Bloedbad van Santa Cruz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het bloedbad van Santa Cruz was een massamoord op Oost-Timorese demonstranten die op 12 november 1991 plaatsvond op het Santa Cruz-kerkhof in Dili, de hoofdstad van Oost-Timor, een land dat op dat moment door Indonesië bezet werd. Aanvankelijk zouden hierbij volgens de Indonesische regering 12 tot 19 studenten bij zijn omgekomen, maar bij nader onderzoek door onder meer Amnesty International bleek dat aantal veel hoger te liggen.[1] In de dagen erna zijn volgens journalist en documentairemaker John Pilger nog eens 200 andere studenten gedood in ziekenhuizen en op politiebureaus.

Achtergrond[bewerken]

Reënscenering van het Bloedbad van Santa Cruz in november 1998.

In oktober 1991 werd er tijdens een bezoek van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties, Pieter Kooijmans, een delegatie naar Oost-Timor gepland die zou bestaan uit leden van het Assembleia da República en twaalf journalisten. De Indonesische regering was echter gekant tegen de deelname van de Australische journalist Jill Joliffe, die zij als aanhanger van de FRETILIN-partij zagen,[2] waarna Portugal de delegatie afgelastte. Dit ontmoedigde veel Oost-Timorese onafhankelijkheidsactivisten die hadden gehoopt via de delegatie meer internationaal de aandacht te vestigen op hun doel, waarna de spanning tussen hen en de Indonesische regering groeide. Op 28 oktober vond een confrontatie plaats tussen pro-integratieactivisten en verzetsleden die zich in de Motael-Kerk van Dili hadden verschanst, waarbij aan beide kanten een slachtoffer viel; Sebastião Gomes die door Indonesische troepen uit de kerk werd gehaald en doodgeschoten, en Afonso Henriques die tijdens het gevecht een dodelijke steekwond opliep.

Het bloedbad[bewerken]

Het graf van Sebastião Gomes.

Op 12 november werd er een herdenkingsdienst voor Gomes gehouden. Onder de vele aanwezigen waren ook de twee Amerikaanse journalisten zoals Amy Goodman en Allan Nairn en de Brit Christopher Wenner, die onder de naam Max Stahl voor Yorkshire Television werkte. Hij legde later die dag de massamoord op videoband vast. De tocht mondde uiteindelijk uit in de grootste en meest zichtbare demonstratie tegen de Indonesische bezetting sinds 1975.

Tijdens een confrontatie tussen Indonesische troepen en activisten liep majoor Gerhan Lantara een steekwond op. Volgens journalist Max Stahl (Christopher Wenner) had Lantara een meisje aangevallen dat de Oost-Timorese vlag droeg, en activist Constâncio Pinto meldde dat ooggetuigen Indonesische soldaten en de politie klappen hadden zien uitdelen. Nadat de optocht het kerkhof had bereikt, betraden slechts enkele personen de begraafplaats, terwijl de meesten voor de ingang van het kerkhof met vlaggen bleven zwaaien en leuzen bleven roepen. Op een gegeven moment openden 200 nieuw verschenen Indonesische soldaten het vuur op de demonstranten, van wie een aantal via de hoofdingang het kerkhof opvluchtte. De daaropvolgende massamoord werd gefilmd door Max Stahl, terwijl Goodman en Nairn zich als schild tussen de Oost-Timorezen en de Indonesische troepen wierpen. De troepen begonnen met het afranselen van Goodman. Toen Nairn vervolgens Goodman probeerde te beschermen, sloegen zij hem met hun wapens de schedel in.[3] Een van de doden was Kamal Bamadhaj, een student politieke wetenschappen en mensenrechtenactivist van Maleisisch-Nieuw-Zeelandse ouders, die in Australië studeerde.

De cameraploeg slaagde er uiteindelijk in het videomateriaal naar Australië te smokkelen, waar de Nederlandse journaliste Saskia Kouwenberg ervoor zorgde dat het niet in handen viel van de Australische autoriteiten die door Indonesië waren getipt. Het materiaal werd vervolgens verwerkt in een aantal documentaires zoals In Cold Blood: The Massacre of East Timor van First Tuesday, die in januari 1992 door de Britse zender ITV werd uitgezonden.

De Indonesische autoriteiten deden het bloedbad af als een spontane reactie dan wel een misverstand van hun troepen, maar dit valt te betwijfelen gezien het feit dat de troepen ook op andere plekken zoals Quelicai, Lacluta en Kraras op grote schaal geweld gebruikten. Daarnaast werd het geweld van de troepen verdedigd door Indonesische politici en beambten zoals Try Sutrisno.

Nasleep[bewerken]

De beelden van het bloedbad in combinatie met de getuigenissen van Nairn, Goodman en anderen zorgden voor wereldwijde verontwaardiging en brachten de Indonesische regering in verlegenheid. De solidariteit met Oost-Timor groeide in het algemeen, zodat bijvoorbeeld TAPOL, een in 1973 opgerichte Britse organisatie die tot doel heeft de democratie in Indonesië te bevorderen, zich vanaf dat moment meer richtte op Oost-Timor. In de Verenigde Staten werd het East Timor Action Network (ETAN) opgericht, een netwerk dat snel groter werd.[4] Ook in Australië, Japan, Duitsland, Maleisië, Ierland en Brazilië werden soortgelijke groepen opgericht. Het Amerikaans Congres besloot te stoppen met de financiële ondersteuning van het trainen van Indonische militairen, hoewel de wapenhandel tussen de Verenigde Staten en de Tentara Nasional Indonesia wel bleef doorgaan.[5] Ook het Verenigd Koninkrijk wilde zijn economische betrekkingen met Indonesië net in gevaar brengen en bleef daarom doorgaan met leveren van wapens.[6]

In september 1999 verbrak president Bill Clinton alle militaire betrekkingen met Indonesië[7]. Ook Australië verbrak in dat jaar zijn militaire betrekkingen met Indonesië, hoewel dit niet rechtstreeks naar aanleiding van het bloedbad van Santa Cruz was; tijdens het regime van Soeharto had Australië zijn militaire band met Indonesië juist aangescherpt.[8]

In het onafhankelijk geworden Oost-Timor is 12 november tegenwoordig een nationale vrije dag.

Bronnen, noten en/of referenties