revolutie vertoonde intussen weinig samenhang. De Amerikaanse historicus B.R.O.G. Anderson schetst dat het in feite draaide om honderden revoluties, gebaseerd op honderden ad hoc gevormde strijdgroepen van pemuda. Bersiap en "siap" waren de strijdkreten: "Wees paraat!" en "Geeft acht!"

Propaganda[bewerken]

Soetomo spreekt

De moordpartijen werden in de hand gewerkt door de fel propagandistische radiouitzendingen van de zender "Radio Pemberontak" waarin openlijk werd opgeroepen tot uitroeien van alle Belanda's'" (Nederlanders) en alle Anjing Belanda's (Nederlandse honden), waarmee de Indo's werden bedoeld. De Indonesische premier Sjahrir riep op om een einde te maken aan de gewelddadigheden. In Soerabaja heerste het Komite Nasional Indonesia (KNI) en de veiligheidsorganisatie Badan Keamanan Rakjat (BKR). De macht van de Barisan Pemberontakan Rakjat Indonesia (BPRI) werd onder leiding van Soetomo, die haat en vernietiging predikte via de radio, steeds groter. Opgehitste pemoeda's trokken zich niets aan van het leger of van de politie en vergrepen zich aan de uit de kampen vrijgekomen mannen, vrouwen en kinderen (ook Indische Nederlanders). Zij waren meestal niet ouder dan veertien of vijftien en door de Japanners opgevoed.[2]

Revolutie[bewerken]

Dat er sprake was van een revolutionaire explosie met alle consequenties vandien is een notie die door de Amerikaanse historicus Anderson werd ingebracht.[3] Tot dan toe werd de onafhankelijkheidsproclamatie in de geschiedschrijving vrij breed beschouwd als het startpunt van een vrijheidsstrijd, gevoerd door een goed georganiseerde staat en leger. Uiteraard was er extreem geweld, maar dat werd toegeschreven aan criminele en losgeslagen jongeren die met de onafhankelijkheidstrijd als zodanig weinig van doen hadden. Anderson doorbrak in 1972 dit patroon. Hij wees met nadruk op het revolutionaire, chaotische en gewelddadige karakter van de opstand. Hij sprak dan ook over de `pemuda-revolution`. De jongeren, de pemuda’s, vormden daarvan de motor, niet de uitwas. Het was met deze revolutionaire explosie waarmee de Britten en Nederlanders werden geconfronteerd, nadat zij eind september op Java voet aan wal zetten.

De Indonesische Revolutie werd in de woelige maanden tussen augustus tot en met december 1945 het centrale probleem waar de betrokken partijen niet om heen konden, of zij nu Sukarno, Hatta, Sjahrir, Nederlanders, Britten of Amerikanen heetten. Vrijwel alle belangrijke ontwikkelingen en verwikkelingen die tussen 1945 en 1950 plaatsgrepen, vonden hun oorsprong in deze beslissende periode.[4][5]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. William Frederick: http://www.indonesienu.nl/nu-actueel/bersiap-nederlands-indie
  2. Hornman, W., De geschiedenis van de mariniersbrigade. Omega Boek, Amsterdam, Bladzijde 74
  3. Anderson, B.R.O.G., Java in a time of revolution, Ithaca 1972
  4. Jong de, L., Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dl. 12, Epiloog, eerste helft, hfst 7, De worsteling met de Republiek Indonesië, ’s-Gravenhage 1988
  5. Jong de, J.J.P., Diplomatie of strijd. Het Nederlandse beleid tegenover de Indonesische revolutie 1945-1947, Amsterdam 1988