Brugse Metten
| Brugse Metten | ||||
| Datum | 18 mei 1302 | |||
| Locatie | Brugge | |||
| Resultaat | Vlaamse overwinning | |||
| Strijdende partijen | ||||
|
||||
| Commandanten | ||||
|
||||
| Troepensterkte | ||||
|
||||
| Verliezen | ||||
|
||||
Tijdens de Brugse Metten, op vrijdag 18 mei 1302, doodden de Bruggelingen leden van het Franse garnizoen in hun stad tijdens een nachtelijke verrassingsaanval. Jacques de Châtillon, landvoogd voor de Franse koning die leenheer van het graafschap Vlaanderen was, had de stad kort tevoren bezet. Hij kon ternauwernood ontsnappen.
Om de Fransen en de leliaards (Fransgezinde Vlamingen, meestal patriciërs) van de liebaards te onderscheiden werd elke verdachte persoon gevraagd om het sjibbolet scilt ende vrient uit te spreken. Dit was moeilijk voor de Fransen, en zodoende was het duidelijk wie men mocht doden en wie niet. Een alternatieve uitleg is dat het niet om scilt ende vrient zou gaan, maar om des gilden vrient.
Lodewijk van Velthem, een eigentijdse Brabantse schrijver, noemde deze gebeurtenis "Goede Vrijdag" en beschreef het als volgt in enkele zinnen (ernaast een vrije vertaling):[1]
| Dese dach heet men binnen Brucge | Deze dag noemt men in Brugge |
| 'goet vridach' om dese daet | 'Goede Vrijdag' wegens deze daad. |
| Hieraf es comen menich quaet | Hieruit kwam veel kwaad |
| Daer worden verslagen inder stede | Er werden in de stad gedood |
| wel 24 baenroetse mede | wel 24 banierheren (edelen) en |
| ende ridderskinder ende serjande | kinderen van ridders en sergeanten |
| van Vranckrike, ende van andre lande | uit Frankrijk, en uit andere landen |
| menicheen daer ict tgetal | waarvan ik het aantal |
| niet wel af en can genoemen al. | niet precies kan noemen |
Omdat deze gebeurtenissen zich hadden afgespeeld op een vrijdag, noemden de Bruggelingen deze dag "Goede Vrijdag", al was Pasen reeds lang voorbij. Pas veel later werd de naam "Brugse Metten" gegeven aan deze gebeurtenissen, in analogie met de "Siciliaanse Vespers", een gelijkaardige opstand op Sicilië in 1282.[2]
Enkele dagen na de Brugse Metten deed Pieter de Coninck, samen met Willem van Gulik op 23 mei 1302 triomfantelijk zijn intrede in Brugge. Twee weken voordien had hij moeten vluchten uit Brugge naar Zeeland omdat hij met de dood werd bedreigd en de publieke opinie volledig tegen zich had. Jan Breydel nam waarschijnlijk geen deel aan de Brugse Metten en wordt in de kronieken in dit verband niet vermeld.[3]
Lodewijk van Velthem beschrijft de terugkeer van Pieter de Conick aldus:[4]
| Doen quam in Peter die Coninc | Toen kwam Pieter de Coninck terug |
| metten andren die uut waren | met anderen die vertrokken waren |
| doe haer viande lagen in baren | toen hun vijanden opgebaard lagen |
| diese wilden hebben doen hangen | die hen hadden willen doen hangen. |
| Met groter bliscap waren si ontfangen | Met grote vreugde werden ze ontvangen. |
Filips IV van Frankrijk was hierover vreselijk woedend en beval dat de Bruggelingen en hun handlangers geen genade mochten kennen. Hij stuurde een leger, onder leiding van zijn beste krijgsheer Robert van Artois om het opstandige gewest te straffen, maar dat werd op 11 juli 1302 verslagen in de Guldensporenslag.
Het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck, gemaakt door Paul de Vigne en ingehuldigd in 1887, staat in het centrum van de Grote Markt in Brugge.
[bewerken] Referenties
- ↑ Lodewijk van Velthem, Spiegel historiael | Vijfde Partie, XVI verzen 40-46
- ↑ F. Verbruggen, De Goede Vrijdag van Brugge, 18 mei 1302, in Het Brugs Ommeland, Brugge, 1977/2.
- ↑ Karim van Overmeire, De Guldensporenslag, het verhaal van een onmogelijke gebeurtenis, Uitgeverij Egmont, 2001, ISBN 90-805616-3-0
- ↑ Lodewijk van Velthem, Spiegel historiael | Vijfde Partie, XVI verzen 58-62
- Ludo Jongen & Miriam Piters, Ghi Fransoyse sijt hier onteert; De Guldensporenslag, Lodewijk van Velthem; Davidsfonds, Leuven, 2002, ISBN 90-5826-176-X