Bijzonder onderwijs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg In Vlaanderen heet deze vorm van onderwijs vrij onderwijs, zie Onderwijsnet.

Het bijzonder onderwijs is een onderwijsorganisatievorm in Nederland die door anderen dan de overheid bestuurd wordt. Vaak is dit een stichting of een vereniging.
Particulieren, maar ook kerkelijke instanties, beginnen veelal een stichting of vereniging voor bijzonder onderwijs om een bepaalde levensbeschouwelijke, bijvoorbeeld godsdienstige, maatschappelijke of onderwijskundige, visie te kunnen vormgeven. Het bijzonder onderwijs kan dus onderverdeeld worden in confessioneel bijzonder onderwijs en algemeen bijzonder onderwijs. Van ouders wordt verwacht dat zij de visie en uitgangspunten van de school (de grondslag) onderschrijven. Sommige bijzondere scholen vinden het voldoende als de ouders de grondslag respecteren. Volgens cijfers van het ministerie van OCW en het CBS bezochten in 2009 71,13% van de leerlingen een bijzondere school voor Primair of Voortgezet Onderwijs tegenover 28,87% van de leerlingen een openbare school.

Het bijzonder onderwijs bestaat naast het openbaar onderwijs: onderwijs dat uitgaat van en bestuurd wordt door een overheid, vaak een gemeente.

Bijzonder onderwijs wordt soms verward met speciaal onderwijs, onderwijs met speciale aandacht en voorzieningen voor leerlingen met leermoeilijkheden, zoals ziekte, handicaps.

Confessioneel bijzonder onderwijs[bewerken]

Dit onderwijs wordt gegeven op religieuze of levensbeschouwelijke basis, zoals:

Algemeen bijzonder onderwijs[bewerken]

Naast onderwijs op religieuze basis, bestaat er neutraal algemeen bijzonder onderwijs, vergelijkbaar met openbaar onderwijs. Een school op algemeen bijzondere grondslag is een openbare school met een eigen bestuur. Vroeger waren alle overheidsscholen openbare scholen. Met de komst van de algemeen bijzondere scholen is dat veranderd. Inmiddels vallen alle scholen in Nederland onder bestuursstichtingen. Ook het openbaar onderwijs is inmiddels niet meer strikt een overheidsaangelegenheid. Alle scholen die voldoen aan de accreditatie-eisen van de overheid, worden door de overheid bekostigd. Alle scholen, ongeacht of ze bijzonder, algemeen bijzonder of openbaar zijn, bieden onderwijs dat georganiseerd is basis van onderwijskundige methoden:

Bijzondere scholen kunnen ook een religieuze én een onderwijskundige grondslag hebben. Daarnaast kunnen openbare scholen ook een onderwijskundige grondslag hebben. Ook is het mogelijk dat confessioneel-bijzondere scholen en openbare scholen bepaalde aspecten van onderwijskundige ideeën toepassen in hun onderwijs zonder daarmee zichzelf te bestempelen als een school voor algemeen bijzonder onderwijs.

Verder zijn er nutsscholen. Dit zijn scholen voor "bijzonder neutraal" onderwijs. Ze zijn opgericht vanuit de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.

Schoolstrijd in Nederland[bewerken]

Voor 1917 werden de bijzondere scholen niet volledig door de overheid gefinancierd. Daar kwam in dat jaar verandering in als gevolg van de schoolstrijd. In artikel 23 van de Nederlandse grondwet[4][5] werd toen vastgelegd dat bijzondere scholen recht hebben op dezelfde financiële steun van de overheid als openbare scholen.

Als gevolg van de grondwetswijziging van 1917 kwam in 1920 de nieuwe Onderwijswet tot stand. Hierin is de financiële gelijkberechtiging verder uitgewerkt. In 2003 ontstond er discussie of deze financiële gelijkstelling wel gehandhaafd moest blijven, mede door de oprichting van islamitische scholen.[bron?] Hierbij gaat het voornamelijk over de vraag of het bestaan van het bijzonder onderwijs in het algemeen en islamitische scholen in het bijzonder wel of niet afbreuk doet aan de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving. Tegenstanders[bron?] stelden dat het bijzonder onderwijs de integratie van deze minderheden zou belemmeren. Voorstanders[bron?] betoogden dat vrijheid van onderwijs een belangrijk grondrecht is.

Artikel 23 van de grondwet[bewerken]

De vrijheid van onderwijs en de financiële gelijkstelling tussen openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs is gebaseerd op artikel 23 van de grondwet.[4]

De vrijheid van onderwijs, wat een internationaal erkend grondrecht is,[6] staat in artikel 23 lid 2. De financiële gelijkstelling van openbare en bijzondere scholen staat in artikel 23 lid 6 en lid 7. De inhoud van artikel 23 staat op het punt van de financiële gelijkstelling soms ter discussie.[7]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Website voor informatie en nieuws over christelijk onderwijs in Nederland
  2. Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs, 1987
  3. Nederlandse Katholiek Schoolraad (NKSR)
  4. a b Artikel 23 van de Nederlandse grondwet, nl.wikisource.org
  5. 1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering. 2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen. 3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld. 4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoende openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven. 5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting. 6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd. 7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbaar kas worden verleend. 8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
  6. Onderwijsvrijheid in internationale verdragen
  7. Vrijheid van onderwijs onder druk