Binoculaire dispariteit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Binoculaire dispariteit is het verschil tussen de hoeken waaronder het licht van een object bij een stereoscopische waarneming in beide ogen of camera's valt. Dit verschil ontstaat wanneer een object vanuit verschillende posities wordt bekeken. Uit de gevolgen van het niet nul zijn van deze hoek, leiden de hersenen diepteinformatie af en ontstaat diepteperceptie.

Afbeelding 1. Binoculaire dispariteit β

In afbeelding één kijkt een persoon naar een object O, de afstand oog-object is voor beide ogen gelijk. De binoculaire dispariteit is de hoek aangeduid met \beta, in termen van de object- en oogafstand is de grootte ervan:

\beta = 2 \arcsin( {d \over 2s} )~~[rad]

De afwijking van de (recht vooruit) oogstand bedraagt dus de helft van de binoculaire dispariteit β.

Benadering[bewerken]

De dispariteit is -zonder gebruik van goniometrische formules- te benaderen door de afstand tussen de ogen te zien als deel van een cirkelboog: Het bekeken object bevindt zich in het middelpunt van de cirkel, en hoek β (in radialen) is dan: de afstand tussen de ogen, gedeeld door de straal van de cirkel, dus

\beta = {d \over s}~~ [rad]

Of in graden:

\beta = \left( {360 \over 2 \pi}{d \over s} \right)

Deze benaderingen werken goed voor niet te kleine afstanden (ongeveer wanneer s>2d).

In afbeelding twee zijn de grootten van de binoculaire dispariteit, de benadering met d/s, en de afwijking tussen deze twee in graden uitgezet tegen de afstand oog-object, voor een oogafstand van 10 centimeter.

Afbeelding 2. Binoculaire dispariteit als functie van afstand

Zie ook[bewerken]