Canal Saint-Martin

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Canal Saint-Martin
Ecluses Jaures nabij station Stalingrad
Ecluses Jaures nabij station Stalingrad
Lengte 4,55 km
Scheepsklasse 0
Jaar ingebruikname 1825
Van Seine
Naar bassin de la Vilette
Loopt door Parijs
Portaal  Portaalicoon   Maritiem

Het Canal Saint-Martin is een Frans kanaal in het noordoosten van Parijs, grotendeels in het 10e arrondissement. Samen met het Canal Saint-Denis vormt het een verbinding tussen twee delen van de Seine. Zo kan twaalf kilometer van de route over de Seine worden afgestoken. Tegenwoordig wordt het echter vrijwel niet meer gebruikt behalve voor rondvaarten. Een deel van het kanaal ligt in een tunnel onder de Boulevard Richard Lenoir en onder de rue du Faubourg-du-Temple.

Het kanaal is circa 4550 meter lang en loopt van het Place de la Bastille naar het bassin de la Villette. Via negen sluizen - waaronder vier dubbelsluizen - wordt een niveauverschil van circa 25 meter overwonnen. Canal Saint-Martin werd in 1825 geopend, nadat in 1802, tijdens de regering van Napoleon Bonaparte, tot de bouw was besloten. De eerste plannen dateren echter al uit de tijd van Lodewijk XIV. In 1862 en 1907 werden delen van het kanaal overdekt.
In 1963 werd besloten het kanaal te dempen om er een autoweg aan te leggen, die de verbinding moest vormen tussen de luchthavens Le Bourget en Orly. De verwachte verkeersdrukte van 6000 voertuigen per uur in beide richtingen leidde echter tot protesten van omwonenden. Het project werd stilgelegd en werd op 15 december 1971 gestaakt.

Het gebied rond het Canal Saint-Martin is pittoresk en geeft een indruk van de bedrijvigheid die er vroeger moet hebben geheerst. Langs het kanaal bevinden zich talrijke fabrieksgebouwen uit de negentiende eeuw, waaronder de oudste elektriciteitscentrale van Parijs en een oude papierfabriek, alsmede de Rotonde de la Vilette (1786-1792), een classicistisch gebouw van Claude-Nicolas Ledoux.

Het kanaal is in enkele bekende films te zien, waaronder Hôtel du Nord (1938) en Le Fabuleux Destin d'Amélie Poulain (2001). Het wordt ook in romans beschreven, onder andere door Léo Malet en Georges Simenon. Door Jacques Tardi is het getekend.