Cantor (religie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een cantor (van het Latijn cantare = zingen) is een zanger, voorzanger of de leider van de zang in kerken.

Rooms-katholieke Kerk[bewerken]

Wapens en staven

In de vroeg-christelijke kerk was de cantor de zanger die de solistische gedeelten van het proprium voordroeg en de gezangen van het koor intoneerde. In de Middeleeuwen ging deze naam over op de leider van het koor (de schola cantorum). In deze hoedanigheid volgde hij in rang onmiddellijk op de deken of proost.

In de huidige katholieke liturgiepraktijk is de voorzanger een man of vrouw, die in vieringen waarin geen koor aanwezig is, de verzen van de psalm voorzingt en leiding geeft aan de zingende gemeenschap. Wanneer er wel door een koor gezongen wordt, kan er voor de psalm eveneens gekozen worden voor voorzang door een cantor (lid van het koor) of voor voorzang door (een gedeelte van) het koor. In veel gevallen zal de cantorrol echter worden ingevuld door de dirigent of de dirigent-organist van het koor. Wanneer het koor op het oksaal zingt, meestal achter in de kerk, kan men er voor kiezen dat de cantor de voorzang achter de ambo zingt.

Het cantorschap vraagt gedegen scholing in zang, fonetiek en voordracht en mogelijk ook enige directie. De Nederlandse Sint-Gregoriusvereniging verzorgt in de diverse bisdommen van de Nederlandse kerkprovincie hiervoor geregeld cursussen.

In de kerkelijke heraldiek mag een cantor een cantorstaf achter zijn wapenschild plaatsen omdat hij die staf ook in de kerk mag dragen[1]. De aan de pluviale ontleende halfronde Koorkap, ook wel cappa, is de gebruikelijke dracht van de cantor.

Protestantisme[bewerken]

Ten tijde van de reformatie (16e eeuw) kreeg de cantor in Duitsland de algehele muzikale leiding in de Lutherse Kerk. Deze taak vervulden onder andere Georg Philipp Telemann (1681 - 1767) in Hamburg en Johann Sebastian Bach aan de Thomasschule en de Thomaskirche (Leipzig) van 1723 tot 1750. Bach zag zijn rol als Thomascantor als liturgisch. Hij zag de cantor deel hebben aan de door de predikant geleide eredienst en wilde daarom passende kleding dragen[2].

Calvijn (1509 - 1564) legde grote nadruk op het eenstemmig door de gemeente laten zingen van vooral berijmde Psalmen. Voor de cantor als solist was hierbij geen plaats. In de beginfase het leren zingen was er in de eredienst in Genève plaats wel voor een zangmeester. Onder zijn leiding mochten kinderen de nieuwe psalmen voorzingen aan de ouderen. Aangezien Calvijn het gebruik van het orgel in de kerkdienst afkeurde[3], maakten veel gemeenten gebruik van een voorzanger om te zorgen dat bij het zingen melodie en maat tot hun recht kwamen. Deze kreeg echter niet de naam cantor. Na de Tweede Wereldoorlog zijn in de Nederlandse Hervormde en Evangelisch-Lutherse Kerken weer zangkoren voor de begeleiding van de eredienst opgericht die onder leiding van een cantor staan. Vaak dragen deze ook de naam cantorij.

Studentenclubs[bewerken]

Ook in studentenclubs is er een persoon die de functie van cantor op zich neemt. Hij/zij zit naast de preses van de club en zet de liedjes in. In Leuven komt het bij de hogeschoolkringen van de KHL en bij EDUCATA ook voor dat de cantor de cantus voorzit in plaats van de preses. Binnen het Gentse studentenleven is dit ook het geval voor de Faculteitskringen die onder het FaculteitenKonvent vallen.

Het Seniorenkonvent Ghendt, dat een meer studentikoze traditie heeft, biedt ondersteuning aan de cantores van de lidclubs. Zo worden er cantoravonden en open zangavonden georganiseerd, die als doel hebben de algemene liederenkennis en cantusgebruiken op peil te houden. Ze worden voorgezeten door de cantor van het SK, ook wel Cantor Cantorum genoemd.

Zie ook[bewerken]

Chazan, de voorzanger in de synagoge.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Zie: Bruno Bernard Heim, Kerkelijk heraldiek
  2. Klaus Eidam, "Het ware leven van Johann Sebastian Bach", Privé Domein
  3. T. Brienen, De liturgie bij Johannes Calvijn, Kampen: De Groot Goudriaan, 1987, p. 207-211