Biologische oorlogvoering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Krijgswetenschap

M1A1 abrams front.jpg

Biologische oorlogvoering is een manier van oorlog voeren met gebruik van levensvormen (planten, schimmels, virussen, bacteriën) of giftige chemische stoffen die door levensvormen worden geproduceerd.

De materialen om deze organismen te produceren zijn relatief goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar. Ze zijn vaak zelf te produceren. De kennis die men ervoor nodig heeft is wereldwijd beschikbaar en dat betekent dat biologische wapenproductie aanzienlijk eenvoudiger is dan het produceren van bijvoorbeeld nucleaire of chemische wapens. Voor nucleaire en chemische wapens zijn zeer geavanceerde techniek en zeer specifieke stoffen nodig, maar voor een biologisch wapen volstaat elementaire laboratoriumuitrusting. Botuline bijvoorbeeld is een gifstof die geproduceerd wordt door de bacterie Clostridium botulinum. Het is giftiger dan chemische wapens zoals sarin of tabun. Het komt wereldwijd in de bodem voor en is niet moeilijk te kweken.

Voor terreurorganisaties is biologische oorlogvoering in theorie een aantrekkelijk alternatief. Een aanslag met een biowapen kan veel angst en slachtoffers veroorzaken. Daarnaast is het een effectief middel om met een klein reservoir aan mensen en middelen een grootmacht gevoelig te treffen.

Voor een effectieve aanval moeten de producten echter zo worden verspreid, meestal als een aerosol, dat ze door veel mensen worden ingeademd. Dit is technisch nog niet zo simpel en daarnaast ook voor de pleger van de aanslag zelf mogelijk levensgevaarlijk.

Een kostenanalyse per aangetaste vierkante kilometer heeft uitgewezen dat de kostenverhouding conventioneel:nucleair:chemisch:biologisch uit te drukken is als 2000:800:600:1. Met iedere dollar besteed aan biologische wapens kan men dus evenveel schade berokkenen als 2000 dollar aan conventionele wapens. Biologische wapens zijn dus een aantrekkelijk alternatief voor armere landen en terroristen.

Bescherming[bewerken]

Tegen veel biowapens bestaat geen effectieve bescherming. Wel kun je je tegen een aantal ziekteverwekkers laten inenten. Medisch onderzoek naar de bestrijding van de diverse ziekteverwekkers gaat nog steeds door. Tegen het verspreiden van biowapens kunnen militairen zich beschermen door het dragen van hun CBRN-pak (CBRN staat voor chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair). Dit beschermt hen tegen het inademen van vervuilde lucht. Het CBRN-pak zelf beschermt hen tegen sproei- en aerosolaanvallen.

Soorten[bewerken]

Een flink aantal micro-organismen, virussen en toxinen komt potentieel in aanmerking. In het Journal of the American Medical Association werden in 1997 veertien virussen, twaalf bacteriën en twaalf gifstoffen genoemd. Het Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention wees zes ziekteverwekkers aan als het gevaarlijkst:

Het KKKA-virus dat in 2002 onder teken opdook in Turkije, blijkt volgens de Cumhuriyet Halk Partisi te zijn opgenomen op de lijst van biologische wapens van de CIA en de FBI.[1]

Geschiedenis[bewerken]

Biologische oorlogvoering is al zeer oud. Zuid-Amerikaanse Indianen bestreken hun wapens met curare of met gif van de pijlgifkikker. De Mongoolse veroveraars onder Dzjengis Khan dwongen weerbarstige steden wel eens op de knieën door kadavers van pestslachtoffers met katapulten over de stadsmuren te schieten. Ook in Europa gooiden belegeraars in de middeleeuwen lijken van pestslachtoffers over de muren van een stad of in het drinkwater om zo de ziekte in de belegerde stad te laten uitbreken.

Engelse boogschutters hadden de gewoonte om hun pijlen niet direct uit de koker te halen, maar ze eerst voor zich in de grond te steken. Niet alleen konden ze zo sneller achter elkaar schieten, maar raakten de pijlen ook besmet met bacteriën in de grond zodat de kans op een infectie (bijvoorbeeld tetanus) bij personen die geraakt werden groter werd.

In 1767 verspreidden de Britten met pokken besmette dekens onder de Indianen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten de Japanse bezetters van China de pest tegen de Chinese bevolking, met 200,000 doden (volgens sommige lezingen 440,000) als gevolg. Dit was overigens ook een voorbeeld van entomologische oorlogvoering, omdat insecten werden ingezet (in dit geval besmette vlooien).

Minder bekend is dat de Duitsers in 1943 eveneens gebruik maakten van biologische oorlogvoering door de drooggemalen Pontijnse moerassen weer onder water te zetten, zodat malaria kon terugkeren en eventueel door het gebied oprukkende geallieerde troepen de ziekte zouden oplopen. Bovendien werd de voorraad kinine door de Duitsers naar het noorden verplaatst. Men schat dat hierdoor ongeveer 100,000 personen malaria opliepen.

Verscheidene landen, zoals de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten, China en Groot-Brittannië, hebben in het verleden onderzoek gedaan naar biologische wapens en oorlogvoering, maar tot dusver is alleen Japan daadwerkelijk tot betrekkelijk grootschalige biologische oorlogvoering overgegaan.

In de 20e eeuw zijn veel testen gedaan, waarbij ook wel eens dingen fout zijn gegaan. Zo ontsnapte in 1979 in Rusland een wolk met miltvuurbacteriën. Er werden 79 resulterende gevallen van miltvuur geconstateerd. 68 patiënten kwamen om het leven. In Schotland waren tot 1990 enkele eilandjes (waar onder Gruinard, in 1986 ontsmet met behulp van 280 ton formaldehyde) verboden terrein na Britse proeven met miltvuur in 1942. De sporen van de miltvuurbacterie zijn namelijk ongewoon resistent en kunnen na decennia nog tot leven worden gewekt.

Twee internationale verdragen, het Protocol van Genève (1925) en het Verdrag biologische wapens (1972), verbieden het gebruik van biologische oorlogsvoering.

Bronnen, noten en/of referenties