Bronbeek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek
Bronbeek in 1938
Bronbeek in 1938
Locatie Velperweg 147, Arnhem
Oorspronkelijke functie Landgoed
Huidig gebruik Museum en verzorgingshuis
Opening 1863
Monumentstatus Rijksmonument
Monumentnummer 46518
Architect W.N. Rose en H.F.G.N. Camp (verbouwing in 1854)
Opdrachtgever Koning Willem III
Foto's
Koloniale Reserve op bezoek te Bronbeek
Koloniale Reserve op bezoek te Bronbeek
Portaal  Portaalicoon   Civiele techniek en bouwkunde

Bronbeek is een voormalig landgoed in Arnhem. De naam Bronbeek wordt gebruikt als verkorte naam van het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek. Het is heden ten dage een verzorgingstehuis voor maximaal 50 oud-militairen van de Nederlandse krijgsmacht en het voormalig Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Daarnaast is het een geregistreerd museum voor de koloniale geschiedenis met onder meer een vaste expositie van kanonnen en diverse Indische wapens, een historisch overzicht van het Indische leger, en vele uniformen, wapens en schilderijen.

Geschiedenis[bewerken]

Het landgoed Bronbeek[bewerken]

Bronbeek toen het nog niet lang in gebruik was als invalidentehuis

Het landgoed Bronbeek werd rond 1820 als buitenplaats aangelegd voor Hermen Stijgerwald. Na diens dood in 1830 verkocht zijn weduwe Magadalena Wilhelmina Eskes het landgoed en kreeg het de naam Bronbeek. Volgende eigenaren verbouwden het huis tot een villa in neoclassicistische stijl. In 1854 werd de buitenplaats Bronbeek aangekocht door koning Willem III voor een prijs van 75.000 gulden. Bronbeek was naar verluidt in eerste instantie bedoeld voor zijn moeder, koningin Anna Paulowna, maar daarvoor is geen bewijs. Willem III liet het huis in 1854 verbouwen naar ontwerp van zijn architect H.F.G.N. Camp, die voor zijn werkzaamheden in oktober van dat jaar werd benoemd tot ridder in de Orde van de Eikenkroon.[1] In oktober 1854 was de verbouwing klaar en verkreeg de koning een serenade van de vereniging der handwerkslieden, begeleid door de muziekkorpsen der stedelijke schutterij en van het achtste regiment infanterie. Een commissie van deze vereniging werd bij de koning toegelaten en een vertegenwoordiger sprak de woorden: 'Sire, met diepe eerbied nadert de directie van Arnhems Handwerkbloei, vergezeld van werkbazen en hun werklieden u om u, die een voorstander bent van industrie en landbouw, haar oprechte dank te betuigen over de aankoop en aangebrachte veranderingen aan het landgoed Bronbeek, waardoor in deze tijden van duurte brood aan hen en hun gezinnen verschaft werd.'[2] Twee jaar na de aankoop van Bronbeek waren er al geruchten dat de koning het landgoed weer van de hand wilde doen.[3] In december 1856 werden de bezittingen van de koning verhuisd naar diens paleis te Den Haag en naar Paleis Het Loo en werd algemeen gedacht dat de koning het buitenverblijf had verkocht aan een rijke particulier. Het huis was in de jaren erna nog in gebruik als gastenverblijf voor koninklijk bezoek.

Oprichting van het militair invalidentehuis[bewerken]

Bij Koninklijk Besluit van 14 juni 1857 werd een commissie ingesteld tot het voordragen van een plan tot het inrichten van een militair invalidentehuis; in deze commissie namen zitting M. baron van Geen als voorzitter en als leden militaire intendant eerste klasse H. Hardenberg, luitenant-kolonel J. Vertholen, luitenant-kolonel A.J. Andresen, luitenant-kolonel ingenieur G.A. van Kerkwijk en de heer J.P. Feith.

In een kabinetschrijven van 13 juni 1857 nummer 17, gericht aan de Minister van Koloniën, gaf koning Willem III het landgoed Bronbeek per de 15de oktober 1859 ten geschenke tot de inrichting van een koloniaal militair invalidentehuis.[4] In het kabinetschrijven was de bepaling opgenomen dat aan het onroerende goed nooit een andere bestemming zou mogen worden gegeven dan tot een koloniaal militair invalidentehuis en dat de Staat der Nederlanden alle lasten, te rekenen vanaf 1 januari 1860, zou betalen.[5] Op 28 september van dat jaar werd de akte gepasseerd bij notaris J. Bervoets te Den Haag, waarin Z.M. de koning het landgoed met aanhorigheden schonk en onherroepelijk afstond aan de Staat der Nederlanden tot het daarstellen van een koloniaal militair invalidentehuis.[6] In mei 1860 besteedde het Department van Koloniën de vereiste werken en leveranties ter stichting van een militair invalidentehuis aan aan de heer K. Kooy, woonachtig te Amsterdam, die van de 11 inschrijvers de laagste was en aan wie het werk dan ook werd vergund voor een bedrag van 193,400 gulden.[7] De eerste steen werd op 13 juli van dat jaar gelegd. Rijksbouwmeester W.N. Rose was verantwoordelijk voor het ontwerp van het hoofdgebouw in eclectische stijl. In november 1860 werden de kosten der inrichting van het paviljoen en van het dan in aanbouw zijnde invalidentehuis, met inbegrip der aanschaffing van huisraad ten behoeve van de te verwachten ruim 200 invaliden, geraamd op ongeveer 300.000 gulden. De bouw van het invalidenhuis werd zo aangelegd dat het met betrekkelijk geringe kosten in de toekomst kon worden uitgebreid, indien de behoefte daartoe zou ontstaan.[8]

Openstelling Bronbeek voor invaliden[bewerken]

Koning Willem III stelde Bronbeek in werking met een besluit dat onder meer de volgende bepalingen inhield:[9]

  • De gebouwen gevestigd op het landgoed Bronbeek worden verklaard te zijn bestemd tot koloniaal militair invalidenhuis;
  • Het koloniaal militair invalidenhuis dient zo veel mogelijk tot opname en verpleging van de gegageerden der koloniale landmacht, aangewezen in de artikelen 1 en 2 van het aan dit besluit gehechte reglement, dat bij deze tevens wordt vastgesteld;
  • Wij verklaren ons te zijn beschermheer van het koloniaal militair invalidentehuis;
  • De kosten van inrichting en onderhoud van het koloniaal militair invalidetehuis, die van de voeding, kleding, het zakgeld en de verzorging der invaliden, en de traktementen, toelagen, daggelden enz. van het personeel der officieren en beambten, komt ten laste van de staatsbegroting;
  • Ons tegenwoordig besluit wordt gerekend te zijn in werking getreden op de eerste juli 1862.

Ter ere van het zilveren regeringsfeest van de koning werd een nationale schenking gedaan van 2 ton ten behoeve van de invaliden van de land- en zeemacht in Nederland en Nederlands-Indië, tot nut der dapperen die hun leven voor Nederland veil hebben gehad en in die strijd verminkt zijn geraakt.[10]

Bronbeek als verzorgingshuis voor militairen[bewerken]

Invaliden te Bronbeek in 1897

Als eerste commandant werd (dan luitenant-kolonel) J.C.J. Smits benoemd; in de loop van 1863 verhuisden invalide militairen uit inrichtingen in alle delen van het land naar Bronbeek. In 1864 waren er al het maximale aantal van 200 militairen opgenomen; op de 10de januari 1864 werd door een deel van hen het blijspel Niet of graag van Andersen opgevoerd. De verpleegden waren toen al onderworpen aan huis- en landelijke arbeid, strenge tucht en discipline (een dertigtal was wegens wangedrag ontslagen).[11] Toen Smits in november 1887 overleed stond de koning erop dat generaal K. van der Heijden en niemand anders commandant van Bronbeek zou worden. Deze behoefde het voor het geld niet te doen omdat zijn Indische pensioen ruim voldoende was, maar zag het als een eer te bewijzen aan het Indische leger en aan de koning.[12]

Sociale problematiek en verzorging[bewerken]

Een van de problemen, waarmee oud-militairen indertijd te kampen hadden, was dat er geen werk voor hen te vinden was. Een oud-soldaat formuleerde deze kwestie als volgt: de burgers gaan voor, overste!, klaagde bij mij (luitenant-kolonel G.J.W.C.H. Graafland) onlangs een oud-fuselier, en van de militairen eerst de Hollandse, in het bijzonder die van de marine; pas heel achteraan komen wij, en dan nog enkel als we een krachtige voorspraak hebben. Anders kun je helemaal thuisblijven. Er is hier geen werk voor ons, besloot hij; men wéét niet waarvoor wij geschikt zijn en eigenlijk weet ik dat nou zelf ook niet. [13] Graafland zei over deze problemen verder nog dat het pensioen van de soldaten wel wat klein was voor hen, die Europa en de toestanden in het moederland waren ontgroeid. De soldaten bemerkten dat zij eigenlijk geen vak kenden; dat de handen hen hier verkeerd stonden, dat de soldatendeugden als beroepssoldaat in de gewone maatschappij niet bijster hoog werden aangeslagen; dat het leger ontzettend veel van hen gevraagd had aan berusting, overgeving, zelfverloochening, gedweeheid, volharding, trouw en ijver; maar in ruil daarvoor hen niets schonk wat in de burgermaatschappij lonende waarde had. Veel van deze soldaten raakten aan de drank of anderszins in de versukkeling en belandden uiteindelijk op Bronbeek. Gouverneur-generaal J.B. Van Heutsz zei hier in 1903 over dat de werkgevers in Nederland de Indisch soldaat al bij voorbaat als een drinkebroer en een onnut wezen zagen, waardoor de situatie voor de soldaten nog verergerde.[14]

In 1904 bevonden zich te Bronbeek 135 oud-strijders: 86 Nederlanders, 24 Belgen, 16 Duitsers, 5 Zwitsers en 4 Fransen. Om er te worden opgenomen moesten zij afstand doen van hun pensioen, in ruil waarvoor zij huisvesting, kleding, voeding en zakgeld ontvingen. Dit laatste bedroeg voor een soldaat 10, voor een korporaal 15, een sergeant of fourier 20, een sergeant-majoor 25 en een adjunct-onderofficier 30 cent per dag. Geëmployeerden en gepensioneerden met verhoogd gagement ontvingen een toelage. Om te voorkomen dat de militairen zich te buiten zouden gaan werd het zakgeld dagelijks uitbetaald. 's Zomers werd om 6, ’s winters om 7 uur reveille geblazen. Kort daarna werd koffie met brood en boter verstrekt. Om half negen kregen de manschappen weer koffie met een boterham, die ’s zondags belegd was met een stukje worst of kaas. Om één uur was het middageten, dat bestond uit soep, vlees, groenten en aardappelen, met daarnaast een glaasje gerstebier. In plaats van rund –en varkensvlees kregen ze nu en dan gebraden konijnen, die afkomstig waren uit een eigen fokkerij, of ook wel karpers, waarvan de vijvers op Bronbeek krioelden. Verder werden er ook forellen gekweekt. Om vier uur ’s middags ontvingen de manschappen er nog een boterham bij. ’s Avonds om half negen werd er nog koffie met boter en brood of pap verstrekt.[13]

Het nachtleger bestond uit een strozak, een paardenharen matras met dito hoofdkussen, 2 lakens en 2 dekens. De slaapkamers werden, evenals het gehele gebouw, centraal verwarmd. Het schoonhouden was het werk der verpleegden zelf, met dien verstande, dat de oudsten in jaren het lichtste werk verrichten. De zieken werden ook te Bronbeek verzorgd. Velen leden aan verval van krachten, maar ook waren er die de tering hadden of leden aan koortsen, vallende ziekte, enz.

Militair Tehuis en Museum[bewerken]

Militair tehuis Bronbeek biedt anno 2012 huisvesting en verzorging aan inwonende oud-militairen van de krijgsmacht, met uitzondering van officieren. Bronbeek biedt ouderenzorg waarin de eigen mogelijkheden van de bewoners centraal staat. Het tehuis heeft maximaal 50 bewoners en kent een korte wachtlijst. Het Ministerie van Defensie draagt de kosten van exploitatie en instandhouding maar bewoners betalen daarnaast een eigen bijdrage. Bronbeek richt zich sterk op de vraag van de bewoner en probeert een goede kwaliteit zorg te leveren. Het tehuis werd in 1987 en in 1997 gerenoveerd. In februari 2013 werd het 150-jarig bestaan van Bronbeek gevierd, hetgeen werd opgeluisterd door een bezoek van koningin Beatrix aan het huis op 27 februari 2013.[15]

Monumenten[bewerken]

KNIL-monument met bewoners in 1963

Op het landgoed Bronbeek zijn diverse monumenten geplaatst, waaronder:

Markante oud-inwoners van Bronbeek[bewerken]

  • August von Keldenich (Keldenich, 1830, stamboeknummer 43228), nam in 1872 dienst bij het Indische leger; nam onder meer deel aan de tweede expeditie naar Atjeh en was sinds 1881 te Bronbeek. Hij werd een keer ten onrechte dood verklaard en zei toen: Ja, waarachtig, ik was dood…op papier. Want toen ik mij later op Semarang kwam aanmelden, zei de sergeant-majoor tegen mij: Stamboeknummer 43228 is dood. Dat stamboeknummer was ik. Ja, dat grieft je, als je meent de Militaire Willems-orde voor je gedrag te hebben verdiend en ze zeggen je dan zo pardoes in je gezicht dat je dood bent. [13]
  • Louis Lust (België, 1827), nam deel aan de tweede expeditie naar Bali, de expeditie naar Boni en de expeditie naar de Zuider- en Oosterafdeling van Borneo en vocht onder meer onder Toontje Poland: Tot mijn ongeluk stond ik tussen een paar oude zuiplappen in en nauwelijks had Toontje ons in het vizier, of hij riep met donderende stem: Het hele zootje in de tweede klas! Op Bali raakte ik dat gemene nummer gelukkig gauw weer kwijt. [13]
  • Gerrit Weijdenkamp (Op een Hollands schip bij de Zweedse kust, 1834): nam als matroos deel aan de strijd bij Shimonoseki: Onze kolonel, (F. de Casembroot) was heel tevreden. Hij was altijd even goed voor ons en we zouden zeker met hem de lucht in zijn gegaan, als de omstandigheden het nodig hadden gemaakt. Misschien zie ik hem boven terug. [13]
  • P.L. de Hue (Limburg), nam tijdens het vervolg van de tweede expeditie naar Atjeh deel aan de verovering van Lambaroe in de nieuwjaarsnacht van 1874: De kogels floten ons om de oren als hagelstenen en uit duizenden kelen klonk het schorre gehuil: Allah il Allah! Wanneer men naar die dansende schaduwen, nu eens zo groot als reuzen, dan weer klein als dwergen keek, moest men wel geloven dat alle bewoners van de hel waren losgebroken! [13]
Bewoners van Bronbeek in 1903
  • Sergeant Heuer, nam deel aan expedities op Atjeh onder J.B. van Heutsz: Met de arme luitenant Von Ende liep het slecht af. Een lillakogel verpletterde hem een been. Na de operatie stierf hij. Om hem hebben wij allen getreurd, want hij, zowel als Van Heutsz, waren officieren, die de soldaat niet als een willoos werktuig beschouwden, maar als een evenmens en hem zo half en half zelfs als een kameraad behandelden.[13]
  • Johann Jacob Wiegand (Rijnland, 1840), nam deel aan de Atjehoorlog onder Karel van der Heijden: Ik heb werkelijk geschreid, toen ik onze arme luitenant Kalis daar zielloos zag liggen. Een klewanghouw had hem de borst gespleten, zodat de long letterlijk bloot lag. Fourier de Neve lag dwars over hem, letterlijk in stukken gesneden, en daarnaast zat de hazewindhond van de luitenant, met de tong uit de bek. De zwijnen hadden het dier niet aangeraakt. Een aantal Atjehnezen lag dood in de benting; onder hen een aantal priesters met de Koran onder de arm; die hadden ons zo lang vervloekt, totdat ze hun snoet niet meer konden opendoen. [13]
  • Johan Kasper Lewenstein, nam deel aan de Lombok-expeditie: Eindelijk – om twee uur – hielden de officieren krijgsraad en daarna werd er gecommandeerd: afmarcheren! Het was verschrikkelijk om aan te zien, hoe onze lui bij hopen werden neergeschoten. Voornamelijk op de officieren hadden de Balinese scherpschutters het gemunt.[13]
  • Johannes Asten, nam deel aan de Lombok-expeditie: heeft een meid u ooit met een haarspeld het gezicht bewerkt? Nu, mij wel. Het doet duivelse pijn. Stelt u dan voor dat zo’n engel van een meid met een twee meter lange lans en een kris in de handen op u losstormt. Zou u haar dan een zoen geven? [13]
  • P. Silvertant (1867-1904), fuselier, nam deel aan de Atjeh-oorlog in 1897 en kreeg bij Koninklijk Besluit van 11 mei 1898 nummer 34 de Militaire Willems-Orde: overal werd gezegd: we hebben geen werk. Eindelijk kwam de honger en kneep mij de keel haast dicht. Toen werd ik kruiersknecht en voer dag in dag uit, ja, zelfs ’s nachts met een zwaar geladen kar door de straten. Orde en eremedaille liet ik daarbij thuis. Ik wilde niet dat de lui hen zouden uitschelden, die mij de orde gegeven hadden. Toen voelde ik, hoe een oude Indische kwaal weer boven kwam. Het ging niet meer. Wat de veertien Indische dienstjaren niet vermochten, deden de paar maanden burgerdienst: ik zakte ineen en nu ben ik hier (een paar maanden later was hij overleden).[13]

Museum Bronbeek[bewerken]

Bronbeek is tegenwoordig een geregistreerd museum, met een collectie van 55.000 objecten en een kenniscentrum over de koloniale periode in Nederlands-Indië, met nadruk op de geschiedenis van het Indische leger (KNIL) en de gekoloniseerde tegenstanders van die tijd. Het museum wil de kennis en het bewustzijn van het Nederlandse koloniale verleden vergroten en hiervoor belangstelling wekken. Het heeft een vaste tentoonstelling Het verhaal van Indië, waarin de geschiedenis van de Nederlandse aanwezigheid in Nederlands-Indië centraal. staat. In tijdelijke tentoonstellingen worden thema's uit de vaste expositie uitgediept zoals in 2012 de expositie 1942, de val van Indië.

Collectie van Museum Bronbeek[bewerken]

De tijdens diverse expedities van het Indische leger buitgemaakte wapens en andere voorwerpen werden in de loop der tijd aan Bronbeek geschonken. De troepen bijvoorbeeld, die tijdens de veldtocht tegen Boni hadden gestreden boden als blijk van hulde enige wapens aan de koning aan, die bepaalde dat deze wapens als blijvende herinnering ten toon zouden worden gesteld in de trofeeënzaal van Bronbeek.[16] Veel officieren en oudofficieren van het Indische leger deden giften aan Bronbeek in de vorm van wapens maar ook van militaire werken en andere boeken. Resident C.P.C. Steinmetz schonk Bronbeek in januari 1863 zijn collectie van beelden, afbeeldingen van tempels, vaartuigen enz.; een groot metalen borstbeeld van de koning, vervaardigd door de firma L.J. Enthoven, werd in februari 1863 in de gevel van het gebouw geplaatst (met inscriptie: Koning Willem III, stichter en beschermheer).[17] In april 2009 doneerde mevrouw Spoor-Dijkema, weduwe van generaal S. Spoor, al diens decoraties aan het museum. Eerder werd al zijn uniform tentoongesteld.

Commandanten van Bronbeek[bewerken]

Namen In welke rang of betrekking werkzaam geweest Commandant Opmerking
J.C.J. Smits generaal-majoor 3 juni 1862 - 24 oktober 1887
K. van der Heijden luitenant-generaal 5 november 1887 - 24 januari 1900 adjudant was majoor H.F.V.M. Schwing
N.C. van Heurn luitenant-kolonel 24 februari 1900 - 31 juli 1917 adjudant was majoor H.F.V.M. Schwing
S.A. Drijber generaal-majoor 1 augustus 1917 - 31 december 1924 En als waarnemer van 1 januari 1925 - 30 april 1932
C.A. Rijnders luitenant-generaal 1 mei 1932 - 31 mei 1946
N.L.W. van Straten generaal-majoor 1 juni 1946 - 30 augustus 1955
A. van Santen kolonel 1 september 1955 - 31 december 1968
J. van der Leer brigade-generaal 1 januari 1969 - 31 maart 1980
W. Epke brigade-generaal 1 januari 1980 - 19 februari 1988
R. Boekholt brigade-generaal 20 februari 1988 - 31 mei 1991
G.A. Geerts brigade-generaal 1 juni 1991 - 28 juli 1994
G.L.M. Pastoor kolonel 29 juli 1994 - 1 september 2000
R. Harting kolonel 2 september 2000 - 1 april 2002
J.C.L. Bolderman kolonel 2 april 2002 - 2009
G.H.J. Noordanus kolonel 2009 - 2013 150-jarig jubileum in 2013, op 27 februari was het laatste bezoek van koningin Beatrix
M.C. Dulfer kolonel 2013 - heden

Externe link[bewerken]

Portal.svg Portaal KNIL
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Rotterdamse Courant (18-10-1854)
  2. Oprechte Haarlemse Courant (07-10-1854)
  3. Algemeen Handelsblad (08-10-1856)
  4. Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage (31-07-1859)
  5. De Noordbrabander: staat en letterkundig dagblad (01-10-1859)
  6. Bredase Courant (02-10-1859)
  7. De Noordbrabander: staat en letterkundig dagblad (24-05-1860)
  8. Nieuw Amsterdams Handels- en Effectenblad (23-11-1860)
  9. De Noordbrabander: staat en letterkundig dagblad (11-11-1862)
  10. Nieuwe Tilburgse Courant (30-11-1890)
  11. Algemeen Handelsblad (07-01-1864)
  12. De Locomotief (05-12-1887)
  13. a b c d e f g h i j k 1903. Taptoe!
  14. Gouverneur-generaal Van Heutsz over oud-Indisch soldaten. Het Nieuws van de Dag: kleine courant. (08-08-1904)
  15. Nieuwsbericht op de website van de rijksoverheid, 27 februari 2013.
  16. Algemeen Handelsblad (05-01-1863)
  17. Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage (01-03-1863)
  • 1903. A. Prell. Taptoe! Van Holkema en Warendorf.
  • 1988. J.C. Bierens de Haan e.a.. Bronbeek, Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen. Arnhem.
  • 1998. W. Bevaart Bronbeek. Tempo doeloe der liefdadigheid. Den Haag.
  • 2013. Laurens van Aggelen. 150 jaar koninklijk Bronbeek. Arnhem.