Blanche Delacroix

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Blanche Delacroix en Leopold II van België

Blanche Zélie Joséphine Delacroix, barones de Vaughan (Boekarest, 13 mei 1883 - Cambo-les-Bains, 12 februari 1948) was de minnares van koning Leopold II van België.

Relatie met Leopold II[bewerken]

Ze was de dochter van de bescheiden ambtenaar Jules Delacroix en Catherine Josephine Sébille.

Drie jaar voor de dood van zijn echtgenote koningin Marie-Henriette kreeg de 64-jarige koning in 1900 een relatie met het 16-jarige goed opgeleide meisje uit Parijs. De twee ontmoetten elkaar op de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs; volgens andere bronnen ontmoette hij haar al in 1899 tijdens een incognitoreis. Toen de vorst haar vroeg of ze wist wie hij was, antwoordde ze 'Koning Oscar van Zweden'.[1] Wat in het begin een flirt leek, groeide uit tot een blijvende relatie.

Zij kreeg een villa in de buurt van de koninklijke residentie, naast het park van Laken. In Oostende liet Leopold een tunnel aanleggen onder de Parijsstraat, tussen de Venetiaanse Galerijen, een deel van zijn Koninklijke Villa en haar Villa Caroline, om haar te kunnen bezoeken. Na zijn dood liet Albert I, Leopolds opvolger, deze gang onmiddellijk dichtmetselen en instorten.

Leopold overstelpte haar met geschenken, waaronder in 1908 het kasteel van Balincourt in Arronville (Val-d'Oise) en de Villa des Cèdres in Saint-Jean-Cap-Ferrat.

Twee kinderen werden uit die relatie geboren: Lucien Philippe Marie Antoine (1906-1984) door zijn vader verheven tot hertog van Tervuren en Philippe Henri Marie François (1907-1914), die de titel graaf van Ravenstein kreeg. Deze laatste had een stomphand, een afwijking, die veel voorkwam in het geslacht von Saksen Coburg en bevestigde Leopold II zo in het besef, dat hij wel degelijk de vader was. Beide adellijke titels werden informeel verleend en nooit door de Belgische Staat erkend. Leopold was zeer gelukkig met zijn jongste kinderen, daar zijn troonopvolger op jonge leeftijd gestorven was.

Latere leven[bewerken]

In een poging haar toekomst materieel te verzekeren, trouwde Leopold kerkelijk met Blanche enkele dagen voor zijn dood. Ze werd door de koning aan zijn ministers voorgesteld als "Messieurs, voici ma veuve" (Ziehier, heren, mijn weduwe). Het was een trouwplechtigheid "in articulo mortis" (op het moment van sterven) zonder officiële status, geleid door een priester. Blanche werd de titel barones de Vaughan gegeven, hoewel daaraan nooit een Koninklijk Besluit ten grondslag heeft gelegen. Na de dood van de koning moest Delacroix Brussel meteen verlaten, maar niet zonder een fortuin aan geld en juwelen mee te nemen, dat ze echter vrij snel verkwanselde.

Acht maanden na het overlijden van Leopold, in 1910, trouwde Blanche met haar vroegere minnaar Antoine Durrieux, waarna de twee kinderen door hem werden erkend en zijn familienaam aannamen. Al in 1912 werd de scheiding uitgesproken.[2]

In 1948 overleed Blanche aan suikerziekte in "Villa Kayola" in Cambo-les-Bains. Of ze toen straatarm was, zoals de verhalen willen, is niet zeker. Ze vond haar laatste rustplaats op het Cimetière du Père-Lachaise in Parijs, samen met haar man, Durrieux, haar broer en haar kind Philippe, die stierf op 7 jaar.

Haar zoon Lucien trouwde in 1927 met Lucie Gracieuse Mundutey (1900-2005). Er zijn geen nakomelingen.

Publicaties[bewerken]

  • Baronne de Vaughan. Quelques souvenirs de ma vie. Paris: Flammarion, 1936.
  • Baronne de Vaughan. Presque reine: mémoires de ma vie. S.l.: Le livre de Paris, 1944.

Literatuur[bewerken]

  • Léon Van Audenhaege. De liefde van Leopold II: barones de Vaughan. Gent: Reinaert/Het Volk, 1985. ISBN 90-6334-064-8*
  • Léon Van Audenhaege. Très-Belle. Blanche Delacroix, baronne de Vaughan, le grand amour de Léopold II. Brussel: Hatier, 1987.[3] ISBN 2870885911

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Op het moment dat beiden elkaar ontmoetten was Oscar II de koning van Zweden.
  2. Zie ook New York Times van 7 juni 1914.
  3. Très-Belle was de troetelnaam die Leopold aan Blanche gaf; zij noemde hem Très-Vieux.