Bloedbad van Hebron

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Joodse inwoner van Hebron na het bloedbad

Het Bloedbad van Hebron was een bloedbad aangericht door Arabieren onder de Joodse bevolking van de stad Hebron in het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina op 23 en 24 augustus 1929. Bij de massamoord kwamen 67 Joden om het leven.[1]

Het voor het Jodendom heilige Hebron kende vele eeuwen lang een Joodse aanwezigheid. In de jaren 1920 woonden er zo'n 800 Joden in de stad in doorgaans vreedzame omstandigheden met de Arabische bevolking. De toenemende spanningen in het mandaatgebied tussen de Joodse en Arabische inwoners begonnen gedurende dit decennium echter steeds vaker te ontaarden in gewelddadigheden.

Nadat bij een incident in Jeruzalem drie Joden en drie Arabieren waren omgekomen, begonnen geruchten de ronde te doen dat er op grote schaal Arabieren werden vermoord. In de tweede helft van augustus 1929 sloeg de vlam in de pan en braken er overal onlusten uit in Palestina.

In de namiddag van 23 augustus, op de Joodse Sabbat, begon een Arabische menigte met het gooien van stenen naar een Joodse religieuze Jesjiva. De enige student die er aanwezig was werd vermoord. De volgende dag bleven de gewelddadigheden voortduren. Sommige Joden kregen bescherming van hun Arabische buren of zochten bescherming bij de plaatselijke politiepost. Andere werden door de menigte vermoord. Na afloop van het bloedbad waren 67 Joden, waaronder 12 Sefardische Joden, vermoord.

Getuigen[bewerken]

De enige Britse politieagent die dienst deed in Hebron op 24 augustus verklaarde later hoe hij getuige was van een Arabier die met een zwaard het hoofd van een Joods kind aan het afhakken was. Nadat hij zelf doelwit werd schoot hij de Arabier neer. Ook zag hij iemand die hij als een Arabisch politieagent herkende met zijn zwaard een vrouw aanvallen.[2]

Een Amerikaans journalist, Pierre van Paassen, was een van de eerste buitenlanders die in Hebron aankwam na het bloedbad. Hij noemde later de slachtingen "vreemd en wreed" en vertelde over hoe hij onder meer in een huis dat door Joden was bewoond de afgesneden geslachtsorganen en vrouwenborsten overal verspreid zag liggen.[3] Na terugkomst in Jeruzalem hoorde hij ontkenningen over het bloedbad van diverse bronnen en spoedde hij zich terug naar Hebron met twee artsen om bewijzen te verzamelen maar bij aankomst werd hem toegang tot de stad ontzegd.[3]

Het zou tot de volgende dag duren eer er Britse versterkingen in Hebron aankwamen om de orde enigszins te herstellen.[4]

Nasleep[bewerken]

Een vijftal massagraven voor de Joodse slachtoffers werden later, toen Hebron onder Jordaans gezag kwam te staan, door Arabieren opgegraven waarna er groentetuintjes werden aangelegd.

De overlevende Joodse bevolking van Hebron werd gedwongen de stad te verlaten en werd meest in Jeruzalem gevestigd.[5] Onder de slachtoffers waren 12 vrouwen en drie kinderen. Enkele van de slachtoffers waren verkracht en verminkt.[6] Alle Joodse bezittingen in Hebron werden door de Arabieren in bezit genomen.[1]

In 1994 vond een tweede bloedbad plaats. Baruch Goldstein, een Amerikaans-Israëlische arts, drong gewapend de Ibrahimi-moskee binnen tijdens een gebedsstonde en schoot 29 biddende moslims dood en verwondde er 125.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b The Hebron Massacre of 1929
  2. Bernard Wasserstein, The British in Palestine: The Mandatory Government and the Arab-Jewish Conflict 1917-1929
  3. a b Pierre Van Paasen, Days of our Years1939-1943
  4. The Hebron Massacre of 1929, Ami Isseroff
  5. One Palestine, Complete, Tom Segev, 1999
  6. ibid

]]