Bezit (Nederlands recht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Bezit (recht))
Ga naar: navigatie, zoeken

Beluister

(info)

Bezit is in het Nederlands vermogensrecht het houden van een goed voor zichzelf (art. 107 eerste lid, Burgerlijk Wetboek Boek 3 (BW 3)). Een bezitter heeft meestal de feitelijke macht over een goed en gedraagt zich alsof hij de eigenaar van dat goed is.

De wet onderscheidt bezit van houderschap. Een bezitter houdt een goed voor zichzelf, terwijl een houder een goed voor een ander houdt. Onverminderd de feitelijke beschikking die een houder heeft over een goed weet die houder dat hij niet de bezitter of eigenaar is. Als iemand bijvoorbeeld een boek leent van de bibliotheek is hij geen bezitter van dat boek maar houder namens de bibliotheek (die de eigenaar is; zie ook Houderschap).

Bezit is middellijk of onmiddellijk. Van onmiddellijk bezit is sprake indien het goed niet door een ander voor de bezitter wordt gehouden, terwijl bij middellijk bezit het goed door een houder namens de bezitter wordt gehouden. In het vorige voorbeeld was de bibliotheek eerst onmiddellijk bezitter van het boek; echter ten tijde dat de lener het in leen heeft is de bibliotheek middellijk bezitter.

Er dient een duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen bezit en eigendom. Meestal is de eigenaar ook de bezitter, maar dat hoeft juridisch niet per se het geval te zijn. Als iemand namelijk een boek uit de bibliotheek steelt dan is de bibliotheek nog wel de eigenaar maar niet langer de bezitter (en dus "eigenaar-niet-bezitter"). De dief is nu "bezitter-niet-eigenaar" van het boek (en dus geen houder). Een dief houdt namelijk het gestolen goed voor zichzelf en kwalificeert zich daarmee als bezitter.

In het dagelijks verkeer is het meestal niet mogelijk om vast te stellen of iemand bezitter of houder is. Als iemand met een boek rondloopt dan kan men eigenlijk niet weten of dat boek hem toebehoort (eigenaar-bezitter) of dat hij het van iemand heeft geleend (houder). Toch is het wel belangrijk om dat te weten, want alleen een beschikkingsbevoegde houder mag een goed overdragen (bijvoorbeeld verkopen). Om toch wat houvast te bieden stelt de wet dat "Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden" (art. 109 BW 3).

Men verkrijgt bezit door inbezitneming (bijvoorbeeld vinden of stelen), door overdracht (zoals bij koop) of door opvolging onder algemene titel (bijvoorbeeld erven; zie ook art. 113 BW 3).

Een belangrijke wijze van bezitsverkrijging is door overdracht. Een belangrijke voorwaarde voor overdracht is dat de overdrager bevoegd is om dat te doen. Een overdracht door een onbevoegde (bijvoorbeeld een houder of een bezitter-niet-eigenaar (zoals een dief)) is in principe niet rechtsgeldig. In deze situatie is sprake van heling. Echter om een koper die te goeder trouw is te beschermen tegen deze situatie zijn er de zogenaamde "derden-beschermende artikelen" die er voor zorgen dat onder sommige omstandigheden een overdracht door een onbevoegde toch rechtsgeldig is.

Een variant op bezit is "voorhanden hebben", zie de Wet wapens en munitie.

Zie ook[bewerken]