Bevolkingsgroei

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Population growth rate 2007-de.svg

De bevolkingsgroei is de toename van het inwonersaantal in een bepaald land of gebied gedurende een bepaalde tijd. Als de toename negatief is spreken we van bevolkingsdaling of negatieve bevolkingsgroei. Vooral tijdens een demografische transitie kan er een zeer sterke bevolkingsgroei zijn.

Oorzaken zijn een groter geboortecijfer dan sterftecijfer waardoor er meer mensen geboren worden dan er sterven in een bepaalde periode. Naast dit reproductie-overschot kan er ook een grotere toestroom van inwoners door immigratie zijn dan de uitstroom door emigratie.

Geschiedenis[bewerken]

Wereldwijde groei[1]
(jaarlijkse gemiddelde)
Jaar Bevolking Bbp Bbp per
capita
Export
0 - 1000 0,02% 0,01% 0,00%
1000 - 1500 0,10% 0,15% 0,05%
1500 - 1820 0,27% 0,32% 0,05%
1820 - 1870 0,40% 0,93% 0,53%
1870 - 1913
(liberale tijdperk)
0,80% 2,11% 1,30% 3,40%
1913 - 1950 0,93% 1,85% 0,91% 0,90%
1950 - 1973
(gouden tijdperk)
1,92% 4,91% 2,93% 7,88%
1973 - 1998
(neoliberale tijdperk)
1,66% 3,01% 1,33% 5,07%

Ten tijde van de jager-verzamelaars moest de bevolkingsgroei noodgedwongen binnen de perken blijven vanwege de beperkingen van de voedselproductie. Dit werd mede bereikt met geboorteregulering op weinig verfijnde methodes als het te vondeling leggen, verwaarlozing, abortus en kinderdoding. Ook het achterlaten van ouderen en gehandicapten zal hier onderdeel van zijn geweest. Met de overgang naar landbouw, de neolithische revolutie, werd deze beperking doorbroken. Aanvankelijk bleef dit beperkt doordat zwerflandbouw maar een kleine bevolking kan onderhouden. Toen men echter overging tot permanente landbouw en irrigatielandbouw konden veel grotere bevolkingsdichtheden ondersteund worden. Dat betekende dan ook dat de bevolking verder kon groeien, waarna er vrijwel geen weg terug meer was, ook wel ratchet effect of pal-effect genoemd. Zo lopen de schattingen voor het begin van de neolithische revolutie zo'n 10.000 jaar geleden uiteen van 1 tot 10 miljoen mensen, terwijl de wereldbevolking rond het begin van de jaartelling tot tussen de 150 en 300 miljoen was gegroeid. Dit effect zou daarna nog diverse malen optreden.

In het eerste millenium van de jaartelling was er sprake van een minimale bevolkingsgroei en ook in de eerste helft van het tweede millennium was deze beperkt, mede door hongersnoden en epidemieën. Vanaf de vijftiende eeuw begon echter een duidelijke groei in te zetten. Waar de uitwisseling van ziektekiemen desastreus was voor Amerika en Oceanië, gold daarbuiten dat epidemieën waarbij miljoenen volwassenen het leven lieten langzamerhand afnamen. Ziektes werden endemisch en troffen vooral jonge kinderen. De kindersterfte werd vaak gecompenseerd door meer kinderen te nemen. De resulterende demografische transitie bracht een sterke toename van de bevolking tot een nieuw evenwicht werd gevonden tussen geboorte en sterfte. In combinatie met de nieuwe voedingsgewassen kon daardoor tussen 1450 en 1800 de wereldbevolking meer dan verdubbelen naar 900 miljoen mensen, waarvan China met 350 miljoen inwoners meer dan een derde uitmaakte. De sterke bevolkingsgroei betekende niet alleen een druk op het ecologische systeem, maar ook op het politieke. Malthus voorzag dat de bevolkingsgroei exponentieel zou verlopen en de landbouwproductie lineair, met een catastrofe tot gevolg. Uiteindelijk kwam het niet zover door verbeterde landbouwtechnieken en wist de landbouwproductie zelfs de nog veel sterkere bevolkingsgroei van de tweede helft van de twintigste eeuw bij te benen.

Tussen 1900 en 2000 groeide de wereldbevolking van 1,6 miljard naar 6 miljard mensen. Het hoogtepunt van deze groei lag rond 1970 toen het percentage boven de 2% per jaar lag. Sindsdien heeft zich een daling ingezet van het groeipercentage. Deze sterke groei werd vooral veroorzaakt door een daling van het sterftecijfer, ingezet door vaccinatie, antibiotica en sanitaire verbeteringen. De wereldwijde levensverwachting steeg daardoor van minder dan 30 jaar rond 1800 naar 35 in 1900, 45 in 1950 en 67 in 2000. Het totaal aantal vroegtijdige doden in de twintigste eeuw door oorlog, genocide, politieke zuiveringen en hongersnoden lag mogelijk tussen de 180-190 miljoen mensen en maakte daarmee ongeveer 4% uit van het totaal aantal doden. De enorme aantallen slachtoffers konden daarmee deze groeitrend niet keren.

Migratie[bewerken]

Verschillen in bevolkingsgroei konden door migratie deels worden opgevangen. Economische groei deed ook de vraag naar mensen toenemen. Landen met een kleine bevolkingsgroei en grote economische groei moesten arbeid importeren. In de jaren zestig was dan ook een migratie te zien naar West-Europa vanuit Zuid-Europa, Turkije en Noord-Afrika. Tien jaar later was ook Zuid-Europa een importeur van mensen. Zo was de al lang bestaande beweging van mensen uit Europa na vierhonderd jaar omgedraaid. In het Midden-Oosten importeerde men zoveel arbeid dat de lokale bevolking vrijwel geen handwerk meer deed. Tussen 1975 en 1983 was er ook een grote migratie richting het olierijke Nigeria. In de Verenigde Staten vervijfvoudigde de legale immigratie tussen 1965 en 1995, vooral bestaand uit hoger opgeleide Aziaten. Daarnaast was er een illegale immigratie van miljoenen uit Midden-Amerika. In Canada verdubbelde de immigratie in deze periode. De migratie verlichtte de nood op plaatsen met een sterke bevolkingsgroei, maar ook in de landen met arbeidstekorten. Hoewel de economie profiteerde in de laatste landen, gold dit niet voor de werknemers waarvan de lonen laag konden worden gehouden. Cultuurverschillen waren ook oorzaak dat immigranten over het algemeen een koele ontvangst kregen. Het zou in vele landen nog de nodige immigratieproblematiek tot gevolg hebben.

Literatuur[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Maddison (2006)