Carbidlamp

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Tussen 1900 en 1945 werd de carbidlamp veel gebruikt, onder andere om voertuigen (zoals auto of fiets) te voorzien van verlichting. In een carbidlamp zit een waterreservoir waaruit, na een nauwkeurige en lastige afstelling, water op het carbid druppelt en ethyn (acetyleen) ontstaat. Het ethyngas verbrandt vervolgens met een heldere witte vlam. Na 1945 is de carbidlamp vrijwel geheel verdrongen door elektrische verlichting.

Zelfgemaakte carbidlamp uit WO2. In geschonken aan de stichting Geheugen van Plan Zuid. https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Carbidlamp_uit_de_Tweede_Wereldoorlog.jpg

Tijdens de Tweede Wereldoorlog en met name in de Hongerwinter 44-45 was er gebrek aan bijna alles en fabriceerde men zelf carbidlampen.

In 1892 vond Thomas Leopold Willson een methode voor de commerciële productie van calciumcarbide, waar vervolgens weer het ethyn uit verkregen kon worden. Vanaf 1894 werd de carbidlamp in gebouwen en vanaf 1896 voor voertuigen gebruikt. Frederic E. Baldwin meldde op 18 oktober 1899 in New York de eerste mijncarbidlamp voor een patent aan, dat op 28 augustus 1900 werd toegewezen.[1]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Patent, US, V-Nr=656874, Acetylene-Gas Lamp