Boheemse adel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Boheemse adel of Tsjechische adel refereert aan de adel in Tsjechië, dat historisch is ontstaan uit Bohemen, Moravië, Opper-Silezië en de Lausitz. Dit gebied is ook bekend als de Boheemse kroon, "De Landen van de Boheemse Kroon" of "de Landen van de kroon van de heilige Wenceslaus".

Oorsprong[bewerken]

De Boheemse adelsgeslachten gaan terug op de hoofden van de Slavische stammen die zich in de 8ste eeuw in Midden-Europa vestigden. Zij kozen uit hun midden koningen die een centraal gezag in een ruimer gebied konden handhaven. In de 10de eeuw stabiliseerde zich dat in een 'koninkrijk Bohemen'. In de 14de eeuw kwamen ook Moravië en Silezië onder het Boheemse koninklijke gezag. Dat had zich intussen gevoegd onderhet hogere gezag van de Duitse keizers. Deze oriëntatie op het Duitse Rijk bracht een nieuw, dat wil zeggen een Duits, element in de gelederen van de Boheemse-Moravisch-Silezische adel. De koningen en de hoge adelsgeslachten zochten huwlijkspartners onder de adel van Oostenrijk, Beieren en Saksen en Thüringen. In de Praagse hofcultuur en de naamgeving van families en hun bezit werd dat in het toenemend gebruik van het Duits zichtbaar. Ook Tsjechische adelsgeslachten gingen zich en hun bezittingen en kastelen met Duitse namen sieren. Adellijken uit de omringende gebieden verwierven ook bezit in Bohemen en gaven dat hun eigen Duitse naam.

Nationale revoluties en Habsburgse dominantie[bewerken]

In de 15de eeuw kwam in deze ontwikkelig een wending door de opstanden van het stedelijk proletariaat en van de lagere adel die geen belang had om aan de ‘Duitse mode’ mee te doen. Hun Hussitisme was een religieuze en sociale maar bovenal ook nationale revolutie die het Duitse element voorlopig terugdrong, vooral in de steden. Echter niet onder de hoge adel. Deze volgde het koningschap dat nauw verbonden bleef met de hoge adel in het Duitse Rijk en uiteindelijk met de Habsburgers die vanuit Oostenrijk en Beieren hun macht uitbreidden en steeds nadrukkelijker het Duitse keizerschap als een erfelijk recht nastreefden. Een tweede religieuze en nationale revolutie brak na twee eeuwen uit. In de Slag op de Witte Berg in 1620 werden de Hussieten en Lutheranen door de Habsburgsgezide Katholieke partij verslagen. Het Habsburgse huis, kreeg nu erfelijk de Boheemse koningstitel, voorheen een door de Boheemse adel gekozen koningschap, in handen. Voor de adel zelf had dit ingrijpende gevolgen. De verslagen lagere adel die de leiding van de dissidenten op zich had genomen, werd onteigend, als zij zich niet onderwierp en bekeerde. Het onteigende bezit werd geschonken aan een immigrantenadel van Habsburgsgetrouwe edelen uit het overige Duitse Rijk, maar ook uit Noord-Italië en zelfs uit Ierland en Schotland. Dit waren vaak officieren die in het Habsburgse leger hadden gevochten tegen de Tsjechische dissidenten. Dit versterkte het Duitstalige karakter van de Boheemse adel aanzienlijk en sinds die tijd werd zij een integraal deel van de Habsburgse adel, welke in Oostenrijk, Hongarije, Noord-Italië en Silezië de macht uitoefende. Dat laatstgenoemde gebied zou in de 18de eeuw overigens door Pruisen veroverd worden en daarmee kwam de Silezisch-Boheemse adel daar onder een andere soeverein, de koning van Pruisen. Deze adel kon niet langer Boheems of Oostenrijks genoemd worden.

Hybride naamgeving[bewerken]

De hybride namen van de adellijke families getuigen van de vermenging van Tsjechen en Duitstaligen door de eeuwen heen. Oude Tsjechische namen kregen een Duitse aanpassing in schrijfwijze en in toevoegingen. Nieuwe Duitse namen burgerden in maar werden ook vaak weer verbonden met Tsjechische namen. Daarop kwam in 1918 een reactie toen Bohemen het centrum werd van een nieuwe nationale en dominant Tsjechische staat: Tsjechoslowakije. De Boheemse adel werd nu als een ondemocratisch en ook on-nationaal element beschouwd, verbonden aan een eeuwenlange Habsburgse bezetting en onderdrukking van de Tsjechische natie. Zij werd gedeeltelijk onteigend en een aantal families weken uit naar Oostenrijk of Duitsland. In de officiële naamgeving werd na 1918 het Duitse element zoveel mogelijk geretoucheerd door het in een Tsjechische vorm te gieten. Daarmee werd uiterlijk gesuggereerd dat de geschiedenis van de Boheemse adel een onderdeel van de Tsjechische nationale geschiedenis zou zijn en ontkende op die wijze de historisch gevormde en gecompliceerde culturele en nationale gelaagdheid. Maar als men de rol van adellijke geslachten in de historische literatuur wil nagaan, en de Boheemse adel speelde een grote rol in de geschiedenis van Midden-Europa, is men toch aangewezen op deze namen van voor 1918, ondanks dat ze in het huidige Tsjechië en in de Tsjechische literatuur als nationaal incorrect worden vermeden en zijn vervangen door correct-Tsjechische namen, althans namen met een Tsjechisch correcte schrijf- en spellingswijze. Daarom is in de lijst tussen haken zo nodig ook een oudere naam weergegeven.

De uiterlijke aanpassing kreeg een vervolg na 1945 toen de Boheemse adel geheel werd onteigend en, voor zover zij Duitstalig was, als landverrader is uitgewezen volgens de Beneš-decreten die de Sudetenduitsers als collectief werden opgelegd. De onderstaande lijst van adellijke geslachten is onvolledig. Veel geslachten zijn uitgestorven, dat wil zeggen in andere families opgegaan. Maar de lijst geeft wel een representatief beeld van de situatie vóór 1918. Daarna verloor de Boheemse adel zijn positie, zijn bezit en zijn inkomstenbronnen. De meeste families verdwenen naar Oostenrijk en Duitsland. Na 1990 kwamen enkelen terug, op grond van hun goede relaties met de nieuwe post-communistische regering. Na het afleggen van een nationaal examen konden zij het Tsjechische staatsburgerschap en via juridische procedures een deel van hun verloren bezit terugkrijgen. De bekendste is de familie Schwarzenberg waarvan Karel von Schwarzenberg enige tijd minister van buitenlandse zaken van de Tsjechische Republiek werd.

Lijst van adellijke families[bewerken]

  • z Aichelburka (Aichelburg)
  • Althann
  • Bavorové z Strakonice (Bawor von Strakonitz)
  • Belcredy
  • Berka z Dubé (Berka von Dauba und Leipa, ook: Berken von der Duba)
  • Bieberstein
  • Bořkové-Dohalští
  • Buquoy
  • Častolowitz
  • Chorinsky
  • Chotek von Chotkow und Wognin
  • Choustnik
  • Cimburg
  • Clam-Gallas
  • Clary und Aldringen
  • Coreth zu Coredo und Starkenberg
  • Czernin von und zu Chudenitz
  • Colloredo-Mansfeldové (Colloredo-Mansfeld)
  • Czernin
  • Chotkové
  • Deymové
  • Dobřenští
  • Dohna
  • Dražice
  • Eggenberg
  • Eissner von und zu Eisenstein
  • Fahrensbach
  • Feuerstein von Feuersteinsberg
  • Filípkové
  • Fürstenberg
  • Glaubitz
  • Goßler
  • Götzen
  • Hildprandtové (Hildebrand)
  • Hannig (Vladiken)
  • Harbuval-Chamaré
  • Harrach
  • Hartig
  • Herberstein
  • Herzan von Harras
  • Herzogenberg
  • Neuhaus
  • Hirschstein
  • Hlávka
  • Hochberg
  • Holleb
  • Hrabischitz
  • Hrobschitz
  • Jankovský z Vlašimi
  • Janowsky z Janowicz a Klenowyho (Janowski von Janowitz zu Cleynowo)
  • Jesenští
  • Jesenský
  • Kaunitz
  • Keuschburg
  • Kinsky (Kinsky von Wchinitz und Tettau)
  • Klebelsberg
  • Kálnokyové
  • Kinští
  • Kolowrat
  • Kostka von Postupitz
  • Kotz von Dobrz
  • Kounicové
  • Kraiger von Kraigk
  • z Kravař
  • z Kunštátu (Kunstadt)
  • Kropáčové z Nevědomí
  • Landstein
  • Lannové
  • Ledec von Ritschan
  • Leipa
  • Lenk von Wolfsberg
  • Lev von Rosental
  • Lichtenburg
  • Lichtenštejnové (Huis Liechtenstein)
  • Liechtenstein-Kastelkorn
  • Lichnowski
  • z Lipé
  • Lobkowicz (Lobkowitz)
  • Logothetti Magnis
  • Malowetz
  • Martinic (Martinitz)
  • Matuschka
  • Michna von Vacínov
  • z Mitrovic (Mitrowitz)
  • Mladota von Solopisk
  • Mratsch von Dauba
  • Neubergové (Neuberg)
  • Nostitz
  • Notthafft
  • Nosticové
  • Oppersdorff
  • Osovský von Doubravitz
  • Osterberg
  • Paarové
  • Pannwitz
  • Parishové
  • Pechanec von Kralowitz
  • Pergler von Perglas
  • Pernstein
  • Pflugk
  • Pilgram
  • z Poděbrad
  • Přemyslovci (koningsgeslacht)
  • Purkyně
  • Rausch von Rauschenbach
  • Reinsberg
  • Riesenberg
  • Ringhofferové (Ringhoffer)
  • Ritschl von Hartenbach
  • Rohanové
  • Ronovci
  • Ronow und Biberstein
  • Rosenberg
  • z Rýzmburka (Riesenburg)
  • Slavník
  • Smiřičt
  • Sahrer von Sahr
  • Schirnding
  • Schlick
  • Schönberg
  • Slavata von Chlum und Koschuberg
  • Huis Schwarzenberg
  • Sparneck
  • Šporkové (Sporck)
  • Steinbach von Kranichstein
  • Šternberkové (Sternberg)
  • Stubenberg
  • Švamberkové (Schwanberg)
  • Thun-Hohenstein
  • Thurzo
  • Tieschowitz von Tieschowa
  • Trautenberg
  • Tschelechowitz von Kralowitz
  • Trautmannsdorf
  • Tschirschky
  • Tworkau
  • Unruh
  • Vrtba
  • Waldstein (ook: Wallenstein)
  • Vítkovci (Witkowitz)
  • z Vlašime
  • Vršovci
  • Wallis von Carrighmain
  • Wartenberg
  • Wiedersperger von Wiedersperg
  • Windisch-Graetz
  • Wirsberg
  • Würben
  • Zajíc von Hasenburg
  • Zázadský von Gamsendorf
  • Zedwitzové (Zedwitz)
  • Zierotin
  • Zmrzlik von Schweissing
Bronnen, noten en/of referenties
  • Der böhmische Adel von Graf Meraviglia-Crivelli 1886. *[1]