Bruine trilzwam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bruine trilzwam
Bruine trilzwam parasiteert Stereum hirsutum
Bruine trilzwam parasiteert Stereum hirsutum
Taxonomische indeling
Rijk: Fungi (Schimmels)
Stam: Basidiomycota
Onderstam: Agaricomycotina
Klasse: Tremellomycetes
Orde: Tremellales
Familie: Tremellaceae
Geslacht: Tremella
Soort
Tremella foliacea
Pers. : Fr. (1822)
Afbeeldingen Bruine trilzwam op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De bruine trilzwam (Tremella foliacea, syn. Exidia foliacea (Pers.) P. Karst.)) is een vrij algemeen voorkomende schimmel, die behoort tot de familie Tremellaceae. De bruine trilzwam komt voor in gemengde loofbossen op dood staand en liggend loofhout, vooral op dat van berk en eik. Soms is de bruine trilzwam ook op naaldhout te vinden. De bruine trilzwam is niet alleen een saprofyt, maar parasiteert ook de schimmels uit het geslacht Stereum).[1] De schimmel is niet giftig en kan gegeten worden, maar heeft weinig smaak. De bruine trilzwam lijkt veel op Exidia saccharina en Ascotremella faginea

Kenmerken[bewerken]

Macroscopische kenmerken[bewerken]

Het 3 - 10 cm brede en tot 6 cm hoge glanzende, kandijsuikerbruine tot roodoranjebruine vruchtlichaam is sterk samengedrukt geplooid tot bladvormig gelobd. Bij het ouder worden verkleuren ze tot bijna zwartbruin. Het vruchtlichaam is gelatineus en voelt zacht aan. Uitgedroogde vruchtlichamen verschrompelen tot een bruine, hoornachtige laag. De sporenvormende laag bedekt het hele oppervlak, zowel de boven- als onderkant, dit in tegenstelling tot de soorten van het geslacht Exidia, zoals bij de zwarte trilzwam. De spore-afdruk is wit of lichtgeel.

Op naaldhout zijn de vruchtlichamen bruinviolet. Deze wordt wel als een variëteit beschouwd van de bruine trilzwam met de variëteitsnaam succina.[2]

Microscopische kenmerken[bewerken]

Er komen twee verschillende typen van basidia voor: Typ I is rond tot bijna rond, 12–14(–16) x 11–15 µm groot, daarentegen is Typ II elliptisch tot ovaal, 13–19(–22) x 11–14 µm groot en heeft zeer korte steeltjes. Beiden zijn in de lengte of scheef gesepteerd en hebben 4 sporen. Meestal zijn de sterigmata 20 - 30, maximaal 50 µm lang en 2–4 µm dik. Aan de top zijn de basidia niet of iets verdikt tot 5 µm. De schimmeldraden van het subhymenium zijn dwars met elkaar verbonden. De min of meer ronde tot overwegend breed elliptische sporen zijn glad, kleurloos, dun en slechts in een bepaald stadium dikwandig. Ze zijn 7–9 x 5–8 µm groot, de lengte- breedteverhouding ligt in de regel tussen 1,0 - 2,0. De sporen vormen kiembuizen of vormen door knopvorming min of meer ronde secundaire sporen. Er worden geen conidiën gevormd. De opgezwolle cellen zijn meer of minder rond tot ovaal, 9-17 x 6-10 um groot, glad, kleurloos, dunwandig, in een bepaald stadium dikwandig. De gladde, kleurloze schimmeldraden hebben een doorsnede van 2-4(-6) µm en kunnen in het subhymenium tot 10 µm dik worden. Ze zijn meestal dikwandig, galvormig, kunnen echter in het jonge stadium soms dunwandig zijn. Haustoriën komen zelden voor en hebben gespen.

Ecologie en verspreiding[bewerken]

De bruine trilzwam groet op dood hout en parasiteert Stereum-ssorten.

De bruine trilzwam komt voor in beuken-en haagbeuken-eikenbossen en langs beken met beuk, eik en hazelaar begroeiïng. Komt echter ook op andere loofbomen voor, zoals esdoorn, es, haagbeuk en soms ook op linde. Soms komt de bruine trilzwam ook voor op de fijnspar en gewone zilverspar.[2][3]

Taxonomie en fylogenie[bewerken]





Tremella mycophaga




Tremella simplex






Tremella neofoliacea





Cryptococcus skinneri







Tremella foliacea






Cladogram: Verwantschappen van de bruine trilzwam[4]

Christiaan Hendrik Persoon beschreef Tremella foliacea in 1799 (pub. 1800 in "Observationes mycologicae 2").[5] In 1822 beschreef Elias Magnus Fries de bruine trilzwam in zijn werk "Systema Mycologia 2".[4]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Chee-Jen Chen: 3.1.4 Results: Foliacea group. In: Morphological and molecular studies in the genus Tremella. Bibliotheca Mycologica. Bd. 174. 1998. ISBN 3-443-59076-4. (PDF; 915 kB)
  2. a b German J. Krieglsteiner, Armin Kaiser: Die Großpilze Baden-Württembergs. Gallert-, Rinden-, Stachel- und Porenpilze. Verlag Eugen Ulmer, Stuttgart 2000. Bd. 1. ISBN 3-8001-3528-0.
  3. Verbreitung von Tremella foliacea in Deutschland. Pilzkartierung 2000 Online. Deutsche Gesellschaft für Mykologie. Abgerufen am 11. Februar 2011.
  4. a b Jack W. Fell, Teun Boekhout, Alvaro Fonseca, Gloria Scorzetti and Adele Statzell-Tallman: Biodiversity and systematics of basidiomycetous yeasts as determined by large-subunit rDNA D1/D2 domain sequence analysis. In: International Journal of Systematic and Evolutionary Microbiology. Vol. 50. 2000. S. 1351–1371. (PDF; 2,12 MB)
  5. Christian Hendrik Persoon: Tremella foliacea. In: Observationes mycologicae 2. 1800. S. 98.