Canonvorming van het Nieuwe Testament
De canonvorming van het Nieuwe Testament is het proces dat uiteindelijk leidde tot een algemeen aanvaarde lijst van de geschriften van het Nieuwe Testament. Reeds aan het einde van de tweede eeuw n.Chr. bestond een canon die niet veel van de huidige verschilde. De tweede helft van de vierde eeuw n.Chr. vormde de beslissende fase van canonisering.
Inhoud |
Terminologie en bronnen [bewerken]
Het begrip canon betekent oorspronkelijk 'riet' en daarvan afgeleid 'maatstaf' of 'norm.' Men gebruikte het om een lijst met algemeen erkende kerkelijke geschriften aan te duiden. Toegepast op de lijst gezaghebbende Bijbelse geschriften komt het begrip 'canon' pas voor in de tweede helft van de vierde eeuw bij Athanasius van Alexandrië.[1]
Bronnen voor de canonvorming van het Nieuwe Testament zijn:
- Het al dan niet citeren van een geschrift door vroegchristelijke schrijvers.
- Handschriften van het Nieuwe Testament.
- Lijsten met gezaghebbende geschriften.
- Bespreking van de status van Bijbelse geschriften door vroegchristelijke schrijvers.
Canoniciteit werd bepaald aan de hand van veronderstelde apostolische oorsprong, gebruik in de officiële liturgie en overeenstemming met de apostolische traditie. Boeken die toegeschreven werden aan (een leerling van) een apostel en in de eerste eeuwen tot stand waren gekomen, maar om uiteenlopende redenen niet opgenomen werden in de canon, heten apocriefen. Geschriften op naam van een apostel (binnen of buiten de canon) die volgens historisch-kritische onderzoekers niet teruggaan op die apostel, worden pseudepigrafen genoemd.
Ontstaan van de geschriften van het Nieuwe Testament [bewerken]
De 27 geschriften in het Nieuwe Testament zijn ontstaan als gelegenheidsgeschriften. Dat wil zeggen dat ze niet geschreven zijn met het oog op het nog te vormen Nieuwe Testament, maar om te reageren op een bepaalde situatie in de vroegchristelijke gemeenschappen. Volgens de meest gangbare datering zijn de geschriften van het Nieuwe Testament ontstaan tussen 50 n.Chr. en het begin van de 2e eeuw. De traditionele indeling van de canon is als volgt:
- Vier evangeliën.
- Handelingen van de Apostelen.
- Veertien brieven van Paulus (inclusief Hebreeën).
- Zeven katholieke of algemene zendbrieven.
- De Openbaring van Johannes.
Andere geschriften [bewerken]
In de vroege kerk circuleerden naast de 27 thans canonieke geschriften ook andere geschriften (evangeliën, brieven en openbaringen), vaak op naam van apostelen. Een deel hiervan zijn gnostische geschriften die in Nag Hammadi werden gevonden. Deze geschriften stammen waarschijnlijk uit de tweede en derde eeuw. De meesten hebben nooit algemene erkenning genoten.
Een greep uit de thans bekende evangeliën:
- Proto-Evangelie van Jacobus
- Kindheidsevangelie van Thomas
- Evangelie van de Hebreeën
- Evangelie van de Ebionieten
- Evangelie van Thomas
- Evangelie naar Filippus
- Evangelie van Nikodemus
- Evangelie van Maria Magdalena
- Evangelie volgens Judas
Een klein aantal geschriften (de brief van Barnabas, de Leer van de Apostelen, de Herder van Hermas en 1 en 2 Clemens) hadden bij velen een groot gezag, maar hebben uiteindelijk geen algemene erkenning gekregen.
Het proces van canonisatie [bewerken]
Vroege verzamelingen [bewerken]
De brieven van de apostelen werden van de ene naar de andere gemeente doorgegeven: "Wanneer deze brief bij u is voorgelezen, moet u ervoor zorgen dat hij ook in de gemeente van Laodicea wordt voorgelezen, en dat u de brief aan hen te lezen krijgt" (Kol. 4:16 NBV). De schrijver van 2 Petrus kan verwijzen naar "alle brieven van onze geliefde broeder Paulus" (2 Pet. 3:15-16). Ignatius van Antiochië citeert uit de meeste brieven van Paulus.
Dat de vier evangeliën rond het midden van de tweede eeuw n.Chr. algemeen verspreid en gezaghebbend waren, blijkt uit onder meer de volgende aanwijzingen:
- Het secundaire slot van het Evangelie van Marcus (Mc. 16:9-20) veronderstelt kennis van de vier evangeliën.
- Justinus de Martelaar meldt dat de "herinneringen van de apostelen" naast de profeten in de samenkomsten werden gelezen.[2] Uit citaten blijkt dat hij de evangeliën bedoelt, hoewel het onzeker is of hij het Evangelie van Johannes kende.
- Tatianus schreef tussen 170 en 180 een harmonie van de vier evangeliën: Diatessaron.
Marcion [bewerken]
Marcion was een theoloog die actief was rond het midden van de tweede eeuw. Hij verwierp het Oude Testament en stelde een nieuwe verzameling geschriften daarvoor in de plaats. Hij 'zuiverde' de tekst van het Evangelie van Lucas van Joodse invloeden. Naast dit ene evangelie koos Marcion tien (wederom 'gezuiverde') brieven van Paulus. De werkwijze van Marcion zette de vraag welke geschriften gezaghebbend waren en welke vervalsingen of op andere wijze onwaardig in de kerken gebruikt te worden, prominent op de kerkelijke agenda.
Rond 200 n.Chr. [bewerken]
De volgende gegevens (naast de reeds genoemde Tatianus) geven een beeld van de canon in de periode van de overgang van de tweede naar de derde eeuw.
- Rond 180 stelt Theophilus van Antiochië "het evangelie" (waaronder zeker Johannes) en Paulus op dezelfde hoogte als Jesaja.[3]
- Voor Irenaeus zijn rond 185 de vier evangeliën onder hun bekende naam een vanzelfsprekende grootheid. Daarnaast gebruikt hij de boeken van het Nieuwe Testament met uitzondering van Filemon, Hebreeën, Jakobus, 2 Petrus, 3 Johannes en Judas.
- Hippolytus van Rome erkent rond 200 dezelfde boeken als Irenaeus.
- Tertullianus heeft voor het westen 22 geschriften: de vier evangeliën, Handelingen van de apostelen, dertien Paulusbrieven (exclusief Hebreeën), 1 Petrus, 1 Johannes, Judas en de Openbaring van Johannes.
- Clemens van Alexandrië erkent in diezelfde tijd de vier evangeliën, veertien Paulusbrieven (inclusief Hebreeën), Handelingen der Apostelen, Openbaring van Johannes, 1 Petrus, 1 en 2 Johannes en Judas. Daarnaast gebruikte Clemens ook geschriften als de brief van Barnabas en de Herder van Hermas. Hij had kennelijk nog geen duidelijk afgebakende canon.
- De zogeheten 'Canon Muratori' (gedateerd tegen het einde van de tweede eeuw) heeft een lijst van boeken van het Nieuwe Testament van de gemeente te Rome. In deze lijst ontbreken Hebreeën, Jakobus, 1 Petrus, 2 Petrus en 3 Johannes. De Openbaring van Petrus staat er wel in, maar met de notitie dat deze omstreden is. De Herder van Hermas komt minder gezag toe en mag niet worden voorgelezen in de kerk. De Brief aan de Laodicenzen wordt verworpen als vervalsing.
Rond deze tijd is er dus vooral nog onduidelijkheid over Hebreeën en de algemene zendbrieven.
De Griekse kerk [bewerken]
In de Griekse kerk twijfelde men vooral aan Jakobus, Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Openbaring. Origenes (eerste helft 3e eeuw) beschouwde Hebreeën, Jakobus, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Judas als twijfelachtig, hoewel hij bij de inhoud van Hebreeën geen twijfels had.[4] De overige boeken, dus ook Openbaring, beschouwt hij wel als algemeen aanvaard. Onder vervalsingen rekende Origenes het evangelie van de Egyptenaren, het Thomasevangelie, het evangelie van Basilides en van Matthias.
In de strijd tegen het millenniarisme trok Dionysios de apostolische oorsprong van Openbaring in twijfel. Dit had grote invloed op twijfels rond dit boek in het oosten.
Eusebius van Caesarea (begin vierde eeuw) maakte onderscheid tussen algemeen aanvaarde boeken (de vier evangeliën, Handelingen der Apostelen, de brieven van Paulus, 1 Johannes en 1 Petrus) en algemeen bekende maar omstreden boeken (Hebreeën, Jakobus, Judas, 2 Petrus, 2 Johannes en 3 Johannes). In deze laatste categorie noemt Eusebius ook de boeken die volgens hem vervalsingen zijn: de Handelingen van Paulus, de Herder van Hermas, de Openbaring van Petrus, de brief van Barnabas, de Didachè en met enige aarzeling de Openbaring van Johannes. Andere geschriften zoals het Evangelie van Petrus en het Thomasevangelie verwerpt hij als ketterse vervalsingen op basis van hun afwijkende stijl en inhoud.[5]
In zijn Paasbrief van 367 noemde Athanasius alle boeken van het huidige Nieuwe Testament, zonder enig onderscheid. Met uitzondering van Openbaring kregen de boeken al snel algemene erkenning. De discussies over Openbaring duurden nog enkele eeuwen, totdat de canoniciteit ervan onder invloed van het westen langzaamaan werd erkend.
De Syrische kerk [bewerken]
Binnen de Griekssprekende Syrische kerk ging de canonvorming ongeveer op dezelfde manier als in de andere Griekse kerken. Lucianus van Antiochië[6] ontkende de canoniciteit van Openbaring. Uiteindelijk was het Johannes van Damascus die in de achtste eeuw de complete canon erkende.
In de Oost-Syrische kerk, waar men Syrisch sprak, was de Diatessaron van Tatianus nog tot de vijfde eeuw het officiële evangelie. Toen werd de nieuwe Syrische bijbelvertaling, de Peshitta, in gebruik genomen. Deze bevatte de boeken van het Nieuwe Testament, met uitzondering van Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Openbaring. Halverwege de vijfde eeuw scheurde de Syrische kerk in tweeën. Een deel volgde Nestorius en vormde de Oost-Syrische of Nestoriaanse Kerk, de rest werd miofysitisch onder leiding van Jacobus Baradaeus en vormde de Syrisch-orthodoxe Kerk van Antiochië, die ook jacobieten werden genoemd. De nestorianen bleven de onvolledige canon gebruiken, terwijl de Jacobieten alle boeken erkenden.
De Latijnse kerk [bewerken]
In de Latijnse kerk zijn lang twijfels geweest over de canoniciteit van Hebreeën, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes, Jakobus en Judas. Rond 250 erkende Novatianus alle boeken behalve deze zes en 1 Petrus. Cyprianus erkende 1 Petrus wel, maar de zes genoemde boeken niet. De canon van Cheltenham, van rond 360, erkent alle boeken, behalve Hebreeën, Jakobus en Judas.
De twijfels gingen vooral over de apostoliciteit van de brieven. Onder invloed van de Griekse kerk werden ze echter uiteindelijk erkend. Hilarius van Poitiers erkende voor 367 ook Hebreeën, Jakobus en 2 Petrus als apostolisch. Hiëronymus gebruikte de lijst van Athanasius als canonieke standaard (394 n.Chr.)[7] en hetzelfde geldt voor Paus Innocentius I (405 n.Chr.).[8] Tijdens het derde concilie van Carthago in 397, werd de canon officieel door de Latijnse kerk vastgelegd. Dit concilie bevestigde het besluit van het Concilie van Hippo (393 n.Chr.).
Externe link [bewerken]
Bronnen, noten en/of referenties
|