Betaalcheque

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Girobetaalkaart in gebruik eind negentiger jaren van de twintigste eeuw.

Een betaalcheque, ook wel betaalkaart of girobetaalkaart (Postbank) was een bepaald type cheque, in Nederland geïntroduceerd in 1969 door de Postbank N.V., in 1972 door andere banken, dat door de bank gegarandeerd werd tot een bepaald maximumbedrag (100 of 150, later 200 gulden) ongeacht het saldo, waardoor men er in het dagelijks verkeer boodschappen mee kon betalen. Dit instrument verdween bij de Postbank omstreeks 2000 uit het betalingsverkeer, nadat betalingen met betaalkaart en pincode algemeen gebruikelijk waren geworden.

Men kon er hogere bedragen mee betalen, maar bij onvoldoende saldo werd dan slechts het maximum garantiebedrag uitgekeerd, zodat de meeste ontvangers bij grotere betalingen eisten dat er meerdere cheques werden uitgeschreven, die ieder niet het maximum overschreden. Afhankelijk van hun inkomenssituatie konden klanten 5, 10 of 20 betaalcheques tegelijk krijgen, die automatisch werden opgestuurd als er voldoende oude waren verbruikt. Met girobetaalkaarten kon men ook in het buitenland op postkantoren geld opnemen in lokale valuta, in het algemeen tegen een belangrijk gunstiger koers dan bij wisselkantoren.

Giropas in 1971.

Aanvankelijk waren girobetaalkaarten blauw en hadden een verkort ponskaartformaat, daarna werd overgegaan op elektronisch leesbare niet-geponste kaarten. De kaarten werden geldig gemaakt door het plaatsen van het bedrag het nummer van de giropas en de handtekening en het tonen van de giropas. De ontvanger moest zijn naam en gironummer erop zetten, waarna de kaart naar het girokantoor kon worden gestuurd. Vergat de ontvanger dit, dan werd het bedrag in quarantaine gehouden terwijl bij de betaler werd geïnformeerd naar de bedoelde begunstigde.

Zie ook[bewerken]

  • Eurocheque, het alternatief van de overige Nederlandse en Europese banken.