Boerenkrijg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Boerenkrijgstandbeeld te Hasselt (België) (nov 2004)

De Boerenkrijg was een Zuid-Nederlandse boerenopstand uit 1798, gericht tegen de Franse bezetting. De opstand werd al na twee maanden de kop ingedrukt en was, alhoewel het verzet op sommige plaatsen nog tot 1799 werd verder gezet, eind 1798 al over zijn hoogtepunt heen. Toch werd de gebeurtenis later geromantiseerd door Vlaamse en Belgische nationalisten als een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van hun ontvoogdingsstrijd.

Geschiedenis[bewerken]

Op 12 oktober 1798 kwam de Vlaamse en Brabantse boerenbevolking (de brigands) in opstand tegen de Franse bezetter (Sansculotten) met als leuze Voor outer en heerd ("voor altaar en haard", dit betekent: "voor Kerk en gezin"). De Fransen hadden de Zuidelijke Nederlanden slechts 3 jaar voordien (1795) in handen gekregen, na een overwinning op de Habsburgse keizer Frans II, die tot dan over de Zuidelijke Nederlanden regeerde.

Motieven en aanleiding[bewerken]

Het strenge regime van de militaire bezetting door de Fransen (vanaf de Slag bij Fleurus op 26 juni 1794, tot het uitvaardigen van het decreet van 1 oktober 1795), de vele confiscaties, extra-heffingen en de oorlogsleningen, zonder de minste inspraak van de plaatselijke bevolking, hadden de Fransen weinig geliefd gemaakt. Er heerste een algemeen klimaat van ontevredenheid.

De bewoners van de vroegere Zuidelijke Nederlanden en van het Prinsbisdom Luik waren door dit decreet van 1 oktober 1795 Franse staatsburgers geworden. Alle eeuwenoude privaatrechtelijke en publieke gebruiken werden afgeschaft. In de Vlaamse, Duitse en zelfs Waalse streken werd het Frans als officiële taal slechts door een minderheid verstaan en werden de uitdrukkingen in de officiële publicaties zo goed als niet begrepen.

De redenen tot dit gewapend verzet waren dan ook de hoge belastingen, de antigodsdienstige politiek van sluiting van de kerken gepaard gaande met de vervolging van de niet-beëdigde priesters (die de door de paus afgekeurde eed van trouw aan de Franse grondwet en "haat aan het koningschap" niet wilden afleggen).

Door de Wet op de algemene dienstplicht (ook gekend als de wet Jourdan-Delbrel) van 5 september 1798 (19 fructidor VI) moesten alle jongemannen tussen 20 en 25 jaar dienst nemen in het Franse "bevrijdings"-leger. Een algemene dienstplicht was voorheen onbekend, omdat legers bestonden uit vrijwilligers aangevuld met huurlingen.

Verloop[bewerken]

Het volk kwam, onder de leuze Voor Outer en Heerd, in opstand tegen het Franse bewind. Er verschenen plakkaten (aanplakbrieven) in de grote steden op kerken en openbare gebouwen met o.a. de tekst: "Nederlanders ! blyft nu bijeen, wy moeten standvastich wezen".

De begindatum van de opstand was gepland op donderdag 25 oktober 1798 door de "Brabantse patriotten". Zij hadden bemiddeld bij en steun gevraagd aan buitenlandse mogendheden (Nederland, Engeland, Pruisen). Het verzet kreeg beperkte steun onder de vorm van Engelse wapens. Ook Nederland (Willem V van Oranje hoopte op een herstel van de Verenigde Nederlanden) en Pruisen beloofden hulp.

Maar er gebeurde een eerste incident bij Overmere (tussen Gent en Dendermonde) op 12 oktober 1798 naar aanleiding van een inbeslagname bij een boer-belastingweigeraar.

Dienstweigeraars bij de gedwongen rekrutering waren ondergedoken en hadden zich verenigd tot een verzetslegertje. In de gemeenten die de beweging onder controle kreeg, velden zij de "vrijheidsbomen", vernielden zij de registers van de burgerlijke stand en de conscriptielijsten, werden niet-beëdigde priesters opnieuw aangesteld en werden vrijwilligers gerekruteerd in afwachting van de komst van de geallieerde troepen. De steden bleven afzijdig, ook omdat ze beter gecontroleerd werden.

Sommige groepen trokken naar de kust, de Engelsen tegemoet. Twee landingen van de Engelse schepen mislukten, eerst te Vlissingen (op 21 oktober 1798) en dan te Blankenberge (op 23 en 24 oktober 1798). De opstandelingen leden een nederlaag te Ingelmunster. Er vielen 200 doden. Ook in Zuid-Oost-Vlaanderen werd de opstand reeds op 20 oktober 1798 de kop ingedrukt. Mechelen werd kortstondig bezet op 22 oktober 1798. Dit resulteerde in de executie van 41 opstandelingen voor de Sint-Romboutskathedraal. Op 5 september 2011 werd in de pers bekendgemaakt dat hun stoffelijke resten opgegraven waren tijdens de aanleg van een ondergrondse parking.[1] In Vlaams-Brabant konden de opstandelingen, onder leiding van Emmanuel Rollier, ongeveer twee weken standhouden, maar de opstand werd gebroken op 5 november 1798.

Anderen sloten zich aan bij het groeiende Kempense leger onder leiding van Emmanuel Jozef van Gansen. Hier begon de opstand in Geel op 15 oktober 1798. Ze hadden hun basis in de abdij van Tongerlo en beheersten kortstondig, en met wisselend succes, de wijde omgeving. Zij werden echter in de rug bestookt door Franse afdelingen uit de Bataafse Republiek.

De ruggengraat van de opstand brak op 5 december 1798 toen het Brabantse katholieke leger na een achtervolging over Herentals, Geel en Diest [2] bij Hasselt na verraad werd verslagen. Men schat het aantal doden tussen 5.000 en 10.000. Er volgde een strenge repressie waarbij de meeste leiders werden terechtgesteld (190 gefusilleerden), maar ook de verdachten onder de bevolking, jong en oud, het met de dood moesten bekopen. In totaal vielen er in deze opstand rond de 15.000 doden.

Deze opstand, gevoed door een vaag geformuleerd nationalisme, vond echter weinig aanhang in de grotere steden en geen weerklank in de Waalse dorpen, tenzij in het noorden van Henegouwen en Waals-Brabant. De benaming Boerenkrijg werd voor het eerst gebruikt in 1798 door een Mechelse kroniekschrijver.

Boerenkrijgstandbeeld te Herentals

Leiders[bewerken]

Leiders van de opstand waren onder meer Pieter Corbeels uit Turnhout (geboren in Leuven) (1755-1799), Emmanuel Benedict Rollier uit Sint-Amands (1769-1851), Michiel van Rompay uit Bonheiden en Emmanuel Jozef van Gansen uit Westerlo (1766-1842). In het zuiden van het land was de legendarische brigand Charles-François Jacqmin actief, die al in 1795 in Loupoigne (Waals-Brabant) een verzetsgroep vormde om tegen de Franse revolutionairen te strijden en het land terug onder Oostenrijks gezag te brengen. Daarbij gebruikte hij de naam Charles de Loupoigne; die naam is later in de volksmond verbasterd tot "Charlepoeng". Hij werd in juli 1799 eveneens verraden en door de sansculotten gedood tijdens een gevecht in Margijsbos te Loonbeek, bij Huldenberg.

Luxemburg[bewerken]

Hardstenen Kruis in Haasdonk met de gouden tekst: IHS D.O.M. Ter gedachtenis van J.B. Tassijns - Alhier laffelijk vermoord - Den 5 oegst 1799 - Gedenkt, gij die voorbijgaat, En diep dit kruise groet, Gedenkt o volk van Vlaanderen, Hier vloeide onschuldig bloet, Hier viel Tassijns voor land en Kerk, Hier draagt de grond het heilig merk, Van enen martelaar - 18 september 1898 - R.I.P.

In Duitstalige delen van Luxemburg (departement van de "Wouden") kwam er wel een opstand, de zogenaamde Klöppelkrieg, maar deze werd eveneens vlug de kop ingedrukt. Op 29 oktober 1798 trok een legertje van 2000 man op naar de stad Luxemburg, maar ze hebben zich wijselijk teruggetrokken. Bij Arzfeld is er een schermutseling geweest met enkele tientallen doden.

Natijd[bewerken]

Er waren nog kleinere heropflakkeringen in de periode 1799-1800, toen de kansen van de Fransen op de internationale slagvelden even leken te keren. De dokterszoon Jan Cornelis Elen uit Scherpenheuvel, Van Gansen en zijn boezemvriend, Geert Helsen voerden nog maandenlang enige guerrillagevechten. Maar toen de landing van de Engelsen in augustus 1799 in Den Helder opnieuw uitdraaide op een mislukking hielden zij zich verder schuil. Na 1800 waren er geen vermeldenswaardige feiten meer.

Na de bevrijding door de geallieerde legers voerde het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden geen repressie tegen de Fransgezinden en de verzetsstrijders van de Boerenkrijg werden niet in ere hersteld. De traditionele Belgische geschiedschrijving plaatst dit verzet helemaal in het antirevolutionaire kamp. Moderne historici zien in deze strijd een laatste stuiptrekking van het Ancien Regime in een poging de vernieuwing van de maatschappij af te wenden.

Hendrik Conscience schreef een geromantiseerd epos over deze opstand en heeft deze strijd wat geïdealiseerd. Hij schreef het volgende: "Vandaag durft niemand van de nog levende patriotten beweren dat hij aan deze heroïsche strijd heeft meegedaan" (De Boerenkrijg, 1853).

Allerlei[bewerken]

  • In Hasselt (Oude Truierbaan, aan de kapel van Hilst waar de slag plaatshad) wordt deze gebeurtenis jaarlijks door het Boerenkrijgcomité herdacht met een optocht en een eucharistieviering.
  • In 1853 schreef Hendrik Conscience een roman over de Boerenkrijg.
  • Archeologen vonden in 2011 op het Sint-Romboutskerkhof in Mechelen een massagraf met daarin 41 skeletten, lichaamsresten van gefusilleerde boerenkrijgers.
  • Willy Vandersteen tekende in 1948 een eenmalig stripverhaal rond de Boerenkrijg genaamd "De Jonge Brigand".
  • De Boerenkrijg vormt ook de achtergrond voor het Suske en Wiskealbum De gladde glipper
  • Op het kerkplein van Overmere, waar de opstand uitbrak, bevindt zich het Boerenkrijgmonument.
  • In Haasdonk wordt deze gebeurtenis jaarlijks herdacht op 13/10 door het branden van kaarsjes op de vensterbanken en boven de deuren.
  • Het eerste lied over deze gebeurtenis heet "Voor Outer en Heerd".
  • Het tweede lied "O Kruise den Vlaming" verhaalt in de laatste strofe over het kruis van Haasdonk (zie afbeelding hiernaast):

O Kruise den Vlaming door moeders hand, Op ’t voorhoofd gedrukt en in ’t harte geplant! O Kruis voor de nachtrust! O Kruis voor het werk! O Kruis op de haardstêe! O Kruis op de Kerk! Geen hand zal u schenden. Geen storremgeweld Dat ’t Kruisbeeld in Vlaanderen ooit nedervelt. (bis)

Eens velde de vijand het Kruisbeeld ter neer: Toen grepen ons jongens naar vaders geweer, En moeder verborg hun haar vliemende smart, En spelde hun bevend het Kruis op het hart. O gaat nu, mijn kindren, en strijdt voor Gods Kruis. Het voer’ u ten zege, en ’t breng’ u weer thuis. (bis)

Niet één heeft het hoofd voor den kogel gebukt; Zij vielen, het Kruis aan hun lippen gedrukt; Het Kruis op hun borst was wel rood van hun bloed, Doch sterven voor ’t Kruis dat is Vlamingenmoed. O Moeder, en ween niet in ’t eenzame huis. Uw kind is gestorven in d’armen van ’t Kruis. (bis)

O Kruise dat rijst aan de rand van het woud, O Kruise van hardsteen met letters van goud, Gij zijt met de Vlaming in 't graf neergedaald, Gij rijst uit zijn graf nu, en zegepraalt. O Kruis in het bloed onze helden geplant, Bewaar steeds, en zegen ons Vlaanderland". (bis)

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • E. MARTENS, De Boerenkrijg in Brabant (1798-1799). Dit werk geeft eveneens een chronologisch overzicht van alle incidenten, ook de zeer kleinschalige, inbegrepen cijfers, plaatsen, ooggetuigenverslagen, enz...
  • De Erfenis van de Franse Revolutie 1794-1814; X. De Conscriptie; catalogus vanb de tentoonstelling (17 maart - 11 juni 1989)
Noten