Biomolecuul

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een biomolecuul is een molecuul wat van nature voorkomt in een organisme en gevormd kan worden door organismen. Voor ieder organisme zijn biomoleculen essentieel om te leven en in leven te blijven. Voorbeelden voor biomoleculen zijn eiwitten, vetten en vitamines.

3D-structuur van myoglobine

Biomoleculen bestaan voornamelijk uit koolstof, waterstof, stikstof, zuurstof en fosfor, waarbij andere elementen er sporadisch in kunnen voorkomen zoals mineralen[1]. Mineralen zijn vaak belangrijk in eiwitten waar ze het eiwit een specifieke functie kunnen geven. Een voorbeeld van een biomolecuul waarin een mineraal ingebouwd is wordt gevormd door het eiwit hemoglobine, waar een ijzerion is ingebouwd. Hemoglobine komt voor in de rode bloedcel en kan zuurstof binden via het ijzerion. Hierdoor kan zuurstof via het bloed door het lichaam vervoerd worden.

Belangrijkste soorten kleine biomoleculen[bewerken]

In de biochemie worden de belangrijkste kleine biomoleculen verdeeld in vier categorieën. Deze verdeling is gebaseerd op functie in de cel en op gemeenschappelijke structuurformules of verbindingen.

Vormen de buitenlaag van de cel. Verder is het een belangrijke brandstof voor de energiebehoefte.

Zijn essentieel in de energiebehoefte voor een cel om o.a. eiwitten goed te laten werken. Verder zijn het bouwstenen van DNA (deoxyribose) en RNA (ribose). Een andere naam voor suikers is: Koolhydraten, al vallen daar ook de lange ketens van aaneengeschakelde suikers onder.

Aaneengeschakelde aminozuren vormen polypeptiden (<20 aminozuren), eiwitten en enzymen ( >20 aminozuren).

Nucleotiden zijn de bouwstenen van DNA en RNA.

Overige (kleine) biomoleculen[bewerken]

Onder andere:

Eiwitten[bewerken]

Bijna alle reacties in en rondom de cel worden ‘begeleid’ door eiwitten. Eiwitten zijn betrokken bij het transporteren van stoffen, het omzetten van stoffen, het in stand brengen en houden van structuur in het lichaam (zoals het cytoskelet, het produceren van energie in de vorm van o.a. ATP en kan zelf, in bepaalde omstandigheden, afgebroken worden voor energiewinning. Er zijn miljoenen verschillende soorten eiwitten bekend. Veelal vormen verschillende eiwitten met elkaar complexe eiwitsystemen waardoor vaak ingewikkelde ‘taken’ in de cel uitgevoerd kunnen worden. Voorbeelden zijn lichtreacties in planten en het transport in alle cellen van organismes (zoals het nuclear pore complex) Eiwitten worden door de cel zelf geproduceerd maar, aminozuren, de bouwstenen van eiwitten, moeten door de meeste organismes worden opgenomen uit voedsel. Eiwitten kunnen naast aminozuren ook suikergroepen of fosforgroepen bevatten. De peptidebinding is specifiek voor eiwitten.

DNA[bewerken]

DNA (Desoxyribonucleïnezuur) is de bouwsteen van het genetisch materiaal in de cel (celkern). DNA is een lang molecuul, in de vorm van een dubbele helix, waarin nucleotiden op een precieze manier zijn gerangschikt. Deze rangschikking van nucleotiden vormen ‘codes’ welke staan voor de aanmaak van eiwitten. Voor meer informatie zie eiwitsynthese.

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Biochemistry fifth edition, J.M. Berg et al., W.H. Freeman and company, 2003