Bestuursrecht (Nederland)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Het bestuursrecht (ook wel administratief recht) regelt de manier waarop het openbaar bestuur kan ingrijpen in de openbare rechtsorde. In tegenstelling tot de rechtspositie van burgers in het privaatrecht, waar burgers alles mogen, tenzij het bij wet verboden is, mag in het bestuursrecht een bestuursorgaan niets, tenzij het wordt toegestaan door de wet. Dit is de leer van de wetmatigheid van bestuur.
Net als het privaatrecht heeft ook het bestuursrecht een formeel, oftewel procesrechtelijk deel.
Het materiële deel van het bestuursrecht bestaat uit allerlei beleidsterreinen, bijvoorbeeld:
- belastingrecht
- Sociaal zekerheidsrecht
- verkeershandhaving
- milieuvergunningen
- ruimtelijke ordening
- asielbeleid
Nog een kenmerkend verschil met het privaatrecht is dat een privaatrechtelijke overeenkomst alleen rechtsgevolgen heeft voor de partijen bij die overeenkomst. Een besluit van een bestuursorgaan heeft altijd consequenties, hoe klein ook, voor iedere burger. Als de inspecteur van belastingen belastinggeld teruggeeft, betekent dat voor iedereen minder geld in de staatskas. Afgifte van een parkeervergunning aan iemand, betekent dat het aantal beschikbare parkeerplaatsen met 1 afneemt, en de kans voor iemand anders op een parkeervergunning wordt eveneens kleiner.
[bewerk] Geschiedenis
Het bestuursrecht is in vergelijking met andere rechtsgebieden erg nieuw. Pas door het groeien van de overheid en de daarmee gepaard gaande decentralisatie, een proces dat gaande is sinds de 19e eeuw, is de noodzaak voor een bestuursrecht ontstaan. Immers, de centrale overheid kon niet zelf meer alle taken vervullen, dit moest gedeeltelijk weer op lagere niveaus (provincie, gemeente) gebeuren.
[bewerk] In Nederland
De algemene regels van het bestuursrecht zijn terug te vinden in de Algemene wet bestuursrecht, afgekort Awb. Deze wet bestaat pas sinds 1994, daarvóór bestonden er in Nederland géén algemene regels, alles was verschillend per beleidsterrein.
Naast de algemene wet zijn er specifieke wetten en zogeheten kaderwetten. Een kaderwet is een wet die voor een bepaald beleidsterrein "algemene" regels stelt. De Algemene Wet inzake Rijksbelastingen is een voorbeeld van een kaderwet, de Wet op de Loonbelasting is een specifieke wet.
Het bestuursrecht draait in Nederland om het besluit. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan dat een publiekrechtelijk rechtsgevolg heeft (art. 1:3 Awb). Stel, de gemeente koopt een doos potloden, dan is dat geen besluit, want de overheid treedt hier op binnen het privaatrecht. Als het college van burgemeester en wethouders een taxivergunning afgeeft, dan is dat wel een besluit, omdat een vergunning wel publiekrechtelijk is. Burgers kunnen elkaar geen taxivergunningen verlenen.
Besluiten zijn te verdelen in:
- besluiten van algemene strekking, en
- beschikkingen.
Beschikkingen hebben maar één direct belanghebbende, of een kleine, concrete groep direct belanghebbenden. Bijvoorbeeld: de afgifte van een parkeervergunning, deze richt zich specifiek op één auto. Andere besluiten zijn besluiten van algemene strekking. Of er sprake is van een beschikking of een b.a.s., is niet altijd duidelijk. Hiertoe kan gebruik gemaakt worden van deze drie criteria:
- persoonscriterium
- zaakscriterium
- samenhangcriterium
[bewerk] Bestuursorganen
Het bestuursrecht valt onder het publiekrecht. Om te bepalen of je met een bestuursorgaan te maken hebt, kijk je eerst of er sprake is van een publiekrechtelijke rechtspersoon (art. 2:1 lid 1 + 2 BW: de Staat, de provincie, gemeente en waterschap) (art. 1:1 lid 1 sub a Awb.) of gewoon een persoon of college met openbaar gezag bekleed (art. 1:1 sub b Awb.). De organen die in ieder geval geen bestuursorganen zijn, staan vermeld in art. 1:1 lid 2 Awb. en dit zijn o.a. de Eerste Kamer en de Tweede Kamer.
De organen van de gemeente, dus bestuursorganen, zijn (art. 6 Gemeentewet): de burgemeester, de gemeenteraad en het college van B&W. De wethouder is geen bestuursorgaan.
De organen van de provincie, dus bestuursorganen, zijn (art. 6 Provinciewet): de Commissaris van de Koningin (CvdK), Provinciale Staten (P.S.) en het college van Gedeputeerde Staten (G.S.).
De organen van het waterschap, dus bestuursorganen, zijn (art. 10 Waterschapswet): een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter
De organen van de staat, dus bestuursorgaan, zijn volgens de Grondwet: Regering, Minister, Staatssecretaris.
[bewerk] Belanghebbende
Als je belanghebbende bent moet je denken aan de volgende afkorting OPERA
- Objectief: Je niet laten beïnvloed door eigen gevoel of door vooroordelen.
- Persoonlijk: je onderscheiden van de massa, zichtbaar tastbaar belang.
- Eigenbelang: het moet gaan om je eigen belang en niet van een ander!!
- Rechtstreeks: het moet je rechtstreeks raken en niet indirect (er moet causaal verband zijn).
- Actueel: het belang bij het te nemen besluit dient al daadwerkelijk te bestaan en niet een toekomstig of nog onzeker belang te zijn.
Bij het begrip belanghebbende maken we onderscheid tussen een eigen belang, een persoonlijk belang, een concreet belang (objectief belang) en een direct geraakt belang (art. 1:2 Awb.jo 3:8 Awb, Direct geraakt belang = het moet echt de geadresseerde van het besluit zijn, die het betreft en er mag dus geen ander besluit of andere overeenkomst tussen zitten).
- Natuurlijke personen en bedrijven zonder rechtspersoonlijkheid (bijv. eenmanszaken) moeten aan alle vier vormen van belang voldoen, om als belanghebbende bij een besluit te kunnen worden beschouwd.
- Rechtspersonen die slechts opkomen voor een eigen belang, hoeven slechts te voldoen aan de eisen van concreet en direct belang.
Rechtspersonen die volgens de statuten een algemeen belang dienen, bezitten dit algemeen belang als hun eigen en persoonlijk belang (art. 1:2 lid 3 Awb.) en moeten verder nog een concreet en direct geraakt belang hebben.
- Rechtspersonen die opkomen voor een collectief belang van hun leden, bezitten dit collectief belang als hun eigen en persoonlijk belang (art. 1:2 lid 3 Awb.) en moeten verder nog een concreet en direct geraakt belang hebben.
- Voor bestuursorganen geldt, dat de hun toevertrouwde belangen als hun eigen en persoonlijk belang gelden (art. 1:2 lid 2 Awb.) en ze moeten verder nog een concreet en direct geraakt belang hebben.
[bewerk] Besluit
Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan (zie hiervoor), dat een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt (art. 1:3 lid 1 Awb.). Mondelinge besluiten en tekens zijn dus geen besluiten. Een stempel kan daarentegen wel weer een besluit zijn. De woorden “publiekrechtelijke rechtshandeling” houden in, dat er sprake moet zijn van een beoogd publiekrechtelijk rechtsgevolg. Hierbuiten vallen:
- beslissingen tot het verrichten van een niet op rechtsgevolg gerichte handeling.
- (bloot) feitelijke uitvoeringshandelingen.
- mededelingen (individueel en algemeen).
Aan een besluit gaat eerst een aanvraag vooraf (art. 1:3 lid 3 Awb.): “een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.”
Een beschikking (art. 1:3 lid 2 Awb.) is een besluit van individuele en concrete strekking. Daarbinnen onderscheiden we nog de persoonsgerichte beschikking, die tot één of meer personen is gericht of een groep personen die niet uitgebreid kan worden, en de zaaksgerichte beschikking die is gericht op de wijziging van de juridische status van een zaak.
Aan de beschikking gaat dus ook een aanvraag vooraf en deze moet schriftelijk ingediend worden (art. 4:1 Awb.). Verder kan het ook eventueel met een aanvraagformulier (art. 4:4 Awb.). Als de verstrekte gegevens onvoldoende zijn, kan het bestuursorgaan beslissing de aanvraag niet in behandeling te nemen, als het de burger in de gelegenheid heeft gesteld het verzuim te herstellen (art. 4:5 lid 1 Awb.).
Daarna volgt de voorbereidend onderzoek. Dit vloeit voort uit het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb.) en dit is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (a.b.b.b.). De aanvrager en derden met een rechtstreeks belang moeten worden gehoord (art. 4:7 en 4:8 Awb.), tenzij er sprake is van een spoedeisend belang (art. 4:11 Awb.) of van financiële beschikkingen, waar tegen bezwaar of administratief beroep openstaat (art. 4:12 Awb.).
Vervolgens beslist het bestuursorgaan binnen een redelijke termijn, en in ieder geval binnen acht weken na de aanvraag (art. 4:13 Awb.).
Bij wettelijk voorschrift of besluit van het bevoegde bestuursorgaan kan worden bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd vóór het nemen van het besluit (art. 3:10 lid 1 Awb.). De voorbereiding van het besluit geschiedt dus in het openbaar en van de terinzagelegging van de aanvraag/het ontwerp (art. 3:11 lid 1 Awb.), wordt kennis gegeven (art. 3:12 lid 1 Awb.). Er wordt daarin aangegeven, wie inspraak mogen geven bij de voorbereiding tot het nemen van het besluit (art. 3:12 lid 3 sub b Awb.). Dit zijn in ieder geval belanghebbenden gedurende zes weken vanaf het moment van terinzagelegging (art. 3:16 lid 1 Awb.). Binnen zes maanden na de aanvraag beslist het bestuursorgaan (art. 3:18 lid 1 Awb.). En na de bekendmaking van het besluit, treedt het in werking (art. 3:40 Awb.).
Soms wordt er door het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit het advies ingewonnen van een adviseur (art. 3:5 Awb.) en het bestuursorgaan stelt de benodigde gegevens beschikbaar aan de adviseur (art. 3:7 Awb.). De naam van de adviseur wordt dan wel vermeld in het betreffende besluit (art. 3:8 Awb.).
Als een besluit geen beschikking is, is het een besluit van algemene strekking. Hierbij kan eveneens bij wettelijk voorschrift of besluit van het bevoegde bestuursorgaan worden bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd vóór het nemen van het besluit (art. 3:10 lid 1 Awb.). De voorbereiding van het besluit geschiedt dus in het openbaar en van de terinzagelegging van de aanvraag/het ontwerp (art. 3:11 lid 1 Awb.), wordt kennis gegeven (art. 3:12 lid 1 Awb.). Er wordt daarin aangegeven, wie inspraak mogen geven bij de voorbereiding tot het nemen van het besluit (art. 3:12 lid 3 sub b Awb.). Dit zijn in ieder geval belanghebbenden gedurende zes weken vanaf het moment van terinzagelegging (art. 3:16 lid 1 Awb.). Binnen zes maanden na de aanvraag beslist het bestuursorgaan (art. 3:18 lid 1 Awb.). En na de bekendmaking van het besluit, treedt het in werking (art. 3:40 Awb.).
Soms wordt er door het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit het advies ingewonnen van een adviseur (art. 3:5 Awb.) en het bestuursorgaan stelt de benodigde gegevens beschikbaar aan de adviseur (art. 3:7 Awb.). De naam van de adviseur wordt dan wel vermeld in het betreffende besluit (art. 3:8 Awb.).
Er zijn een aantal beslissingen, die geen besluiten zijn, maar daarmee wel gelijkgesteld zijn.
De beschikking tot afwijzing van een verzoek tot het geven van een beschikking (aanvraag) (art. 1:3 lid 3 Awb.) wordt gelijkgesteld met een besluit.
Verder wordt alleen voor bezwaar en beroep (het bestuursprocesrecht) “de schriftelijke weigering een besluit te nemen” gelijkgesteld met een besluit, dus ook een besluit van algemene strekking (art. 6:2 aanhef en sub a Awb.). Daarnaast kan men ook bezwaar en beroep instellen tegen de fictieve weigering (het niet tijdig nemen) van een besluit op grond van art. 6:2 sub b Awb.
Verder gelden als besluiten nog de beslissing inzake vergoeding voor onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) en een schriftelijke beslissing die is genomen op basis van een vermeend onrechtmatig besluit.
Een bestuursorgaan kan ook regels vaststellen, door middel van zogenaamde algemeen verbindende voorschriften (a.v.v.’s) (wetgeving in materiële zin). Dit noemt men “bestuurswetgeving”. De bevoegdheid hiertoe is altijd op een landelijke wet in formele zin gebaseerd, zoals de Grondwet. Een voorbeeld is een Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) in een gemeente.
Daarbuiten vallen de beleidsregels (art. 1:3 lid 4 Awb.): deze worden “bij besluit” vastgesteld (art. 1:3 lid 4 Awb.) en het bestuursorgaan is hiertoe bevoegd (art. 4:81 Awb.). Beleidsregels zijn geen algemeen verbindende voorschriften, omdat naleving ervan niet verplicht is en de beleidsregel houdt een regel in omtrent het gebruik van een reeds bestaande bevoegdheid.
[bewerk] Subsidies
De subsidie houdt in dat men recht heeft op financiële middelen van een bestuursorgaan met het oog op financiering van bepaalde activiteiten (art. 4:21 lid 1 Awb.). De subsidie heeft altijd een wettelijke basis (art. 4:23 lid 1 Awb.).
Per subsidietijdvak wordt er een ‘subsidieplafond’ (maximaal te ontvangen subsidie) vastgesteld (art. 4:22 Awb.). Het subsidieplafond wordt vóór het begin van elk subsidietijdvak vastgesteld (art. 4:27 lid 1 Awb.).
Bij subsidies zijn er twee soorten beschikkingen mogelijk:
- Beschikking omtrent subsidieverlening (art. 4:29 en volgende Awb.). Deze kan worden ingetrokken (art. 4:48 Awb.).
- Beschikking omtrent subsidievaststelling (art. 4:42 en volgende Awb.): het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld en geeft aanspraak op betaling (art. 4:42 Awb.), binnen vier weken na de vaststelling van de subsidie (art. 4:52 lid 2 Awb.), waarbij betaling in gedeelten mogelijk is.
Intrekking van zo'n beschikking is eveneens mogelijk (art. 4:49 Awb.). Door het subsidie verstrekkende bestuursorgaan kunnen verplichtingen worden opgelegd aan het ontvangende bestuursorgaan (art. 4:37 e.v. Awb.).
Bij een subsidie aan een rechtspersoon (bijv. stichting) worden toezichthouders aangewezen door het bestuursorgaan (art. 4:59 Awb.).
De aanvraag moet uiterlijk drie maanden vóór de aanvang van het boekjaar geschieden (art. 4:60 Awb.). Hierbij moet een activiteitenplan worden vastgesteld (art. 4:61 lid 1 sub a + 4:62 Awb.).
Vervolgens wordt de subsidie verleend (art. 4:66 en volgende Awb.): de subsidie wordt slechts verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid (art. 4:66 Awb.). Ze kan voor 1 boekjaar of meerdere boekjaren worden verleend (art. 4:67 lid 1 Awb.).
Het boekjaar staat gelijk aan het kalenderjaar (art. 4:68 Awb.). De subsidieontvanger is verplicht de administratie bij te houden (art. 4:69 Awb.) en moet verschillen tussen werkelijke en begrote uitgaven meteen melden aan het subsidieverstrekkende bestuursorgaan (art. 4:70 Awb.).
De subsidie wordt per boekjaar vastgesteld (art. 4:73 Awb.) en binnen zes maanden na afloop van het boekjaar moet een aanvraag worden gedaan tot subsidievaststelling (art. 4:74 Awb.). De aanvraag moet een financieel verslag (balans + exploitatierekening) en een activiteitenverslag bevatten. De subsidieontvanger moet het financiële verslag door een accountant laten onderzoeken.
[bewerk] Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
- Zorgvuldige voorbereiding (art. 3:2 Awb.): het bestuursorgaan moet bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren (zie hiervoor bij de voorbereiding tot het nemen van een besluit). Dit valt onder het zorgvuldigheidsbeginsel.
- Zorgvuldige besluitvorming: de plicht tot belangenafweging (art. 3:4 lid 1 Awb.) + arrest Doetinchemse woonruimteverordening (HR 25-2-1949, NJ 1949, 558). Hierbij gaat het om het toekennen van gewicht aan de verschillende belangen. Hieruit vloeien weer twee beginselen voort:
- Het verantwoordelijkheidsbeginsel: rekening houden met de eisen die het orgaan aan wie verantwoording moet worden afgelegd, aan de belangenafweging stelt.
- Legaliteitsbeginsel: het bestuursorgaan moet zich aan het recht houden bij de uitoefening van zijn bevoegdheid (geschreven + ongeschreven recht).
- Het verbod op misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir) (art. 3:3 Awb.): wanneer het bestuursorgaan de bevoegdheid voor een ander doel gebruikt dan waarvoor ze is verleend. De bevoegdheid van het bestuursorgaan staat meestal in een wet, zoals de Gemeentewet of Provinciewet.
Algemeen verbindende voorschriften mogen niet worden getoetst aan een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Verder heeft een bestuursorgaan nog een doorzendplicht als het iets ontvangt, wat niet voor hem bestemd is (art. 2:3 Awb.). Dit is geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Bestuursorganen gebruiken in hun contact met de burgers de Nederlandse taal (art. 2:6 Awb.) en de Friese taal mag gebruikt worden als het bestuursorgaan in de provincie Friesland is gevestigd (art. 2:7 Awb.).
Elektronisch verkeer (bijv. per e-mail) tussen het bestuursorgaan en de burger is ook mogelijk, als de burger die mogelijkheid heeft geopend (art. 2:14 lid 1 Awb.).
[bewerk] Het toegepaste rechtsgebied door het bestuur
Bij de relatie overheid – burger kunnen twee rechtsgebieden worden toegepast: privaatrecht en publiekrecht. Dit zijn de twee wegen die de overheid kan bewandelen.
Vóór het zogenaamde “Windmill-arrest” uit 1990, was de overheid vrij in de keuze tussen privaatrecht en publiekrecht, ook als er een specifieke publiekrechtelijke regeling was. De enige beperking hierbij was, dat de privaatrechtelijke bevoegdheden de publiekrechtelijke regeling niet op onaanvaardbare wijze mocht doorkruisen. En er gold een ongeschreven regel van minimale belangenaantasting: de overheid mocht nooit het privaatrecht toepassen, als dit voor de burger minder bescherming zou bieden dan het publiekrecht.
De regels hierbij zijn gevormd door de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hieronder volgen een paar rechtsregels:
Wanneer iets (bijv. verhaal van kosten) langs publiekrechtelijke weg is uitgesloten, is dat ook niet mogelijk langs privaatrechtelijke weg (arrest “Rize K.”, HR 11-12-1992, AB 1993, 301).
Aan het zwijgen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) over het wel of niet toestaan om contractueel (privaatrechtelijk) verdergaande eisen in te stellen, leidde de Hoge Raad af dat deze wet hieraan niet in de weg staat (“Lelystad-arrest”, HR 8-7-1991, NJ 1991, 691).
Deze arresten zijn dus na het Windmillarrest (HR 26-1-1990, NJ 1991, 391) gewezen.
De beperkingen bij het toepassen van het privaatrecht door de overheid zijn:
- Er kan strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW), ook op grond van bestuursrechtelijke regels.
- Wanneer een beding deel uitmaakt van algemene voorwaarden zijn de regels voor de algemene voorwaarden uit het Burgerlijk Wetboek (afd. 6.5.3) ook van toepassing.
- Verder zijn ook de regels van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) en wanprestatie/contractbreuk (art. 6:74 BW) van toepassing.
- De overheid is bij het privaatrecht ook gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (a.b.b.b.'s). (zie hiervoor).
[bewerk] Bestuursbevoegdheden
Het bestuursorgaan verkrijgt zijn bevoegdheid door middel van “attributie”. En via mandaat of delegatie kan het bestuursorgaan beschikken over zijn bevoegdheid en aan een ander overdragen.
Het verschil tussen delegatie en mandaat is, dat bij delegatie degene die de bevoegdheid ontvangt, deze onder zijn eigen verantwoordelijkheid gaat uitoefenen (art. 10:13 Awb.). En bij mandaat blijft het overdragende bestuursorgaan echter nog steeds verantwoordelijk (art. 10:1 Awb.).
[bewerk] Delegatie
Uit de wet moet blijken, dat het bestuursorgaan bevoegd is tot delegatie (art. 10:15 Awb.). Dit geldt ook voor subdelegatie (onderdelegatie): degene aan wie gedelegeerd is, delegeert weer aan een ander.
- Delegatie aan ondergeschikten is niet toegestaan (art. 10:14 Awb.).
- Wanneer een bestuursorgaan zijn bevoegdheid heeft gedelegeerd, dan kan het deze bevoegdheid niet meer uitoefenen (art. 10:17 Awb.).
Aan de delegatie kunnen voorwaarden worden verbonden, d.m.v. een geclausuleerde delegatie. Het bestuursorgaan kan het delegatiebesluit altijd weer intrekken (art. 10:18 Awb.).
[bewerk] Mandaat
Er zijn drie soorten mandaat:
- Beslissingsmandaat: de beslissing wordt geheel overgelaten aan de gemandateerde.
- Uitvoeringsmandaat: de mandaatgever neemt zelf de principebeslissing, maar laat de nadere formulering en de motieven daartoe aan de gemandateerde over.
- Ondertekeningsmandaat: de verleende machtiging houdt niet meer in dan ondertekening namens de mandaatgever.
Bij een mandaat worden er in naam van een bestuursorgaan (mandaatgever) besluiten genomen (art. 10:1 Awb.). Voor mandaatverlening is geen wettelijke grondslag vereist, zoals bij delegatie. De mandaatgever blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen, in tegenstelling tot bij delegatie (art. 10:7 Awb.).
Bij mandaat van verschillende personen mag van hen worden verlangd dat ze een gelijk beleid voeren bij de uitoefening van hun bevoegdheid.
Alleen voor de verlening van een algemeen mandaat geldt de eis, dat dit schriftelijk moet zijn (art. 10:5 lid 2 Awb.) en dit geldt ook voor de intrekking ervan (art. 10:8 lid 2 Awb.).
Met toestemming van de mandaatgever, mag de gemandateerde zijn mandaat ook weer aan een ander overdragen d.m.v. ondermandaat (art. 10:9 lid 1 Awb.).
Hoe het bestuursorgaan de betreffende bevoegdheid mag gebruiken, blijkt uit de regelgeving die op de bestuursbevoegdheid van toepassing is. De speelruimte (discretionariteit), die het bestuursorgaan bij zijn bevoegdheid uitoefenen heeft, onderscheidt men in beoordelingsruimte en beleidsvrijheid (“naar het oordeel van”, “achten” en “vinden”). Bij beoordelingsruimte toetst de rechter integraal (volledig) of het betreffende bestuursorgaan zijn bevoegdheid juist heeft gebruikt.
Bij beleidsvrijheid toetst de rechter marginaal (terughoudend) of het betreffende bestuursorgaan in redelijkheid tot het betreffende besluit heeft kunnen komen.
Verder is er nog speelruimte bij de handeling van het bestuursorgaan: beleidsruimte en beleidsvrijheid.
[bewerk] Openbaarheid van bestuur
Op grond van art. 110 Grondwet moet dit door Nederland wettelijk geregeld zijn. Dit is gebeurd in de Wet Openbaarheid van Bestuur (W.O.B.) uit 1992.
In de toekomst zal de inhoud van deze wet een plaats krijgen in hoofdstuk 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb.) inzake het “verkeer tussen burgers en bestuursorganen”.
Er wordt binnen de wet onderscheid gemaakt tussen actieve openbaarheid (informatie uit eigen beweging): art. 2 + 8 W.O.B. en passieve openbaarheid. Hierbij gaat het om a.v.v.'s, provinciale verordeningen (art. 136 lid 2 Provinciewet) en gemeentelijke verordeningen (art. 139 lid 2 Gemeentewet). Verder nog adviezen van de Raad van State (art. 25a – 25b Wet op de Raad van State) en talloze milieubeschikkingen (art. 19.1 Wet milieubeheer).
De W.O.B. kent een “informatiestelsel” en geen documentenstelsel zoals de Archiefwet 1962: op grond van de W.O.B. is er slechts een recht op informatie uit documenten.
De passieve openbaarheid houdt in, dat de burger op verzoek informatie kan krijgen. In art. 1a W.O.B. staat aangegeven welke bestuursorganen onder de wet vallen. De burger kan zich echter ook richten tot een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf (art. 3 lid 1 W.O.B.). De bestuurlijke aangelegenheid moet worden vermeld bij het verzoek tot informatie (art. 3 lid 2 W.O.B.). Aangezien de wet slechts op bestuurlijke aangelegenheden ziet, valt het privaatrechtelijk overheidshandelen er in ieder geval buiten.
De burgers hebben allemaal een gelijk recht op informatie en men hoeft dus geen belanghebbende te zijn. Als een document voor de één openbaar is, is het ook voor een ander openbaar.
Na ontvangst van het verzoek tot informatie, geldt een beslistermijn van twee weken op het verzoek en deze termijn kan nog met twee weken worden verlengd, dus in totaal vier weken (art. 6 W.O.B.). Hierna is er sprake van fictieve weigering door het bestuursorgaan en kan hiertegen bezwaar en beroep instellen (art. 6:2 sub b Awb.). Een beslissing op een verzoek tot informatie is een besluit en wel een beschikking (art. 1:3 lid 2 Awb.).
Alle documenten vallen onder een verzoek op grond van de W.O.B. (art. 1 lid 1 sub a). Adviezen van de Raad van State en andere adviescommissies van vóór 1 mei 1980 hoeven echter niet openbaar gemaakt te worden (art. 13 W.O.B.).
Het verzoek tot informatie kan worden geweigerd op een aantal gronden, waarbij men onderscheid maakt tussen “absolute weigeringsgronden” en “relatieve weigeringsgronden”.
De absolute weigeringsgronden (art. 10 lid 1 W.O.B.) zijn onder andere: - gevaar voor de Kroon (regering + Koninklijk Huis) bij openbaarmaking van de gegevens.
- schade voor de staatsveiligheid bij openbaarmaking van de gegevens.
- vertrouwelijk medegedeelde bedrijfs- en fabricagegegevens.
De relatieve weigeringsgronden (art. 10 lid 2 W.O.B.) houden in, dat het gaat om een weigering na een belangenafweging tussen enerzijds het algemene publieke belang van de openbaarheid en anderzijds het in de uitzonderingsgrond geformuleerde bijzondere belang. Wanneer onder andere de “opsporing en vervolging van strafbare feiten” (art. 10 lid 2 sub c W.O.B.) en “de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer” (art. 10 lid 2 sub e W.O.B.) zwaarder weegt dan het belang van de burger bij de informatie, wordt deze informatie uit de documenten niet vrijgegeven.
Persoonlijke beleidsopvattingen worden ook niet vrijgegeven (art. 11 lid 1 W.O.B.).
[bewerk] Handhaving
In hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht is de handhavingsbevoegdheid door bestuursorganen vastgelegd.
Met het toezicht op de naleving van bestuursrechtelijke regels zijn toezichthouders belast (art. 5:11 Awb.) en deze moeten zich altijd kunnen legitimeren (art. 5:12 lid 1 Awb.).
In de Algemene wet bestuursrecht zijn alleen bestuursrechtelijke (administratieve sancties) opgenomen. Deze hebben een wettelijke grondslag nodig: legaliteitsbeginsel.
Sancties zijn over het algemeen facultatief en niet verplicht: het bestuursorgaan zal over het algemeen zelf uitmaken of het een sanctie zal treffen of niet.
We onderscheiden de reparatoire (herstel-) sancties en de punitieve (strafrechtelijke) sancties.
De herstelsancties zijn nu al opgenomen in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij wordt de overtreding hersteld tot de situatie van vóór de overtreding. Herstelsancties zijn: bestuursdwang en de dwangsom.
Punitieve sancties hebben tot doel een persoon te straffen. Hierop is art. 6 EVRM van toepassing. Een voorbeeld hiervan is de bestuurlijke boete die in de toekomst in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht zal worden opgenomen. Hierbij geldt een toerekenbaarheidsvereiste (eisen van schuld en verwijtbaarheid). Twee of meer punitieve sancties ter zake van hetzelfde feit zijn in strijd met het “ne bis in idem”-beginsel (art. 68 Wetboek van Strafrecht).
Bestuurlijke en punitieve sancties kunnen wel samengaan, tenzij uitzonderingen op grond van de wet gelden hierover (bijv. art. 27d Wet boeten en maatregelen sociale zekerheid).
[bewerk] Bestuursdwang
Het bestuursorgaan handelt feitelijk om op te treden tegen hetgeen in strijd met het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten (art. 5:21 Awb.).
Er is slechts een bevoegdheid tot bestuursdwang “bij of krachtens de wet” (art. 5:22 Awb.).
Aan het toepassen van bestuursdwang gaat een beschikking vooraf (art. 5:24 Awb.). De kosten van bestuursdwang zijn voor de overtreder (art. 5:25 lid 1 Awb.). Deze kosten kunnen bij dwangbevel gevorderd worden door het bestuursorgaan (art. 5:26 lid 1 Awb.). Dit kan ook op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), als de overtreding tevens een onrechtmatige daad oplevert (toerekenbaarheid, schade, handeling in strijd met wet/goede zeden/maatschappelijk betamelijke).
Bij een gemeente is het college van B&W (burgemeester en wethouders) (gemeentebestuur) bevoegd tot bestuursdwang (art. 125 lid 1 Gemeentewet) en de burgemeester van de betreffende gemeente wanneer het één van zijn bevoegdheden aangaat (art. 125 lid 3 Gemeentewet).
Bij een provincie is het college van GS (Gedeputeerde Staten) (provinciebestuur) bevoegd (art. 122 lid 1 Provinciewet) en de Commissaris van de Koningin (CvdK) is bevoegd wanneer het één van zijn bevoegdheden aangaat (art. 122 lid 4 Provinciewet).
[bewerk] Dwangsom (herstelsanctie)
In plaats van bestuursdwang kan het bestuursorgaan aan de overtreder een dwangsom opleggen (art. 5:32 Awb.). Men kan niet zowel een dwangsom opleggen als bestuursdwang toepassen (art. 5:31 en 5:36 Awb.).
[bewerk] Intrekking van een begunstigende beschikking (vergunning)
Een andere sanctie kan zijn, dat het bestuursorgaan een eerder verleende begunstigende beschikking (vergunning) intrekt. Deze intrekking kan met terugwerkende kracht (ex tunc) plaatsvinden, maar ook vanaf het moment van intrekking de geldigheid van de vergunning ontnemen is mogelijk (ex nunc) d.m.v. opzegging. Wanneer er in een wet iets is opgenomen over intrekking van vergunningen, is intrekking slechts mogelijk via die weg en die gronden. Een voorbeeld is art. 59 Woningwet inzake de intrekking van een bouwvergunning.
Wanneer de wet er echter over zwijgt, hangt het van de interpretatie van die wet en de aard van de beschikking af. De vergunning kan in zo'n geval worden ingetrokken om de volgende gronden: - de beschikking is op grond van onjuiste gegevens verleend, de juiste gegevens hadden tot een weigering van de vergunning geleid en de betrokkene kan van die onjuiste of onvolledige opgave in redelijkheid een verwijt worden gemaakt.
De intrekking van een begunstigende beschikking, zoals een vergunning, kan zowel een reparatoir als een punitief karakter hebben.
[bewerk] Toezicht op het bestuur
Een hoger bestuursorgaan heeft de mogelijkheid in het besturen door een ander bestuursorgaan in te grijpen.
Dit kan zowel d.m.v. positief als d.m.v. negatief toezicht. Het positieve toezicht houdt in, dat er via een aanwijzing of een bevel een bepaald positief handelen van een ander bestuursorgaan wordt afgedwongen.
Het negatieve toezicht valt uiteen in een preventief toezicht (vooraf) en een repressief toezicht (achteraf).
[bewerk] Preventief toezicht
- Goedkeuring van besluiten (art. 10:25 en volgende Awb.): besluiten kunnen slechts bij of krachtens de wet aan goedkeuring worden onderworpen (art. 10:26 Awb.).
- Een goedkeuring voor bepaalde tijd, onder voorwaarden en intrekking van goedkeuring zijn niet toegestaan (art. 10:29 lid 2 Awb.).
- Een rechterlijke uitspraak heeft voorrang boven een goedkeuringsbesluit (art. 10:28 Awb.).
- Een goedkeuringsbesluit wordt vaak gegeven in een verklaring van geen bezwaar.
- Toestemming: het hogere bestuursorgaan kan aan bepaalde besluiten van lagere bestuursorganen zijn toestemming verbinden.
[bewerk] Repressief toezicht
Vernietiging (art. 10:33 en volgende Awb.): spontane vernietiging is niet hetzelfde als administratief beroep (art. 1:5 lid 2 Awb.). De verschillen tussen beide begrippen zijn:
- Bij administratief beroep is het hoofddoel rechtsbescherming en bij vernietiging bestuurlijk toezicht.
- Bij vernietiging is er geen initiatief van de belanghebbende nodig en bij administratief beroep wel.
- Bij administratief beroep heeft de appellant aanspraak op een beslissing en bij vernietiging niet.
- Bij administratief beroep zijn er beroepsgronden en bij vernietiging zijn er vernietigingsgronden (art. 10:35 Awb.): strijd met het recht en strijd met het algemeen belang.
- De vernietiging kan alleen op grond van een wet in formele zin geschieden (art. 10:34 Awb.).
Een besluit waartegen nog bezwaar of administratief beroep openstaat, kan niet worden vernietigd (art. 10:38 lid 2 Awb.).
Schorsing (art. 10:43 en volgende Awb.): Gedurende het onderzoek tot vernietiging kan een besluit niet worden geschorst (art. 10:43 Awb.). De schorsingsduur wordt bepaald bij het schorsingsbesluit, mag niet langer zijn dan 1 jaar en kan worden opgeheven (art. 10:44 Awb.).
[bewerk] Bestuursprocesrecht
Op het bestuursprocesrecht is art. 6 EVRM van toepassing. Dit houdt in, dat alleen burger hierop een beroep kunnen doen (arrest Aral, HR 6-2-1987, AB 1987, 272). Hieruit vloeien een aantal eisen voor inzake ‘fair trial’:
- openbaarheid van de zitting (lid 1).
- hoor en wederhoor tijdens een mondelinge behandeling of zitting (lid 2)
- rechtspraak in twee feitelijke instanties en binnen een redelijke termijn (lid 3)
Bestuursorganen kunnen zowel als verweerder als in de hoedanigheid van eiser optreden.
[bewerk] Gedragingen van bestuursorganen die voor bezwaar en beroep vatbaar zijn
Voor bezwaar en beroep vatbaar, zijn ten eerste: besluiten (art. 1:3 Awb.) (zie voor dit begrip, hiervoor). Ten tweede algemeen verbindende voorschriften (a.v.v.'s): Algemene maatregelen van bestuur (Amvb's), verordeningen van ministers, gemeenteraden, provinciale staten, waterschapsbesturen en andere organen.
[bewerk] Beroepsgerechtigden
Mensen die bezwaar en beroep in kunnen stellen, zijn altijd belanghebbenden (art. 1:2 Awb.) (zie voor dit begrip hiervoor).
[bewerk] Bezwaar- en beroepstermijn
De termijn van bezwaar en beroep is in hoofdstuk 6 van de Algemene wet bestuursrecht geregeld. De duur van de termijn bedraagt zes weken (art. 6:7 Awb.). Begin van deze termijn: de dag na de peildatum (art. 6:8 Awb.) en de peildatum is de dag waarop het besluit is bekendgemaakt (art. 3:41; 3:42; 3:43 Awb.), want dan treedt het besluit in werking (art. 3:40 Awb.).
Wanneer er eerst goedkeuring moet zijn van een hoger bestuursorgaan, kan daartegen geen bezwaarschrift worden ingediend (art. 7:1 lid 1 sub b Awb.) en gaat de beroepstermijn in op de dag van bekendmaking van het goedkeuringsbesluit. (art. 6:8 lid 3 Awb.).
- Voortijdig ingediend (prematuur) bezwaar- of beroepschrift: er volgt geen ‘niet-ontvankelijkheidsverklaring’ wanneer het besluit al tot stand gekomen is of de burger redelijkerwijs kon verwachten dat het besluit tot stand zou komen (art. 6:10 Awb.).
- Te laat ingediend bezwaar- of beroepschrift: niet-ontvankelijkheid, tenzij er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding (art. 6:11 Awb.), bijvoorbeeld wegens een plotseling optredende ziekte.
Bij bezwaar of beroep tegen een niet tijdig genomen besluit door het bestuursorgaan (fictieve weigering) geldt er geen termijn (art. 6:12 Awb.). De fictieve weigering is voor het bezwaar en beroep met een ‘gewoon besluit’ gelijkgesteld (art. 6:2 sub b Awb.).
Het bestuursorgaan dat ten onrechte een bezwaar- of beroepschrift ontvangt heeft een doorzendplicht om het aan het juiste bestuursorgaan/rechterlijke instantie te laten bezorgen (art. 6:15 lid 1 Awb.).
Het gevolg van het indienen van een bezwaar- of beroepschrift is, dat de benaderde instantie een beslissing of uitspraak moet gaan voorbereiden. Een uitzondering hierop is, dat het bezwaarschrift wordt ingetrokken (art. 6:21 Awb.). Vóór het horen van de belanghebbenden kan dit schriftelijk en alleen tijdens het horen kan dit mondeling.
Tijdens het bezwaar of beroep wordt de werking van het bestreden besluit niet geschorst (dus nog een tijdje in stand) (art. 6:16 Awb.). Dit geldt ook in hoger beroep (art. 6:24 lid 1 Awb.).
- Het bestuursorgaan mag tijdens de bezwaar- of beroepsprocedure een nieuw besluit nemen om tegemoet te komen aan degene die bezwaar of beroep heeft ingesteld (art. 6:18 lid 1 Awb.) en moet dit onmiddellijk melden aan de beoordelende instantie (lid 2).
Dit nieuwe besluit mag niet met het oude, bestreden besluit overeenstemmen (lid 3), tenzij er sprake is van gewijzigde omstandigheden die dit wel rechtvaardigen (sub a) of het bestuursorgaan daar los van het bezwaar of beroep ook toe bevoegd zou zijn (sub b).
Het bezwaar- of beroepschrift tegen het oude besluit is ook gericht tegen het nieuw genomen besluit, tenzij deze helemaal aan het bezwaar of beroep tegemoet is gekomen (art. 6:19 lid 1 Awb.).
[bewerk] Bezwaarschriftprocedure
Het orgaan, dat het besluit heeft genomen, beslist ook op het bezwaarschrift. Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid (art. 2:4 lid 1 Awb.): dit geldt ook voor de bezwaarschriftenprocedure.
[bewerk] Fasen
- Indiening bezwaarschrift door een belanghebbende (voor het begrip “belanghebbende” zie hiervoor) (art. 6:4 en 6:5 Awb.).
- Bij niet-ontvankelijkheid wegens het niet hebben voldaan aan de vormvoorschriften, is er nog herstel hiervan mogelijk.
- De belanghebbenden kunnen stukken indienen tot 10 dagen voor de hoorzitting (art. 7:4 lid 1 Awb.).
- De hoorzitting vindt plaats achter gesloten deuren, tenzij anders is bepaald (art. 7:5 Awb.) en de belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord tenzij op verzoek een afzonderlijke hoorzitting plaatsvindt (art. 7:6 Awb.). Van de hoorzitting wordt een verslag gemaakt door de secretaris (art. 7:7 Awb.).
- De beslissing op bezwaar (uitspraak): - de beslistermijn is zes weken na de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan en 10 weken wanneer een adviescommissie voor bezwaarschriften is ingesteld (art. 7:10 lid 1 Awb.) en deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden uitgesteld en dit wordt meegedeeld (art. 7:10 lid 3 Awb.).
- In sommige sociale zekerheidswetten geldt een beslistermijn van 13 weken en in belastingrecht zelfs 1 jaar (art. 25 Algemene wet inzake rijksbelastingen).
- De beslissing op bezwaar moet goed gemotiveerd zijn (art. 7:12 lid 1 Awb.) en moet worden bekendgemaakt (art. 7:12 lid 2 Awb.).
- De beslissing op bezwaar kan inhouden: niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift, een heroverweging van het bestreden besluit + opdracht tot nieuw besluit (art. 7:11 Awb.).
[bewerk] Administratief beroep
Een ander bestuursorgaan is de beoordelende instantie.
- Fasen:
- Indiening beroepschrift (art. 6:4 lid 2 en 6:5 Awb.).
- De belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord (art. 7:16 lid 1 Awb.).
- Beslistermijn (art. 7:24 Awb.): - de beslistermijn is 16 weken als het beroepsorgaan tot een andere rechtspersoon behoort.
- De beslistermijn is zes weken als het beroepsorgaan tot dezelfde rechtspersoon behoort.
De beslissing in administratief beroep kan inhouden: niet-ontvankelijkheid van het beroep, ongegrondverklaring van het beroep, gehele of gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep of vernietiging van een oude beslissing + nieuwe beslissing in plaats daarvan (art. 7:25 Awb.).
[bewerk] Rechtbank, sector bestuursrecht
Aan een proces bij de bestuursrechter gaat een bestuursrechtelijke voorprocedure vooraf (bezwaar of administratief beroep).
In principe worden bestuursrechtelijke zaken door een enkelvoudige kamer behandeld (art. 8:10 lid 1 Awb.), tenzij de zaak hiervoor ongeschikt is. In dat geval vindt verwijzing naar een meervoudige kamer plaats (art. 8:10 lid 2 Awb.). Andersom kan ook (art. 8:10 lid 3 Awb.).
- Relatieve competentie bestuursrechter: de rechter die bij de zetel van de gemeente, provincie, waterschap of politieregio hoort, waar tegen bezwaar was ingesteld (voorafgaande aan de procedure bij de bestuursrechter) (art. 8:7 Awb.).
De als eerste benaderde rechtbank gaat voor als bevoegde rechtbank (art. 8:8 Awb.). Bij geschillen tussen rechtbanken over de relatieve competentie is de hogere beroepsrechter (voor bestuurszaken) bevoegd. Dit is de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State of de Centrale Raad van Beroep (hierover later meer) (art. 8:9 Awb.).
- Fasen: 1. Indiening beroepschrift (art. 6:4 lid 3; 6:5; 8:1 Awb.). Het griffierecht wordt geheven van de indieners van het beroepschrift (art. 8:41 lid 1 Awb.).
Er is gewoon procesvertegenwoordiging mogelijk voor onbekwame personen, zoals minderjarigen en onder curatele gestelden door resp. hun wettelijk vertegenwoordigers en hun curator (art. 8:21 lid 1 en 8:22 Awb.).
2. a. De bestuursrechter kan eventueel voorafgaande beslissingen nemen, zoals “verwijzing naar een andere rechtbank, waar al een zaak in behandeling is die nauw verwant is met deze zaak” (art. 8:13 Awb.), voeging en splitsing waarbij zaken over hetzelfde onderwerp worden gevoegd bij dezelfde rechtbank en splitsing bij het omgekeerde geval (art. 8:14 Awb.).
b. Beslissing tot een bijzondere procedure: versnelde behandeling of vereenvoudigde behandeling. Versnelde behandeling vindt plaats bij spoedeisendheid en in het belang van het onderzoek (art. 8:52 Awb.). Vereenvoudigde behandeling kan - alleen als partijen niet zijn uitgenodigd of opgeroepen - plaatsvinden, als een onderzoek ter zitting niet nodig is (art. 8:54 Awb.), in de gevallen dat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, het beroep kennelijk ongegrond is of het beroep kennelijk gegrond is. Het onderzoek ter zitting vindt in dat geval niet plaats. Tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling kan de belanghebbende of het bestuursorgaan verzet instellen bij de rechtbank (art. 8:55 lid 1 Awb.).
3. Wisseling van stukken (art. 6:14 lid 2 Awb.): - verweerschrift moet binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift worden verzonden (art. 8:42 lid 1 Awb.). In de praktijk houden veel bestuursorganen zich niet aan deze termijn.
- dossier bestuursorgaan wordt ingediend (art. 8:42 lid 1 Awb.)
- er is derden-inbreng mogelijk (art. 8:43 lid 2 Awb.)
- mogelijkheid tot repliek en dupliek (verweer van de eiser op het verweerschrift en verweer op het repliek) (art. 8:43 lid 1 Awb.).
4. Eigen onderzoek door de bestuursrechter: - comparitie (verschijning van partijen) (art. 8:44 Awb.) - Verzoek om inlichtingen (art. 8:45 Awb.) - Oproeping van getuigen (art. 8:46 Awb.), deskundigen (art. 8:47 Awb.) - Onderzoek ter plaatse (art. 8:50 Awb.)
5. De partijen worden tenminste drie weken voor de zittingsdatum uitgenodigd door de rechtbank (art. 8:56 lid 1 Awb.)
6. De partijen kunnen tot tien dagen vóór de zitting nadere stukken indienen (art. 8:58 lid 1 Awb.).
- De bestuursrechter kan besluiten, dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien alle partijen daarvoor hun toestemming hebben gegeven (art. 8:57 Awb.).
7. Onderzoek ter zitting: - De zitting is in beginsel openbaar (art. 8:62 lid 1 Awb.; art. 121 Grondwet; art. 6 EVRM). - De griffier maakt aantekeningen in de vorm van een proces-verbaal van de zitting (art. 8:61 lid 1 + 3 Awb.). - De rechtbank kan bepalen dat het onderzoek ter zitting wordt geschorst en dat het vooronderzoek wordt hervat (art. 8:64 lid 1 Awb.). - De partijen kunnen het laatste woord voeren (art. 8:65 lid 2 Awb.) - De bestuursrechter sluit het onderzoek ter zitting wanneer zij van oordeel is, dat het is voltooid (art. 8:65 lid 1 Awb.). Daarna deelt de bestuursrechter de datum mee van de uitspraak (art. 8:65 lid 3 Awb.).
8. Beraadslaging in de raadkamer: dit geeft soms nog aanleiding tot heropening van de zaak (art. 8:68 Awb.).
9. Uitspraak: - de beslistermijn voor de schriftelijke uitspraak bedraagt in beginsel zes weken na het sluiten van de zitting (art. 8:66 lid 1 Awb.) en de mondelinge uitspraak kan meteen na het het sluiten van de zitting. - De rechter doet uitspraak over het ingestelde beroep (art. 8:70 Awb.).
- Mogelijke uitspraken: - gegrondverklaring van het beroep (art. 8:72 lid 1 Awb.) gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit.
> Bijzondere uitspraken: - het geheel of gedeeltelijk in stand blijven van de gevolgen van een vernietigd besluit (art. 8:72 lid 3 Awb.). - Het stellen van een termijn voor het nemen van een nieuw besluit of het verrichten van een andere handeling (art. 8:72 lid 4 Awb.). - Het stellen van een uitspraak in plaats van het vernietigde besluit (zelf in de zaak voorzien) (art. 8:72 lid 4 Awb.). De rechter gaat dan op de stoel van het bestuursorgaan zitten, hetgeen naar zijn aard alleen mag als er rechtens maar één mogelijk gevolg is na gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het besluit. - Het opleggen van een dwangsom aan het bestuursorgaan (art. 8:72 lid 7 Awb.). - Veroordeling tot schadevergoeding zoals het “zelfstandig schadebesluit” in de zaak Van Vlodrop (art. 8:73 Awb.). - Vergoeding van griffierecht door de verliezende partij (art. 8:74 Awb.). - Veroordeling in de proceskosten (kosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank) (art. 8:75 en 8:75a Awb.) die de verliezende partij moet betalen.
[bewerk] Voorlopige voorziening
De voorlopige voorziening (art. 8:81 Awb.) komt tegemoet aan het feit, dat tijdens het instellen van het bezwaar- of beroepschrift de werking van het besluit niet geschorst wordt. Met een voorlopige voorzieningen (een bestuursrechtelijk kort geding) kan dit gebrek worden verholpen.
[bewerk] Eigenschappen
- Er moet sprake zijn van een zogenaamd connexiteitsvereiste dat inhoudt, dat het niet los van een bodemprocedure is te voeren.
- Er staat geen hoger beroep open tegen een voorlopige voorziening. Er is slechts intrekking of wijziging ervan mogelijk bij de voorzieningenrechter van de rechtbank zelf.
- Toegangsvereisten:
- Absolute en relatieve competentie van de benaderde voorzieningenrechter.
- Het primaire bezwaar en beroep is ontvankelijk
- Persoon van de verzoeker tot voorlopige voorziening: appellant, verweerder of derde belanghebbende
- voorafgaand of uiterlijk gelijktijdig wordt er een bezwaar of beroepschrift ingediend.
- Het griffierecht is even hoog als een procedure in hoofdzaak (bodemprocedure) (art. 8:82 Awb.).
- Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang en hierbij vindt een belangenafweging plaats.
- De voorlopige voorziening is een tijdelijke maatregel en de voorzieningenrechter kan de termijn ervan bepalen (art. 8:85 lid 1 Awb.).
Verder eindigt de voorlopige voorziening, wanneer de beroepstermijn is verstreken (art. 8:85 lid 2 sub a Awb.), het bezwaar of beroep is ingetrokken (art. 8:85 lid 2 sub b Awb.) en wanneer de rechtbank uitspraak heeft gedaan in het bodemgeschil (art. 8:85 lid 2 Awb.).
- Onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak (kortsluiting) (art. 8:86 Awb.): Als de voorzieningenrechter na de zitting (art. 8:83 lid 1 Awb.) van oordeel is, dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij de zaak meteen afdoen (art. 8:86 lid 1 Awb.).
[bewerk] Hoger beroep
- A. Hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in Den Haag (art. 20 Wet op de Raad van State): De afdeling bestuursrechtspraak bestaat uit staatsraden + staatsraden in buitengewone dienst (art. 27 lid 1). Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep kan er uitspraak worden gedaan door de afdeling bestuursrechtspraak en het is altijd in meervoudige kamers (art. 36 lid 2 en 39 lid 2). Er kan geen hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak worden ingesteld, als dit kan bij de Centrale Raad van Beroep (B.) of het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (C.). (art. 37 lid 1).
- B. Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht (art. 18 Beroepswet): het gaat hier om sociale zekerheidszaken. Er kan door de Centrale Raad van Beroep zowel in beroep als in hoger beroep uitspraak worden gedaan en het is altijd in meervoudige kamers (art. 17 lid 2 en 21 lid 2 Beroepswet). Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep is alleen mogelijk inzake wetten die zijn opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet (art. 18 lid 1 sub b Beroepswet). Dit zijn o.a. de Werkloosheidswet (W.W.), WAO/WIA en Ziektewet.
- C. Hoger beroep bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (C.B.B.) (art. 20 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie: b.r.b.). Het C.B.B. doet in eerste instantie en in hoger beroep uitspraak over bedrijfseconomische zaken. Over besluiten van bedrijfslichamen en de Sociaal-economische Raad (SER), doet het C.B.B. zowel uitspraak in eerste aanleg als in hoger beroep (art. 18 lid 1 wet b.r.b.). Alleen hoger beroep bij het C.B.B. is mogelijk bij besluiten op grond van wetten die genoemd staan in de bijlage bij de wet b.r.b., zoals de Telecommunicatiewet, de Tabakswet en de Mededingingswet (art. 20 lid 1 wet b.r.b.).
- Toegangsvereisten:
- er is een uitspraak van een bestuursrechter in eerste aanleg
- alleen belanghebbenden kunnen hoger beroep instellen
- de termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt zes weken (art. 6:7 Awb. en art. 6:24 lid 1 Awb.).
- Procedure: dezelfde procedurevoorschriften als bij de bestuursrechter in eerste aanleg gelden hier.
- Fasen:
- Indiening beroepschrift (art. 6:4 lid 3; 6:5; 8:1 Awb.). Het griffierecht wordt geheven van de indieners van het beroepschrift (art. 8:41 lid 1 Awb.). Er is gewoon procesvertegenwoordiging mogelijk voor onbekwame personen, zoals minderjarigen en onder curatele gestelden door resp. hun wettelijk vertegenwoordigers en hun curator (art. 8:21 lid 1 en 8:22 Awb.).
- a. De bestuursrechter kan eventueel voorafgaande beslissingen nemen, zoals “verwijzing naar een andere rechtbank, waar al een zaak in behandeling is die nauw verwant is met deze zaak” (art. 8:13 Awb.), voeging en splitsing waarbij zaken over hetzelfde onderwerp worden gevoegd bij dezelfde rechtbank en splitsing bij het omgekeerde geval (art. 8:14 Awb.).
- b. Beslissing tot een bijzondere procedure: versnelde behandeling of vereenvoudigde behandeling. Versnelde behandeling vindt plaats bij spoedeisendheid en in het belang van het onderzoek (art. 8:52 Awb.). Vereenvoudigde behandeling kan plaatsvinden, als een onderzoek ter zitting niet nodig is (art. 8:54 Awb.), in de gevallen dat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, het beroep kennelijk ongegrond is of het beroep kennelijk gegrond is. Het onderzoek ter zitting vindt in dat geval niet plaats. Tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling kan de belanghebbende of het bestuursorgaan verzet instellen bij de rechtbank (art. 8:55 lid 1 Awb.).
- Wisseling van stukken (art. 6:14 lid 2 Awb.): - verweerschrift moet binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift worden verzonden (art. 8:42 lid 1 Awb.).
- dossier bestuursorgaan wordt ingediend (art. 8:42 lid 1 Awb.)
- er is derden-inbreng mogelijk (art. 8:43 lid 2 Awb.)
- mogelijkheid tot repliek en dupliek (verweer van de eiser op het verweerschrift en verweer op het repliek) (art. 8:43 lid 1 Awb.).
- Eigen onderzoek door de bestuursrechter: - comparitie (verschijning van partijen) (art. 8:44 Awb.)
- Verzoek om inlichtingen (art. 8:45 Awb.)
- Oproeping van getuigen (art. 8:46 Awb.), deskundigen (art. 8:47 Awb.)
- Onderzoek ter plaatse (art. 8:50 Awb.)
- De partijen worden tenminste drie weken voor de zittingsdatum uitgenodigd door de rechtbank (art. 8:56 lid 1 Awb.)
- De partijen kunnen tot tien dagen vóór de zitting nadere stukken indienen (art. 8:58 lid 1 Awb.).
- De bestuursrechter kan besluiten, dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien alle partijen daarvoor hun toestemming hebben gegeven (art. 8:57 Awb.).
- Onderzoek ter zitting: - De zitting is in beginsel openbaar (art. 8:62 lid 1 Awb.; art. 121 Grondwet; art. 6 EVRM).
- De griffier maakt aantekeningen in de vorm van een proces-verbaal van de zitting (art. 8:61 lid 1 + 3 Awb.).
- De rechtbank kan bepalen dat het onderzoek ter zitting wordt geschorst en dat het vooronderzoek wordt hervat (art. 8:64 lid 1 Awb.).
- De partijen kunnen het laatste woord voeren (art. 8:65 lid 2 Awb.)
- De bestuursrechter sluit het onderzoek ter zitting wanneer zij van oordeel is, dat het is voltooid (art. 8:65 lid 1 Awb.). Daarna deelt de bestuursrechter de datum mee van de uitspraak (art. 8:65 lid 3 Awb.).
- Beraadslaging in de raadkamer: dit geeft soms nog aanleiding tot heropening van de zaak (art. 8:68 Awb.).
- Uitspraak: - de beslistermijn voor de schriftelijke uitspraak bedraagt zes weken na het sluiten van de zitting (art. 8:66 lid 1 Awb.) en de mondelinge uitspraak kan meteen na het het sluiten van de zitting.
- De rechter doet uitspraak over het ingestelde beroep (art. 8:70 Awb.).
- Mogelijke uitspraken: - gegrondverklaring van het beroep (art. 8:72 lid 1 Awb.) het hoger beroepsorgaan bevestigt de uitspraak van de lagere bestuursrechter met overneming van gronden of met verbetering van gronden. Daarentegen is er een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de lagere bestuursrechter mogelijk.
- Bijzondere uitspraken:
- het geheel of gedeeltelijk in stand blijven van de gevolgen van een vernietigd besluit (art. 8:72 lid 3 Awb.).
- Het stellen van een termijn voor het nemen van een nieuw besluit of het verrichten van een andere handeling (art. 8:72 lid 4 Awb.).
- Het stellen van een uitspraak in plaats van het vernietigde besluit (zelf in de zaak voorzien) (art. 8:72 lid 4 Awb.). De rechter mag echter niet op de stoel van het bestuursorgaan zitten. Zij mag slechts zelf in de zaak voorzien als er nog maar één beslissing mogelijk is.
- Het opleggen van een dwangsom aan het bestuursorgaan (art. 8:72 lid 7 Awb.).
- Veroordeling tot schadevergoeding zoals het “zelfstandig schadebesluit” in de zaak Van Vlodrop (art. 8:73 Awb.).
- Vergoeding van griffierecht door de verliezende partij (art. 8:74 Awb.).
- Veroordeling in de proceskosten (kosten die zijn gemaakt in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank) (art. 8:75 en 8:75a Awb.) die de verliezende partij moet betalen.
- Het instellen van hoger beroep heeft geen schorsende werking (art. 6:16 Awb. en art. 6:24 Awb.).
[bewerk] Cassatie
Cassatie bij de Hoge Raad is alleen mogelijk bij belastingzaken na: een bezwaarschrift bij de Belastingdienst en beroepschrift bij de belastingkamer van het Gerechtshof.
De termijn voor het instellen van cassatieberoep bedraagt zes weken na de uitspraak van de belastingkamer van het Gerechtshof.
Eén en ander is geregeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (art. 28 en volgende).
[bewerk] Buitengewone rechtsmiddelen
- Herziening (art. 8:88 Awb.): wanneer alle rechtsmiddelen zijn uitgeput (geen hoger beroep etc. meer mogelijk), kan de rechtbank op verzoek een onherroepelijk geworden uitspraak herzien.
Dit kan op basis van feiten en omstandigheden die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden en die ten tijde van de uitspraak nog onbekend waren en die tot een ander oordeel hadden geleid, als ze wel bekend waren geweest.
- Vervallenverklaring: Bepaalde fouten in uitspraken kan de rechter vervallen laten verklaren.
[bewerk] De toegang tot de burgerlijke rechter (civiele procedure)
De burgerlijke (civiele) rechter behandelt puur civielrechtelijke geschillen tussen burgers onderling (art. 112 lid 1 Grondwet) en heeft een aanvullende rol ten aanzien van rechtsverhoudingen met en tussen overheden.
Deze aanvullende rol heeft de burgerlijke rechter dus op de bestuursrechter zoals hiervoor genoemd.
De burgerlijke rechter is bevoegd in gevallen waarin alleen bezwaar of administratief beroep openstaat en deze bestuurlijke voorprocedure is doorlopen (art. 8:4 Awb.). Als er echter wel beroep op de bestuursrechter openstaat, is de burgerlijke rechter niet-ontvankelijk (arrest Changoe uit 1992).
Wanneer een bestuursrechtelijke voorziening niet wordt benut, gaat de burgerlijke rechter uit van de rechtsgeldigheid/onherroepelijkheid van het besluit of de uitspraak (arrest Heesch/Van den Akker uit 1986). Dit is het beginsel van de “formele rechtskracht”: het besluit of de uitspraak is dan “rechtens onaantastbaar” geworden.
Het beginsel van de formele rechtskracht ziet alleen op het besluit zelf en niet op toezeggingen, mededelingen of voorbereidende handelingen (arrest Staat/Bolsius uit 1990).
- Bijzondere regels gelden er bij het zelfstandig (zuiver) schadebesluit. Dit is een besluit van een bestuursorgaan inzake toekenning van schadevergoeding. Ook het besluit tot weigering van schadevergoeding is een zuiver schadebesluit (arrest Van Vlodrop uit 1997).
In het arrest van de Hoge Raad, genaamd Groningen/Raatgever uit 1999, zijn hierover een aantal rechtsregels geformuleerd en ze komen in het kort hierop neer:
Tegen een zelfstandig schadebesluit kan men zowel een vordering instellen bij de bestuursrechter als bij de burgerlijke rechter. Hier geldt een alternatief systeem: men heeft dus de keuze tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. Dit geldt alleen als er een onherroepelijk bestuursrechtelijk oordeel is, dat het bestuursorgaan aansprakelijk is voor de schade.
Als men de weg van de bestuursrechtspraak heeft gevolgd en dit beroep is verworpen, dan is men nadien niet-ontvankelijk bij de burgerlijke rechter (kan men dus niet meer bij de burgerlijke rechter terecht).
Men kan bij een zuiver schadebesluit nog naar de burgerlijke rechter, zolang de bestuursrechter nog geen uitspraak heeft gedaan (dus wel na indiening van een beroepschrift, maar vóór de uitspraak).
Deze regels uit het arrest Groningen/Raatgever gelden ook voor het ambtenarenrecht (arrest Staat/Zevenbergen, ook wel ambtenarenwet III uit 2002).
Een onzelfstandig (onzuiver) schadebesluit houdt in, dat iemand schade heeft geleden door een besluit van een bestuursorgaan: het besluit is dus de oorzaak van de schade.
[bewerk] Klachtvoorzieningen
Het klachtrecht is gebaseerd op het grondrecht: recht van petitie (art. 5 Grondwet). Het recht van petitie houdt geen recht op antwoord in en daarin voorziet het klachtrecht juist wel: er is een recht op antwoord van de instantie waarbij er geklaagd wordt.
Het klachtrecht is geregeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. We maken onderscheid tussen het interne klachtrecht (bij het bestuursorgaan zelf, waarover wordt geklaagd) en het externe klachtrecht: bij een andere instantie dan het betreffende bestuursorgaan, de Nationale Ombudsman en gemeentelijke ombudslieden.
[bewerk] Interne klachtenregeling
Een ieder heeft het recht een klacht in te dienen wegens de wijze van bejegening van een bestuursorgaan (art. 9:1 lid 1 Awb.) en personen die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (ambtenaren) vallen er ook onder (art. 9:1 lid 2 Awb.).
Nadat het klaagschrift is ontvangen door het betreffende bestuursorgaan, verzendt deze een ontvangstbevestiging aan de klager (art. 9:6 Awb.).
Wanneer het bestuursorgaan naar tevredenheid tegemoet is gekomen aan de klager, vervalt het recht om te klagen (art. 9:5 Awb.).
De beperkingen op het klachtrecht zijn, dat er niet meer dan één keer geklaagd mag worden over hetzelfde feit (art. 9:8 lid 1 sub a Awb.) en dat de feiten waarover geklaagd is, niet langer dan één jaar geleden zijn (art. 9:8 lid 1 sub b Awb.).
Er moet hoor en wederhoor plaatsvinden (art. 9:10 Awb.).
- De afhandelingstermijn bedraagt zes weken na ontvangst van het klaagschrift (art. 9:11 lid 1 Awb.) of bij toepassing van advies door een persoon of commissie bedraagt de afhandelingstermijn tien weken (art. 9:14 lid 1 Awb.).
- De klager heeft recht op een schriftelijke en gemotiveerde reactie (art. 9:12 lid 1 Awb.).
[bewerk] Externe klachtenregeling
Het gaat hier om de klachtbehandeling door de ombudsman (nationale ombudsman of ombudsman van de lagere overheid, zoals de gemeentelijke ombudsman) (art. 9:17 Awb.).
Een ieder kan een verzoekschrift tot onderzoek instellen (art. 9:18 lid 1 Awb.). Men moet dan eerst bij het betreffende bestuursorgaan hebben geklaagd, voordat men naar de ombudsman stapt (art. 9:20 lid 1 Awb.).
Als het om de wijze van klachtbehandeling door een bestuursorgaan gaat, kan men meteen naar de ombudsman stappen zonder voorafgaande klacht (art. 9:20 lid 2 Awb.).
Over het algemeen kun je niet bij de ombudsman terecht inzake algemeen verbindende voorschriften (a.v.v.'s) en zaken die bij de rechter kunnen worden gevoerd (art. 9:22 lid 1 Awb.).
De nationale ombudsman baseert zijn bevoegdheid op de Wet Nationale Ombudsman en deze wet is gebaseerd op art. 78a Grondwet.
De nationale ombudsman wordt steeds voor zes jaren benoemd door de Tweede Kamer en hij schrijft elk jaar een jaarverslag.
De uitspraken van de nationale ombudsman zijn niet bindend. (hij is geen rechter).
Het verzoekschrift moet binnen één jaar na de gewraakte gedraging zijn ingediend (art. 12 lid 1 Wet Nationale Ombudsman).
[bewerk] Literatuur
- Van Wijk/Konijnenbelt/Van Male, Hoofdstukken van administratief recht, Den Haag 2005, ISBN 90-5901-619-x
- F.A.M. Stroink, Algemeen bestuursrecht: een inleiding, Zwolle 1996, ISBN 90-271-4439-7
- A.Q.C. Tak, Het Nederlands bestuursprocesrecht - in theorie en praktijk, SDU uitgevers, Den Haag 2002, ISBN 90-5409-338-2

