Briljant

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Briljanten
Proporties en de namen van de facetten van een brillantgeslepen diamant

Briljant, kort voor een diamant, die op een specifieke slijpwijze; het briljantslijpsel, is geslepen. Briljantslijpsel verhoogt de luister, de lichtreflectie van een diamant. Tot in de 17e eeuw konden diamanten alleen worden gekloofd. Daarbij hield men rekening met de natuurlijke breukvlakken binnen de diamant. In de 19e eeuw sleep men diamanten in één van de slijpwijzen die men 'oud slijpsel' noemt. De lichtweerkaatsing was geringer dan bij de latere briljantslijpsels.

In 1919, tijdens zijn studie aan de Londense Universiteit berekende Marcel Tolkowsky (Antwerpen, 25 december 1899 – New York, 10 februari 1991) een formule voor het slijpen van ronde diamanten met 58 facetten. Door de wiskundig berekende vorm en de hoek waaronder de facetten worden geslepen wordt het binnenvallende licht optimaal gereflecteerd en ontstaat een vurige schittering. Diamanten die in deze Tolkowsky cut en in latere variaties van dit briljantslijpsel zijn geslepen noemt men briljanten.

De kenmerken van een briljant zijn: een cirkelronde rondist met een tafel en minstens 32 facetten in het bovendeel (de kroon), en in het benedendeel (het paviljoen) minstens 24 facetten en de kollet. De rondist (of: girdle) ) is de cirkelvormige band rond het breedste deel van een briljantgelepen diamant. Dit is het deel dat door een zetting kan worden omklemd. De tafel is het platte achthoekige bovenvlak. De kollet is de, eventueel afgeplatte, uiterste punt aan de onderzijde.

De voor het merendeel drie- of vierhoekige facetten van de briljant reflecteren het door de tafel binnenvallende licht, waarbij een dubbele breking optreedt waarvan de hoek voor ieder mineraal en iedere edelsteen uniek is.

De benaming briljant zonder verdere toevoeging mag alleen worden gebruikt voor een diamant met een briljantslijpsel. De naam van andere stenen in briljantslijpsel moet als zodanig worden aangegeven (CIBJO, 1999). Vaak worden in de handel en in de volksmond niet alleen diamanten met een briljantslijpsel als briljant aangeduid.

Het gewicht (en de daaruit af te leiden afmeting) van een briljant wordt aangegeven in karaat. Een karaat (afgekort als kt., crt., of ct.) is 0,2 gram en is onderverdeeld in 100 puntjes. Een in een standaard briljantslijpsel geslepen diamant van een half karaat (=0,50 kt of 50 puntjes) heeft bijvoorbeeld een diameter van 5,1 millimeter. (Het begrip karaat in verband met goud geeft niet het gewicht, maar de hoeveelheid zuiver goud in een goudlegering aan.)

Als in de zetting van een sieraad de kollet zichtbaar is, is de briljant "à jour" (Frans: in het daglicht) gezet. De steen in een sieraad met één centraal geplaatste briljant (of één andersoortige edelsteen) noemt men een solitair. Vaak is een dergelijke steen gezet in een chaton; een open zetkastje dat met kleine metalen pootjes de rondist omklemt.

Door berekening en in de praktijk zijn verschillende modellen van het moderne briljantslijpsel ontwikkeld. De bekendste zijn:

  • Tolkowsky-slijpsel (1919, Tolkowsky). Zeer goed lichtrendement, beste flonkering, in de Verenigde Staten grondslag van de slijpgradering.
  • Ideaal-slijpsel (1926, Johnson en Roesch). Geen bijzondere voordelen. Geen goede flonkering. Heeft plomp uiterlijk.
  • Fijnslijpsel (1939, Eppler). Proporties berekend naar geslepen diamanten met prima flonkering. In de praktijk ontwikkeld. In Duitsland basis voor de slijpgradering.
  • Parker-slijpsel (1951, Parker). Goede lichtopbrengst, maar door het vlakke bovendeel geringe dispersie en daardoor gebrekkige flonkering.
  • Scandinavisch Standaard-slijpsel (1968). In Scandinavië als norm voor de slijpgradering. De maten zijn ontwikkeld aan de hand van geslepen diamanten.

De verhoudingen, verfijningen en de kwaliteit van het slijpsel zijn van groot belang. De hoogte van de kroon, de kroonhoek, de diepte van het paviljoen, de tafelspiegeling, de verhouding van de rondist tot de diepte van de steen, hoe regelmatig is de rondist, is de kollet zwaar of licht, zijn er symmetrieverschillen tussen de kroon en het paviljoen, sluiten de facetten recht op elkaar aan, ligt de kollet in het midden of ligt de tafel decentraal? Al deze zaken zijn direct van invloed op de flonkering van de steen.

Slijpsels met meer facetten dan 57 zijn onder meer:

  • Magna-slijpsel (1949) met 102 facetten.
  • Highlight-slijpsel (1963) met 74 facetten.
  • Princess-144 slijpsel (1965) met 146 facetten.
  • Radiant -slijpsel (1980) met 70 facetten.
  • Fire Cut-slijpsel (2010) met 74 facetten.

Trivia[bewerken]

  • Na de Russische Revolutie kwamen veel diamanten in 'oud slijpsel' op de markt. In de handel noemt men deze stenen nog steeds 'bolsjewieken'.
  • De term 'roosgeslepen briljant' is onjuist. Het roosslijpsel is één van de slijpwijzen, die aan de ontwikkeling van het moderne briljantslijpsel voorafging. De bollende boverzijde van een roosgeslepen diamant is over de gehele ronding gefacetteerd en heeft niet, zoals de briljant, te midden van de facetten, één groter bovenvlak ('de tafel'). In tegenstelling tot een briljant (en stenen in een andere vorm van 'oud slijpsel') heeft een roosgeslepen diamant aan de onderzijde geen toelopende punt ('paviljoen'). De vlakke onderzijde van een roosgeslepen diamant is vaak gezet op een zilveren folie.
  • Internationale termen voor enkele andere vormen van oud slijpsel (old cut) zijn: het achtkantige Single Cut, het kussenvormige Old Mine Cut en de voorloper van het briljantslijpsel: Old European Cut.
  • Slijpsels als markies, tafelslijpsel en cabochon zijn niet zozeer gericht op de intensivering van de flonkering, maar bepalen vooral de vorm.
  • Het woord briljant wordt ook gebruikt als aanduiding voor geniaal of uitstekend en kan verwijzen naar een tijdsduur, zoals in 'een briljanten Huwelijksverjaardag'.