Box 3

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is box 3 een categorie inkomsten: de inkomsten uit sparen en beleggen.[1]

Inhoud

Vermogen [bewerken]

Het gaat om vermogen dat niet in een van de eerdere categorieën van inkomen valt, dat wil zeggen vermogen waarop geen belastingverplichting in box 1 of box 2 rust.

Niet in box 3 vallen:

De heffingsgrondslag is de waarde van de bezittingen min die van de schulden.

Tot de bezittingen behoren onder andere de waarde van een tweede huis, betaalrekeningen, spaarrekeningen en effectenrekeningen, kostbaarheden, aandelen en obligaties. Beleggingen in als zodanig erkende groene beleggingen zijn tot €56.420 vrijgesteld (hier bovenop is er een speciale heffingskorting voor groene beleggingen van 0,7%).

Voor contant geld is er sinds 2010 (Fiscale vereenvoudigingswet 2010) een vrijstelling (2012, 2013: € 512).

Ook vrijgesteld is de waarde van overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van minder dan € 6859 (2012; deze zijn vaak bedoeld als uitvaartverzekering), uitvaartverzekeringen in natura en (aanhangig) een speciaal bankspaartegoed dat uitsluitend vrijkomt bij overlijden. In totaal mag de waarde niet meer zijn dan € 6859. Als de waarde wel meer is wordt niets vrijgesteld, maar overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van € 6859 of meer vallen hier helemaal buiten. Roerende zaken en kunstvoorwerpen worden in het algemeen niet tot het vermogen gerekend. Voor personen van 65 jaar en ouder met een laag inkomen uit arbeid, pensioen en eigen huis wordt de vrijstelling vermeerderd met een ouderentoeslag. Het geblokkeerde saldo van de spaarloonrekening is ook vrijgesteld tot € 17.025,-. Voor het tegoed op de levensloopregeling geldt een algehele vrijstelling tijdens de gehele looptijd.

Schulden zijn bijvoorbeeld hypotheekschulden waarvan de rente niet aftrekbaar is in box 1. Belastingschulden tellen niet mee en de waarde van de overige schulden komt alleen in aanmerking voor zover deze in totaal meer bedraagt dan de doelmatigheidsdrempel voor kleine schulden (2012, 2013: € 2900).

De verplichting van ouders om hun kinderen te onderhouden geldt voor de ouders niet als schuld en voor de kinderen niet als bezitting.

Sinds 2011 is de peildatum 1 januari van het betreffende belastingjaar (Fiscale vereenvoudigingswet 2010). Bij de gebruikelijke aangifte in het eerste kwartaal moet dus niet het vermogen op de meest recente 1 januari worden opgegeven, maar het vermogen op 1 januari, ruim een jaar geleden. Ook mag als peildatum één dag eerder worden gekozen, 31 december. Voor de aangifte 2011 kan men dus de gegevens overnemen van de aangifte 2010, en vanaf deze aangifte hoeft men slechts financiële gegevens op te geven van meer dan een jaar oud. Hierdoor zal het minder vaak voorkomen dat de gegevens nog niet binnen of nog niet vergaard zijn, en dat men uitstel moet aanvragen.[2] Recentere gegevens (nl. over de loop van het belastingjaar) die wel opgegeven moeten worden zijn de bedragen van de ingehouden dividendbelasting, omdat deze vaak voorheffingen zijn die op de te betalen belasting in mindering worden gebracht.

Er is een heffingvrij vermogen (2012, 2013: € 21.139[3]; 2013: € 21.139; soms heffingsvrij vermogen genoemd).

Bij een inkomen in box 1 (vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek) van niet meer dan € 19.895 wordt voor iemand die de AOW-leeftijd heeft bereikt het heffingvrije vermogen verhoogd met een ouderentoeslag van € 27.984 of de helft hiervan (afhankelijk van het inkomen).[4]

De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen (het bedrag is dus minstens € 0).

Diverse wetten verwijzen naar "de rendementsgrondslag bedoeld in artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001". Dit betreft de hier behandelde grondslag sparen en beleggen.

Forfaitair rendement [bewerken]

Artikel 5.2 Inkomstenbelasting 2001 stelt het voordeel uit sparen en beleggen op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag sparen en beleggen.

Het inkomen in box 3 telt soms wel, soms niet mee bij inkomensafhankelijke bijdragen en toeslagen:

Wel bij:

Niet bij:

Indien wel, dan heeft vrijstelling van vermogensbestanddelen niet alleen voordeel voor de inkomstenbelasting, maar via vermindering van het in aanmerking genomen inkomen ook voor de betreffende regelingen.

Men krijgt geen huurtoeslag als het vermogen boven het heffingvrije vermogen ligt, zelfs niet als dit vrijgesteld is voor de inkomstenbelasting.

Heffing [bewerken]

Volgens artikel 2.13 Inkomstenbelasting 2001 is het tarief hierover gesteld op 30%. Effectief betaalt men dus 30% x 4% = 1,2% van de niet vrijgestelde vermogenswaarde. Deze heffing wordt de vermogensrendementsheffing genoemd.[5]

Critici stellen dat deze belasting over een forfaitair rendement niet in overeenstemming is met het draagkrachtbeginsel.[6] Wel is er door de vrijstelling Benthamse progressie.

Vermogenstoetsen [bewerken]

Bij een vermogenstoets gaat het vaak om het bovengenoemde vermogen, m.d.v. dat groene beleggingen wel of niet meetellen.

Voor de bepaling van een eigen bijdrage wordt dit vermogen soms gelijkgesteld met een extra inkomen van 8% van dit vermogen, bovenop het forfaitaire rendement, zodat in totaal wordt gerekend met een inkomen gelijk aan dat in box 1 en 2 plus 12% van het betreffende vermogen.

Geschiedenis [bewerken]

Box 3 vervangt de vroegere vermogensbelasting (2000: 0,7% met een vrijstelling van f 200.000 (€ 90.756)) en de inkomstenbelasting over de werkelijke inkomsten uit vermogen in de vorm van onder andere rente, dividend en huur. Er was een rentevrijstelling en een dividendvrijstelling (2000: elk f 1000 (€ 454)). Er gold een schijventarief voor het totaal van alle inkomsten (dus bij bijvoorbeeld een hoog loon moest ook veel belasting over de rente betaald worden).

Waardeaangroei van aandelen was echter niet belast. Dit leidde tot beleggingsfondsen op basis van liquiditeiten en obligaties waarbij de rente niet als dividend werd uitgekeerd, maar de koers deed stijgen: groeifondsen.[7] Deze moesten wel 35% vennootschapsbelasting over de winst betalen, maar dat was vaak minder dan het marginale inkomstenbelastingtarief van de aandeelhouders. Deze fondsen zijn sinds 2001 niet interessant meer (zelfs niet na omzetting in een variant die geen vennootschapsbelasting verschuldigd is) en daarom rond die tijd veelal omgezet in gewone obligatiefondsen, die dividend uitkeren, en ook geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Ook waren aandelen populair die onbelast stockdividend uitkeerden.

Aftrekbaarheid van betaalde rente is in de loop van de tijd steeds meer beperkt. Zoals blijkt uit het bovenstaande is deze er nu slechts in die zin dat schulden, op € 2800 na, van de bezittingen worden afgetrokken voor de bepaling van de vermogensrendementsheffing. Dit geeft alleen een belastingvoordeel voor zover de bezittingen groter zijn dan het heffingsvrije vermogen. De zaak ligt anders voor hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning, deze valt in box 1, er hoeft dus geen vermogen tegenover te staan en de rente kan al worden afgetrokken als er überhaupt andere inkomstenbestanddelen zijn.

De vermogensbestanddelen werden van 2001 tot en met 2010 gewaardeerd per 1 januari en 31 december, van deze waarden werd het gemiddelde genomen.

Naar aanleiding van het Begrotingsakkoord 2013 is aangenomen de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 (UFM) waarbij de vrijstellingen en heffingskortingen voor sociaal ethische fondsen, culturele beleggingen en directe beleggingen in durfkapitaal per 1-1-2013 werden afgeschaft. De vrijstelling voor groen beleggen is gehandhaafd; bovendien ging de afschaffing van de heffingskorting voor groen beleggen niet door; deze heffingskorting is gehandhaafd op het niveau van 2012 (0,7%).

Zie ook [bewerken]


Bronnen, noten en/of referenties
  1. Het belastbare inkomen in deze box wordt behandeld in hoofdstuk 5, het tarief in artikel 2.13 van de wet
  2. Anderzijds kan het achterhalen van oudere gegevens ook lastiger zijn dan van recentere, doordat gegevens zoek raken of websites voor internetbankieren ze niet meer vermelden.
  3. Wat is het heffingvrije vermogen? (bedragen vanaf 2001) Belastingdienst
  4. Box 3 Rijksoverheid
  5. Wie geen inkomsten in de andere boxen heeft betaalt, rekening houdend met de algemene heffingskorting, daardoor inkomstenbelasting vanaf een vermogen van ongeveer € 190.000.
  6. Belasting op rendement is rampheffing door Bas Jacobs, lid van de vakgroep Algemene Economie aan de economische faculteiten van de UvA en de Katholieke Universiteit Brabant. De Volkskrant: 28 januari 2000
  7. Niet te verwarren met de andere betekenis van het woord groeifonds: beursgenoteerde onderneming waarvan verwacht wordt dat deze in de toekomst sterk zal groeien en daarom een hoge koers-winstverhouding heeft.