Burgerlijke dood

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De burgerlijke dood was een straf waarbij men door de overheid als dood werd beschouwd. Dit had tot gevolg dat het vermogen van die persoon werd verdeeld over zijn erfgenamen, zijn eventuele huwelijk werd ontbonden en hij geen contracten meer kon sluiten (en dus geen huis of andere zaken meer kon kopen of huren). Een persoon die burgerlijk dood was verklaard kon ook niet getuigen. Iemand die burgerlijk dood was verklaard kon bovendien gewoon worden vermoord zonder dat de dader gestraft werd. Dit had tot gevolg dat iemand die burgerlijk dood was verklaard daarna vaak ook in het echt niet lang meer te leven had, bijvoorbeeld als men wraak wilde nemen.

Deze straf bestond onder meer in Europa van de middeleeuwen tot en met de 19e eeuw. Ze werd onder meer ook doorgevoerd in Nederland en in de Oostenrijkse en Spaanse Nederlanden, het latere Koninkrijk België. Ook Frankrijk kende ten tijde van het ancien régime de burgerlijke dood als straf.

De Burgerlijke dood (Frans: La Mort Civile) was onderdeel van de Napoleontische Code Civil en Code Pénal, delen van de Code Napoléon[1].

In de Nederlandse Grondwet van 1831 was de burgerlijke dood in Art. 13 uitgesloten als straf. Het verbod kreeg een plaats in het Burgerlijk Wetboek als Art. 4. In het Nieuw Burgerlijk Wetboek wordt de burgerlijke dood niet genoemd[2].

Na 1814 is de burgerlijke dood in Nederland nooit meer als straf opgelegd.

Bij het opstellen van de Belgische Grondwet werd opgenomen dat die straf werd afgeschaft en nooit meer kon ingevoerd worden (artikel 18), omdat men dit een mensonwaardige straf vond. Er werd echter niet voorzien in overgangsmaatregelen voor nog levende veroordeelden en hun (gewezen) gezinsleden. Dit werd overgelaten aan de rechters.

De burgerlijke dood bestond nog tot 31 mei 1854 in Frankrijk. Chili schafte deze straf in 1943 af.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. l’article 25 du Code Napoléon.
  2. C.Asser, Personen en familierecht, 2006