Box 3
In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is box 3 een categorie inkomsten: de inkomsten uit sparen en beleggen.[1]
Inhoud |
[bewerken] Vermogen
Het gaat om vermogen dat niet in een van de eerdere categorieën van inkomen valt, dat wil zeggen vermogen waarop geen belastingverplichting in box 1 of box 2 rust. Niet in box 3 valt:
- ondernemingsvermogen (box 1),
- de eigen woning (box 1)
- vermogen dat onder de terbeschikkingstellingsregeling valt (box 1),
- aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren (box 2),
- bedrijfsopties (box 1),
- de fiscale oudedagsreserve (box 1).
De heffingsgrondslag is de waarde van de bezittingen min die van de schulden.
Tot de bezittingen behoren onder andere de waarde van een tweede huis, betaalrekeningen, spaarrekeningen en effectenrekeningen, kostbaarheden, aandelen en obligaties. Zogenaamde maatschappelijke beleggingen (beleggingen in als zodanig erkende groenfondsen en sociaal-ethisch fondsen) zijn tot een gezamenlijk maximum (2010: € 55.145; 2011: € 55.476) vrijgesteld (hier bovenop is er een aflopende regeling voor een speciale heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen).
Ook tot een gezamenlijk maximum (2010: € 55.145; 2011: € 55.476) zijn vrijgesteld:
- voor de eerste acht jaar: beleggingen in durfkapitaal
- culturele beleggingen; dit zijn aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan aangewezen cultuurfondsen.
Hier bovenop is er, alleen voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen, een aflopende regeling voor een korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen.
Voor contant geld is er sinds 2010 (Fiscale vereenvoudigingswet 2010) een vrijstelling (2010: € 500; 2011: € 503).
Ook vrijgesteld is de waarde van overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van minder dan € 6703 (2009 en 2010; deze zijn vaak bedoeld als uitvaartverzekering), uitvaartverzekeringen in natura en (aanhangig) een speciaal bankspaartegoed dat uitsluitend vrijkomt bij overlijden. In totaal mag de waarde niet meer zijn dan € 6703. Als de waarde wel meer is wordt niets vrijgesteld, maar overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van € 6703 of meer vallen hier helemaal buiten. Roerende zaken en kunstvoorwerpen worden in het algemeen niet tot het vermogen gerekend. Voor personen van 65 jaar en ouder met een laag inkomen uit arbeid, pensioen en eigen huis wordt de vrijstelling vermeerderd met een ouderentoeslag. Het geblokkeerde saldo van de spaarloonrekening is ook vrijgesteld tot € 17.025,-. Voor het tegoed op de levensloopregeling geldt een algehele vrijstelling tijdens de gehele looptijd.
Schulden zijn bijvoorbeeld hypotheekschulden waarvan de rente niet aftrekbaar is in box 1. Belastingschulden tellen niet mee en de waarde van de overige schulden komt alleen in aanmerking voor zover deze in totaal meer bedraagt dan € 2900.
De verplichting van ouders om hun kinderen te onderhouden geldt voor de ouders niet als schuld en voor de kinderen niet als bezitting.
Sinds 2011 is de peildatum 1 januari van het betreffende belastingjaar (Fiscale vereenvoudigingswet 2010). Bij de gebruikelijke aangifte in het eerste kwartaal moet dus niet het vermogen op de meest recente 1 januari worden opgegeven, maar het vermogen op 1 januari, ruim een jaar geleden. Ook mag als peildatum één dag eerder worden gekozen, 31 december.
Er is een heffingvrij vermogen (2010: € 20.661; 2011: € 20.785; 2012: € 21.139; soms heffingsvrij vermogen genoemd).
[bewerken] Forfaitair rendement
Artikel 5.2 Inkomstenbelasting 2001 stelt voordeel uit sparen en beleggen op 4% (forfaitair rendement) van het vermogen voor zover dat meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen (het bedraagt dus minstens € 0).
Het inkomen in box 3 telt soms wel, soms niet mee bij inkomensafhankelijke bijdragen en toeslagen:
Wel bij:
- de inkomensafhankelijke bijdragen AWBZ, de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget.
Niet bij:
Indien wel, dan heeft vrijstelling van vermogensbestanddelen niet alleen voordeel voor de inkomstenbelasting, maar via vermindering van het in aanmerking genomen inkomen ook voor de betreffende regelingen.
Men krijgt geen huurtoeslag als het vermogen boven het heffingvrije vermogen ligt, zelfs niet als dit vrijgesteld is voor de inkomstenbelasting.
[bewerken] Heffing
Volgens artikel 2.13 Inkomstenbelasting 2001 is het tarief hierover gesteld op 30%. Effectief betaalt men dus 30% x 4% = 1,2% van de niet vrijgestelde vermogenswaarde. Deze heffing wordt de vermogensrendementsheffing genoemd.
Critici stellen dat deze belasting over een forfaitair rendement niet in overeenstemming is met het draagkrachtbeginsel.[2] Wel is er door de vrijstelling Benthamse progressie.
[bewerken] Geschiedenis
Box 3 vervangt de vroegere vermogensbelasting (2000: 0,7% met een vrijstelling van f 200.000 (€ 90.756)) en de inkomstenbelasting over de werkelijke inkomsten uit vermogen in de vorm van onder andere rente, dividend en huur. Er was een rentevrijstelling en een dividendvrijstelling (2000: elk f 1000 (€ 454)). Er gold een schijventarief voor het totaal van alle inkomsten (dus bij bijv. een hoog loon moest ook veel belasting over de rente betaald worden).
Waardeaangroei van aandelen was echter niet belast. Dit leidde tot beleggingsfondsen op basis van liquiditeiten en obligaties waarbij de rente niet als dividend werd uitgekeerd, maar de koers deed stijgen: groeifondsen.[3] Deze moesten wel 35% vennootschapsbelasting over de winst betalen, maar dat was vaak minder dan het marginale inkomstenbelastingtarief van de aandeelhouders. Deze fondsen zijn sinds 2001 niet interessant meer (zelfs niet na omzetting in een variant die geen vennootschapsbelasting verschuldigd is) en daarom rond die tijd veelal omgezet in gewone obligatiefondsen, die dividend uitkeren. en ook geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Ook waren aandelen populair die onbelast stockdividend uitkeerden.
Aftrekbaarheid van betaalde rente is in de loop van de tijd steeds meer beperkt. Zoals blijkt uit het bovenstaande is deze er nu slechts in die zin dat schulden, op € 2800 na, van de bezittingen worden afgetrokken voor de bepaling van de vermogensrendementsheffing. Dit geeft alleen een belastingvoordeel voor zover de bezittingen groter zijn dan het heffingsvrije vermogen. De zaak ligt anders voor hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning, deze valt in box 1, er hoeft dus geen vermogen tegenover te staan en de rente kan al worden afgetrokken als er überhaupt andere inkomstenbestanddelen zijn.
De vermogensbestanddelen werden tot en met 2010 gewaardeerd per 1 januari en 31 december, van deze waarden wordt het gemiddelde vermogen genomen.
[bewerken] Zie ook
Bronnen, noten en/of referenties:
- ↑ Het belastbare inkomen in deze box wordt behandeld in hoofdstuk 5, het tarief in artikel 2.13 van de wet
- ↑ Belasting op rendement is rampheffing door Bas Jacobs, lid van de vakgroep Algemene Economie aan de economische faculteiten van de UvA en de Katholieke Universiteit Brabant. De Volkskrant: 28 januari 2000
- ↑ Niet te verwarren met de andere betekenis van het woord groeifonds: beursgenoteerde onderneming waarvan verwacht wordt dat deze in de toekomst sterk zal groeien en daarom een hoge koers-winstverhouding heeft.