Britse Oostindië Compagnie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Britse Oost-Indische Compagnie)
Ga naar: navigatie, zoeken

De Britse Oost-Indische Compagnie (Engels: British East India Company, ook wel "John Company") werd opgericht bij Koninklijk Besluit van koningin Elisabeth I op 31 december 1600. Gedurende de volgende 250 jaar werd het een van de machtigste commerciële ondernemingen van zijn tijd.

Inleiding[bewerken]

Het zwaartepunt van de handel van de Britse Oost-Indische Compagnie bevond zich in India waar zij ook bestuurlijke en militaire functies ging uitvoeren die uiteindelijk de commerciële activiteiten gingen overschaduwen.

India werd vaak de "Juweel in de kroon" ("Jewel in the Crown") genoemd. Letterlijk omdat 's wereld grootste diamant, de Koh-i-Noor, die tegenwoordig deel uitmaakt van de kroonjuwelen van het Verenigd Koninkrijk, daar werd gevonden. Figuurlijk omdat India voor de Britten het meest waardevolle land was tot de onafhankelijkheid in 1947.

Zoals Macaulay zei: "Het is het vreemdste van alle regeringen, maar ontworpen voor het vreemdste van alle rijken".

De vlag van de compagnie heeft in de hoek de vlag van Engeland (het kruis van St. George) en de strepen hebben mogelijk de vlag van de Verenigde Staten geïnspireerd.
Vlag van de Britse Oost-Indische Compagnie, 1707-1801
Vlag van de Britse Oost-Indische Compagnie, 1801-1858

Invloed[bewerken]

Vanuit het statige East India House, haar hoofdvestiging in Leadenhall Street in Londen, heeft de Compagnie invloed uitgeoefend op alle continenten. Ze was leidinggevend bij de stichting van Brits-Indië, stichtte Hongkong en Singapore, was werkgever van Kapitein Kidd in de strijd tegen piraterij, vestigde de teelt van thee in India, hield Napoleon gevangen op Sint-Helena en maakte het fortuin van Elihu Yale. Hun handelswaar was het onderwerp van de Boston Tea Party.

De vlag van de Compagnie, met de Engelse vlag in een hoek en de horizontale strepen, was mogelijk een inspiratiebron voor de Stars and Stripes, de vlag van de Verenigde Staten zoals dat in 1937 werd geopperd door Sir Charles Fawcett. Vergelijking tussen de vlaggen en bestudering van historische bronnen lijken dit te bevestigen.

Haar scheepswerven stonden model voor Sint-Petersburg, elementen van haar administratie zijn nog steeds terug te vinden in de Indische bureaucratie en haar bedrijfsstructuur was het meest succesvolle vroege voorbeeld van een bedrijf met gezamenlijke aandelen (?).

Als negatief punt kan genoemd worden het slechte financiële beheer in Bengalen waardoor het niet mogelijk was om miljoenen van de hongerdood te redden in 1770.

Geschiedenis[bewerken]

De stichtingsjaren[bewerken]

De Compagnie werd opgericht als "de gouverneur en vereniging van kooplieden van Londen die handelen in Oostelijk Indie" (The Governor and Company of Merchants of London Trading into the East Indies) door een verzameling van 800 ondernemende en invloedrijke zakenlieden. Ze verkregen een exclusieve volmacht voor de handel in Oost-Indië voor een periode van vijftien jaar. De compagnie had bij aanvang 125 aandeelhouders en een kapitaal van 72.000 Engelse ponden.

Aanvankelijk maakte de Compagnie weinig indruk op de Nederlanders, die op dat moment de specerijenhandel beheersten, en ze slaagde er niet in een vaste vestigingsplaats te bemachtigen in Indië.

Uiteindelijk arriveerden schepen van de Compagnie in India, meerden af bij Surat en stichtten er in 1608 een handelspost. Gedurende de volgende twee jaren slaagde ze er in om een eerste factorij te stichten in de stad Machilipatnam aan de Coromandelkust in de Golf van Bengalen.

De hoge winsten die al snel door de compagnie werden gemeld (waarschijnlijk te danken aan het terugdringen van doorvoerkosten door het oprichten van de handelsposten) waren voor Koning James I reden volmachten te verlenen aan andere Britse compagnieën. Maar in 1609 besloot hij toch de volmacht voor de Compagnie voor onbepaalde tijd te verlengen, met inbegrip van een clausule dat de volmacht zou eindigen als de handel gedurende drie opeenvolgende jaren niet winstgevend zou zijn.

Vestiging in India[bewerken]

De handelaren van de Compagnie waren vaak betrokken bij vijandigheden en schermutselingen met hun Nederlandse tegenhangers. Misschien doordrongen van het besef dat een handelsoorlog op volle zee weinig heilzaam zou zijn werd besloten te proberen vaste voet aan land te krijgen op het vasteland van India, wat door beide landen werd gesanctioneerd. Bij de Kroon werd een verzoek ingediend om een diplomatieke missie te starten.

In 1615 werd Sir Thomas Roe door James I opgedragen om een bezoek te brengen aan Mogolkeizer Jahangir, die heerste over bijna 70 procent van het Indische subcontinent. Doel van zijn missie was het tot stand brengen van een handelsovereenkomst waardoor de compagnie exclusieve rechten kreeg voor het vestigen van handelshuizen in Surat en andere gebieden. Als tegenprestatie bood de Compagnie aan om de Mogols te voorzien van goederen en rariteiten van de Europese markt. De missie was zeer succesvol en Jahangir stuurde Sir Thomas terug naar de koning met een brief waarin stond:

... Ik heb aan alle koninkrijken en havens in mijn rijken opdracht gegeven alle handelaren van de Engelse Natie te ontvangen als onderdanen van mijn vriend; dat in iedere plaats waar zij verkiezen te leven zij volledige vrijheid genieten zonder beperkingen; en in welke haven zij ook zullen arriveren noch Portugal noch enig ander het zal wagen hun rust te molesteren; en in welke stad zij resideren ik aan al mijn gouverneurs en kapiteins opdracht heb gegeven hen alle vrijheid te geven die ze wensen; te verkopen, kopen en transporteren naar hun land wat zij maar wensen.
Ter bevestiging van onze liefde en vriendschap wens ik dat Uwe Majesteit aan zijn kooplieden opdracht geeft in hun schepen allerhande soorten rariteiten en rijke goederen mee te nemen die geschikt zijn voor mijn paleis; en dat het u behaagt ij uw koninklijke brieven te sturen bij iedere gelegenheid, dat ik mij mag verheugen in uw goede gezondheid en voorspoedige zaken; dat onze vriendschap wederzijds en eeuwigdurend moge zijn.

De volledige Engelstalige tekst staat hier.

Uitbreiding[bewerken]

Met dergelijke steun was de compagnie al snel machtiger dan de Portugese concurrentie, die was gevestigd in Goa en Bombay (dat later aan Britten werd overgedaan als onderdeel van de bruidsschat van Catherine de Braganza). Ze vestigde zich in Surat (1612), Madras (1639, nu Chennai), Bombay (1668 nu Mumbai) en Calcutta. Tegen het jaar 1647 had de Compagnie 23 vestigingen en 90 werknemers in India. De belangrijkste vestigingsplaatsen werden de ommuurde forten van Fort William in Bengalen, Fort St George in Madras en het Kasteel van Bombay. In 1634 stond de Mogolkeizer de Britten ook toe in Bengalen handel te drijven en in 1717 werden alle grensbelastingen voor de handel afgeschaft.

De voornaamste handelsgoederen waren rond die tijd katoen, zijde, indigo, salpeter en thee.

Gedurende deze tijd werd voortdurend geprobeerd het Nederlandse monopolie op de handel in specerijen in de Straat Malakka te doorbreken. In 1711 vestigde de Compagnie een handelspost in Kanton, China voor de handel in thee en zilver. In 1657 vernieuwde Oliver Cromwell de volmacht van 1609 en bracht kleine wijzigingen aan in de bedrijfsstructuur. De status van de Compagnie werd nog vergroot door het herstel van de Britse monarchie. Met een serie van vijf wetten gaf Koning Karel II in 1670 de Compagnie het recht om zelf gebieden te veroveren, munt te slaan, forten en legers te bezitten, verdragen aan te gaan, oorlog te voeren, vrede te sluiten en recht te spreken in de bezette gebieden.

Omringd door concurrerende machten uit andere landen en soms belaagd door vijandige lokale heersers had de Compagnie grote behoefte aan bescherming. De door de staat gegeven vrijheden waren dus zeer welkom en al snel werd een eigen legermacht opgericht, vooral bestaande uit lokale bevolking. Rond 1689 was de Compagnie uitgegroeid tot een zelfstandige natie op het vasteland van India, met een eigen administratie en een intimiderende militaire kracht.

De weg naar een compleet monopolie[bewerken]

Handelsmonopolie[bewerken]

De welvaart die werknemers van de Compagnie genoten stelde hen in staat terug te keren naar hun vaderland waar ze vaak grote landgoederen stichtten en hun geld investeerden in zaken en aanwendden voor het verkrijgen van politieke macht. Zodoende ontwikkelde de Compagnie een lobby in het Britse Parlement.

Echter, onder druk van ambitieuze zakenlieden en vroegere deelgenoten van de Compagnie die uit waren op eigen handelsondernemingen in India werd in 1694 een dereguleringswet aangenomen. Volgens deze wet was het aan ieder Brits bedrijf toegestaan handel te voeren met India tenzij dat expliciet bij wet verboden werd. Hierdoor werd de volmacht die al zo'n 100 jaar van kracht was waardeloos.

Een wet aangenomen in 1698 maakte de oprichting mogelijk van een parallelle Oost Indische Compagnie genaamd The English Company Trading to the East Indies (De Engelse Compagnie handelend met Oost Indië), met een staatslening van £2 miljoen pond.

De machtige aandeelhouders van de oude Compagnie schreven zich al snel in voor het nieuwe bedrijf met £315.000 en domineerden daarmee het bestuur. De twee bedrijven streden enige tijd met elkaar, zowel in Engeland als in India, om een dominant aandeel in de handel. Het werd al snel duidelijk dat de oude Compagnie in de praktijk weinig te duchten had. Beide bedrijven gingen samen in 1702 waarbij een soort drie-eenheid ontstond bestaande uit de twee bedrijven en de staat.

Een voorwaarde van het samengaan was een lening van 3.200.000 pond aan de staat in ruil voor exclusieve privileges gedurende de volgende drie jaar waarna de situatie zou worden herbezien. De naam van het nieuwe bedrijf werd "United Company of Merchants of England Trading to the East Indies" ("Verenigde Compagnie van Engelse Kooplieden Handelend met Oost India").

De volgende decennia zagen een constant heen-en-weer gevecht tussen de Compagnie-lobby en het Parlement. De Compagnie was uit op een permanente situatie terwijl het Parlement niet graag de mogelijkheid opgaf om mee te delen in de winsten van de Compagnie.

In 1712 werd een nieuwe wet aangenomen die de status van de Compagnie hernieuwde hoewel de leningen waren terugbetaald. Rond 1720 was 15% van de Britse import afkomstig uit India, bijna volledig gedaan door de Compagnie waarmee het succes van de lobby werd aangetoond. Een wet in 1730 verlengde de vergunning tot 1766.

Rond deze tijd werden Groot-Brittannië en Frankrijk bittere rivalen en ontstond er regelmatig strijd om de controle over de koloniale bezittingen. Bang voor de financiële gevolgen van een oorlog kwam de regering in 1742 overeen dat de termijn van het exclusieve handelscontract werd verlengd tot 1783 in ruil voor een vergoeding van 1 miljoen pond.

De schermutselingen escaleerden echter wel tot de gevreesde oorlog en tussen 1754 en 1763 zorgde de Zevenjarige Oorlog er voor dat de Britse aandacht werd verschoven naar het verdedigen van bezittingen in Europa en in de Noord-Amerikaanse kolonies.

Ook op India's grondgebied werd gevochten tussen Franse strijdkrachten en die van de compagnie. Rond deze tijd verkreeg Groot-Brittannië een voorsprong op zijn Europese rivalen door de start van de Industriële revolutie. De vraag naar goederen uit India steeg sterk door de behoefte om leger en bevolking te onderhouden tijdens de oorlog en door de toegenomen beschikbaarheid van grondstoffen en efficiëntere productiemethoden.

Als bakermat van de revolutie kende Groot-Brittannië een hogere levensstandaard en de spiraalvormige cyclus van welvaart, vraag en productie had een geweldige invloed op de overzeese handel. De Compagnie werd verreweg de grootste speler in de Britse wereldmarkt en verkreeg zodoende een onaantastbare positie in het beslissingsproces van de regering.

Koloniaal monopolie[bewerken]

De oorlog resulteerde in een nederlaag voor de Franse strijdkrachten en beperkte zodoende de Franse koloniale ambities. Ook werd hierdoor de invloed van de industriële revolutie in de Franse gebieden beperkt. Robert Clive, de Gouverneur-generaal van Bengalen, leidde de Compagnie naar een verrassende overwinning tegen Joseph François Dupleix, commandant van het Franse leger in India, en heroverde Fort St. George op de Fransen. In het Verdrag van Parijs (1763) werden de Fransen verplicht hun handelsposten te beperken tot kleine enclaves in Pondicherry, Mahe, Karikal, en Chandernagar zonder militaire aanwezigheid. Alhoewel deze kleine buitenposten Frans bezit bleven gedurende de volgende 200 jaar kwam hiermee een eind aan Franse ambities in India. Hiermee werd een voorname bron van economische competitie voor de Compagnie uitgeschakeld. De Compagnie, met deze kolossale overwinning op zak en gesteund door een gedisciplineerd en ervaren leger, was hierdoor in staat ongestoord het invloedsgebied uit te breiden met Karnataka (vanuit Madras) en Bengalen (vanuit Calcutta).

Lokale weerstand[bewerken]

De Compagnie ondervond geregeld weerstand van lokale leiders. Robert Clive voerde een leger van de Compagnie aan tegen Siraj Ud Daulah, die door Frankrijk werd gesteund, en won in 1757 tijdens de Slag bij Plassey. Hiermee eindigde de laatste georganiseerde weerstand in Bengalen maar het vervreemdde de Britten van de Mogol-keizer, met wie Siraj zich had verbonden.

Het Mogolrijk was echter na de dood van Aurangzeb in 1707 in verval geraakt en het centrale gezag van de keizer werd streeds kleiner. Na de slag Slag bij Buxar gaf heerser Shah Alam II de administratieve rechten over Bengalen, Bihar en Orissa over aan de Compagnie.

Haider Ali en Tipoe Sultan, de legendarische heersers over het koninkrijk Mysore, waren eveneens een bron van onrust en gevechten. Nadat ze de Fransen hadden gesteund gedurende de oorlog zetten ze daarna de worsteling met de Compagnie voort met de vier Oorlogen van Mysore. In 1799 kwam hier een einde aan toen Tipu definitief werd verslagen.

Doordat het Maratharijk geleidelijk verzwakte tijdens de drie Anglo-Maratha oorlogen, was de Compagnie in staat Bombay en omliggende gebieden over te nemen. Gedurende deze campagnes toonde Arthur Wellesley, de latere Duke of Wellington, voor het eerst zijn bekwaamheden die uiteindelijk zouden leiden tot de overwinning in de Oorlog van het Schiereiland (Peninsular War) en bij de Slag bij Waterloo. Een bijzonder noemenswaardige actie waar troepen onder zijn commando bij waren betrokken was de Slag bij Assaye.

Uiteindelijk beheersten de Britten het complete gebied in Zuidelijk India (met uitzondering van kleine enclaves onder Frans en lokaal bestuur), Westelijk India en Oostelijk India.

De laatste resten van lokaal bestuur waren beperkt tot de Noordelijke regionen van Delhi, Oudh, Rajputana, en Punjab, maar ook daar werd de aanwezigheid van de Compagnie steeds nadrukkelijker door onderlinge strijd en aanboden tot bescherming tegen elkaar. Manipulaties, bedreigingen en diplomatie werden door de Compagnie gebruikt om te voorkomen dat lokale leiders een gezamenlijke strijd konden aangaan.

De periode van honderd jaar tussen de Slag bij Plassey in 1757 en de Muiterij van Sepoy in 1857 werden gekenmerkt door rust en consolidatie waarbij de Compagnie meer en meer functioneerde als een staat en minder als een handelsonderneming.

Regulering van Compagnie-zaken[bewerken]

Financiële problemen[bewerken]

Hoewel de Compagnie steeds driester en ambitieuzer acteerde bij het neerslaan van weerspannige deelstaten werd het steeds duidelijker dat de Compagnie niet in staat was een dergelijke reusachtig gebied goed te besturen. De Bengaalse hongersnood in 1770, waarbij meer dan een zesde deel van de lokale bevolking overleed, liet alarmbellen rinkelen in het vaderland.

In Bengalen liepen de militaire en administratieve kosten drastisch uit de hand door het teruglopen van de arbeidsproductiviteit. Tegelijkertijd doorliep Europa een commerciële stagnatie en handelsdepressie na een dip in de postindustriële revolutie. Groot-Brittannië raakte verstrikt in de rebellie van de Noord-Amerikaanse kolonies, een van de voornaamste importeurs van thee en Frankrijk stond aan de vooravond van de Franse Revolutie. De wanhopige directeuren van de Compagnie probeerden een mogelijk bankroet af te wenden door financiële hulp te vragen aan het Parlement. Dit leidde tot het aannemen van de Thee wet (Tea Act) in 1773. Hierdoor verkreeg de Compagnie meer autonomie bij het handel voeren in Amerika. Deze monopolistische activiteiten waren aanleiding voor de Boston Tea Party, een opstand van Amerikaanse handelaren, een van de belangrijke gebeurtenissen die leidden tot de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog.

Regulerende Wet van 1773[bewerken]

Nadat de VS de onafhankelijkheid van Groot-Brittannië had afgedwongen verschoof de imperiale aandacht weer naar de andere kant van de wereld: India.

Zowel de legers van Groot-Brittannië als die van de Compagnie groeiden sterk wat een sterke groei in kosten met zich mee bracht.

De compagnie kreeg in 1773 een wet opgelegd (Regulating Act for India) die een serie wijzigingen in de administratie en economische hervormingen met zich mee brachten. Ondanks sterke tegenstand van de Oost India-lobby in het Parlement en van de aandeelhouders van de Compagnie kwam de wet er toch door.

De Compagnie kwam onder verregaande regeringscontrole en het land werd formeel onder de Kroon gebracht maar werd uitgeleend aan de Compagnie voor £40.000 per twee jaar.

De Gouverneur van Bengalen, Warren Hastings, werd gepromoveerd naar de rang van Gouverneur-generaal met administratieve macht over geheel Brits India. Het werd geregeld dat zijn benoeming, hoewel gedaan door een hof van directeuren, in de toekomst moest worden erkend door een raad van vier aangewezen door de Kroon. Hij kreeg de macht over oorlog en vrede.

Brits juridisch personeel zou naar India worden gestuurd om het Britse juridische systeem in te voeren. De Gouverneur-generaal en de Raad hadden volledige legislatieve macht. Zodoende werd Warren Hastings de eerste Gouverneur-generaal van India. De Compagnie had toestemming om het monopolie over de handel te handhaven in ruil voor de tweejaarlijkse huursom en de verplichting om jaarlijks een minimum hoeveelheid goederen naar Groot-Brittannië te exporteren. De administratieve kosten moesten eveneens opgebracht worden door de Compagnie. Hoewel deze regeling aanvankelijk werd verwelkomd door de Compagnie bleken de verplichtingen op termijn niet haalbaar. Door de opgelegde jaarlijkse verplichtingen liepen de financiën gestadig terug.

Neergang van de Compagnie[bewerken]

Hastings kreeg onenigheid met de Raad van Vier die hierop terugkeerden naar het vaderland en een rechtszaak tegen hem begonnen vanwege corruptie. Dit leidde tot het aftreden van Hastings.

De Regulerende Wet werd al snel beschouwd als een mislukking doordat de grens tussen Regeringscontrole en Compagniemacht te vaag was. De regering voelde zich verplicht gehoor te geven aan humanitaire stemmen die pleitten voor een betere behandeling van de bevolking van gebieden onder Brits bestuur.

Edmund Burke, een voormalig aandeelhouder in de Oost-Indische Compagnie en een diplomaat voelde de behoefte de situatie te verlichten en diende in 1783 de India Wet in. De wet haalde het niet door de intense lobby door aanhangers van de Compagnie en door beschuldigingen van nepotisme in de bij de wet behorende aanbevelingen voor de aanstelling van raadgevers. Desondanks was de wet een belangrijke stap in het onder bedwang brengen van de Compagnie en de zaak werd in 1784 prettig geregeld met een nieuwe India Wet.

De controle over bestuur en handel werden gescheiden met duidelijke afbakening tussen Parlement en Compagnie. Hierna fungeerde de Compagnie als een reguliere subsidiënt van de Kroon met grotere verantwoording voor haar acties. Hierdoor werd een stabiele staat bereikt tussen expansie en consolidatie.

Nu er weer een staat van vrede was bereikt met de Kroon kon de Compagnie zich weer richten op het uitbreiden van het invloedgebied door middel van bedreiging en dwang. Tegen het midden van de Negentiende eeuw had de Compagnie haar bestuur uitgebreid over het grootste deel van India, Birma, Singapore en Hongkong. Een vijfde deel van de wereldbevolking stond nu onder haar autoriteit.

Ondertussen had de Britse invloedssfeer zich verder uitgebreid. In 1845 werd de Deense kolonie Tranquebar verkocht aan Groot-Brittannië. De Compagnie had haar invloed in verschillende stappen uitgebreid over China, de Filipijnen en Java. Het bedreigende gebrek aan contant geld, nodig voor de aankoop van thee, werd opgelost door de verkoop van in India geteelde opium aan China. Chinese pogingen deze handel te beëindigen leidden tot de Eerste Opium Oorlog met Groot-Brittannië.

Het einde[bewerken]

De manier waarop de Compagnie India bestuurde bleek model te staan voor het bestuurssysteem van Groot-Brittannië zoals dat gedurende de negentiende eeuw ontstond.

Doordat het monopolie in 1813 werd geannuleerd veranderde de Compagnie in een handelsonderneming. In 1858 verloor de Compagnie haar administratieve functies aan het Britse bestuur naar aanleiding van de Muiterij van Sepoy in het jaar daarvoor. Als gevolg hiervan werd India een formele kroonkolonie.

In de jaren zestig van de negentiende eeuw werden alle bezittingen van de Compagnie in India onder de Kroon gebracht. De Compagnie regelde nog steeds de handel in thee namens de Britse staat, voornamelijk naar Sint-Helena.

Dit bleef het werk van de Compagnie totdat het werd opgeheven in 1874.

The Times schreef: "Het heeft een werk volbracht zoals in de gehele historie van het menselijk ras geen ander bedrijf heeft aangedurfd en als zodanig niet zal worden gepoogd in toekomstige jaren" ("It accomplished a work such as in the whole history of the human race no other company ever attempted and as such is ever likely to attempt in the years to come.")

Trivia[bewerken]

  • Na de opheffing mocht een beheergroep, genoemd The East India Company Holdings, onder andere de rechten op de theehandel naar Sint Helena behouden.

Zie ook[bewerken]