Bestorming van de Bastille

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

De Bestorming van de Bastille in Parijs op 14 juli 1789 wordt vaak gezien als het symbolische beginpunt van de Franse Revolutie. Hoewel er ten tijde van de bestorming maar zeven gevangenen aanwezig waren in het middeleeuwse fort, werd de verovering van de gevangenis een symbool voor de Revolutie. In Frankrijk is Le quatorze juillet (14 juli) nog steeds een algemene feestdag, formeel bekend als het Fête de la Fédération.

Inhoud

[bewerk] Achtergrond

De bestorming van de Bastille
De bestorming van de Bastille
Zie Franse Revolutie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De revolutie was het resultaat van een periode van groeiende sociale tegenstellingen, economische crisis en onvrede onder de Franse bevolking. De Verlichting versterkte de snel toenemende klassentegenstellingen, de weerstand tegen het klassensysteem en de roep om verandering. Het groeiende verzet tegen het absolutisme werd gevoed door de onvrede over de houding van het koninklijk gezin, dat er in de ogen van het volk een schijnbaar zorgeloze en extravagante levensstijl op na hield, terwijl het land in een diepe economische crisis was beland. Voor de gewone bevolking had het financiële bankroet van de staat echter geleid tot stijgende graanprijzen en hongersnood in 1788. Op 27 en 28 april 1789 brak er een staking uit in de behangfabriek van Jean-Baptiste Réveillon in de Faubourg Saint Antoine, omdat het gerucht ging dat Réveillon de lonen wilde verlagen en in de Staten-Generaal had voorgesteld de vaste broodprijs af te schaffen en de belasting te verhogen. Zijn huis werd aangevallen en alles werd verwoest, maar Réveillon en zijn familie wisten te ontsnappen via een muur en en vluchtte op aanraden van Jacques Necker naar de Bastille. Er werd geschoten met kanonnen en er vielen waarschijnlijk meer dan honderd doden. Het was een van de bloedigste dagen in de Franse Revolutie. Op 5 mei 1789 werd voor het eerst in meer dan 175 jaar de Franse Staten-Generaal bijeengebracht om te praten over een oplossing van de financiële crisis. Op 17 juni 1789 riepen vertegenwoordigers van de Derde Stand, het volk, zich uit tot ‘Assemblee Nationale’, met het doel een grondwet te schrijven voor het land. Toen de bevolking in Parijs echter vernam dat de koning troepen had verzameld rond Parijs, en bovendien de populaire minister van Financiën Jacques Necker had ontslagen, braken er rellen uit en nam het volk de regie in eigen handen.

[bewerk] Gewelddadig verzet

Door heel Parijs kwamen mensen in grote groepen bijeen. Een groeiende menigte begaf zich naar het Place Vendôme, waar ze een Duitssprekend detachement zware cavalerie van de ‘Royal-Allemand’ (gerecruteerd uit de Alsace met een regen van stenen op de vlucht joegen. Op het Place de la Concorde werd een van de actievoerders gedood, en sneuvelde ook een soldaat. Naar verluidt kwam ook een bejaarde burger om toen de soldaten van de Royal-Allemand onder leiding van de prins van Lambesc op de groep inreden.

De demonstranten verzamelden zich in en rond het Hôtel de Ville. De leiders van de groep bleken echter niet in staat de menigte van wapens te voorzien, en er ontstond steeds meer chaos. De Nationale Assemblee was op dat moment nog steeds bijeen in Versailles, waar ze eerder de Eed op de Kaatsbaan hadden gezworen, en besloten vanaf dit moment in voortdurend beraad te blijven, om een beëindiging van hun vergadering te voorkomen. [1] De betogers vielen intussen het Hôtel des Invalides (nabij de Bastille) binnen, waar zij zo’n 29.000 tot 32.000 musketten buitmaakten, maar zonder buskruit. Toen zij niet veel later ook de Bastille belaagden, ging het dan ook voornamelijk om de meer dan 13.600 kilo buskruit die daar was opgeslagen.

[bewerk] De bestorming

In de gevangenis bevonden zich op dat moment maar zeven gevangenen. Volgens rapporten ging het om vier vervalsers, twee ‘gekken’ en een deviante aristocraat. De Marquis de Sade was tien dagen eerder overgeplaatst. Vanwege de hoge kosten van het onderhoud en de bewaking van een zo beperkt gebruik, was kort voor de bestorming al besloten dat de gevangenis gesloten zou worden. De Bastille werd echter gezien als een symbool van de koninklijke tirannie.

Gouverneur van de Bastille was de markies Bernard-René de Launay, zoon van de voorgaande gouverneur en zelf geboren in het gebouw. Het garnizoen dat de Bastille bewaakte bestond normaal gesproken uit 82 ‘invalides’, veteranen die voor de normale militaire dienst niet meer geschikt waren. Op 7 juli was het echter versterkt met 32 grenadiers van het Zwitserse Salis-Samade regiment. De muren van de Bastille waren voorzien van achttien zware en twaalf lichtere kanonnen.

De ‘lijst van overwinnaars van de Bastille’ telt zo’n 600 namen en de totale menigte die bij de bestorming betrokken was, bestond waarschijnlijk uit minder dan duizend mensen. De groep verzamelde zich rond het midden van de ochtend voor het gebouw, en eiste de overgave van de gevangenis, het verwijderen van de wapens op de muren en de overdracht van de aanwezige wapens en munitie. Twee vertegenwoordigers van de menigte werden binnengelaten om te onderhandelen, en een derde volgde met de definitieve eisen rond het middaguur. De menigte werd intussen steeds ongeduldiger.

Rond 13.30 uur stroomde de groep de buitenste hof op, die niet verdedigd werd. De kettingen van de ophaalbrug naar de binnenplaats werden doorgehakt, waarbij een ongelukkige demonstrant geplet zou zijn. Rond diezelfde tijd werden ook de eerste schoten gelost, al is onduidelijk welke kant het eerst vuurde. In ieder geval laaide het geweld op, en waren de aanwezige waarnemers niet in staat de aanvallers tot een staakt-het-vuren over te halen. Rond 15.00 uur werden de bestormers versterkt door muitende infanteristen van de ‘Gardes-Françaises’, een van de twee infanterie regimenten van de ‘huishoudtroepen’ van de koning. Ook deserteurs uit gewone eenheden voegden zich bij de menigte, en brachten wapens en twee kanonnen mee die eerder op de dag in het Hôtel des Invalides waren veroverd. Het vooruitzicht van een wederzijdse slachting bewoog gouverneur de Launay er om 17.00 uur toe een wapenstilstand op te dragen en door een gat in de binnenste poort een brief met zijn voorwaarden te overhandigen. Die voorwaarden werden door de aanvallers niet geaccepteerd maar de Launay capituleerde desalniettemin, omdat hij wist dat zijn troepen niet veel langer stand konden houden. Hij opende de poorten naar de binnenplaats en om 17.30 uur stroomden de betogers naar binnen om het fort te ‘bevrijden’.

In de bestorming zelf waren 98 aanvallers en maar één verdediger gedood. Gouverneur de Launey werd echter gevangen genomen en in een gewelddadige optocht naar het Hôtel de Ville gesleurd. Voor het Hôtel begon een discussie over zijn lot. De gekwelde Launay, die al ernstig geslagen was, riep echter ‘Genoeg! Laat me sterven!’ en schopte een banketbakker met de naam Desnot in het kruis. Daarop werd de Launay herhaaldelijk gestoken tot hij op straat neerviel. Zijn hoofd werd van zijn romp verwijderd, op een spies geprikt en door de straten gedragen. Ook drie officieren van het permanente garnizoen van de Bastille werden door de menigte gedood. Er zijn politierapporten bewaard gebleven die een gedetailleerde beschrijving geven van hun kleding en verwondingen. Twee van de ‘invalides’ of veteranen van het garnizoen werden gelyncht. De Franse Garde wist de manschappen van de Zwitserse Salis-Samade, op twee na, te beschermen. Zij mochten later terugkeren naar hun regiment. Hun officier, luitenant Louis de Fleu, schreef een gedetailleerd rapport over de verdediging van de Bastille, waarin hij (wellicht meer dan terecht was) de markies de Launay beschuldigde van zwak leiderschap. Dit rapport is bewaard gebleven in de logboeken van de Salis-Samade.

[bewerk] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:
  • Dit artikel is gebaseerd op het artikel over dit onderwerp in de Engelstalige wikipedia
 
Persoonlijke instellingen