Capitulatie van Wittenberg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Capitulatie van Wittenberg was een verdrag uit 1547 waarbij Johan Frederik I van Saksen verplicht werd afstand te doen van de keurvorstelijke waardigheid. Het grootste deel van zijn gebied van het Keurvorstendom Saksen onder meer Wittenberg gingen van de oude Ernestijnse linie naar de jongere tak, de Albertijnse linie van het Huis Wettin.

Wittenberg was het middelpunt geworden van het de protestantse reformatie. Het was op de deur van de kasteelkerk van Wittenberg dat Maarten Luther in 1517 zijn 95 stellingen had genageld, hetgeen de start betekende van de Reformatie. Hij verbrandde er in 1520 de pauselijke bul die hem veroordeelde en in 1534 werd er de eerste lutherbijbel gedrukt. De keurvorst was de belangrijkste beschermheer van deze hervormingen.

In 1547 nam keizer Karel, bijgestaan door de hertog van Alva, Wittenberg in na de Slag bij Mühlberg. Johan Frederik werd gevangengenomen en door een oorlogsrechtbank onder de leiding van de hertog van Alva ter dood veroordeeld. Om zijn leven te redden, ging de keurvorst akkoord met de Capitulatie van Wittenberg en werd hij gedwongen ontslag te nemen als hoofd van de regering van zijn land ten voordele van zijn verwant Maurits van Saksen. Zijn veroordeling werd omgezet in levenslange opsluiting. Zijn vrijlating en terugkeer op 11 september 1552 werden een triomftocht. Hij verplaatste de zetel van zijn regering naar Weimar.

Wittenberg kwam in verval na 1547, toen het als hoofdstad van Saksen werd vervangen door Dresden, zetel van de Albertijnse hertogen.