Carlos Luis de Borbón

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Don Carlos (VI)

Carlos Luis María Fernando de Borbón y Braganza (Madrid, 31 januari 1818 - Triëst, 13 januari 1861), Graaf van Montemolín, was van 1845 tot 1860 als Karel VI de tweede Carlistische troonpretendent.

Don Carlos Luis was de oudste zoon van de pretendent Carlos (V) en van Maria Francisca van Portugal, een dochter van koning Johan VI. Hij leefde tot 1833 in Madrid, volgde zijn vader in 1834 naar Engeland, ging in 1835 alleen naar Piëmont en Salzburg en keerde in 1838 terug naar Spanje, maar week in 1839 met zijn vader uit naar Bourges. In deze jaren schoof koning Ferdinand II der Beide Siciliën hem naarvoren als huwelijkskandidaat voor koningin Isabella II teneinde de twee rivaliserende takken van het Huis Bourbon te verbinden. Het huwelijk vond echter geen doorgang wegens te vérgaande eisen van Don Carlos en internationale politieke bezwaren.

Carlos Luis nam in 1845 de claim op de Spaanse troon van zijn vader over. Van Bourges vluchtte hij in 1846 naar Engeland, van waaruit hij tegen het Spaanse regime agiteerde. Zijn partizanen voerden van 1846 tot 1849 in Spanje de Tweede Carlistenoorlog tegen Isabella II, maar toen hij zich bij hen wilde voegen werd hij in Frankrijk gearresteerd en, na een korte gevangenschap in Perpignan, terug naar Engeland gezonden. Hij begaf zich vervolgens naar de Beide Siciliën, waar hij in 1850 trouwde met Maria Carolina van Bourbon-Sicilië (1820-1861), een zuster van Ferdinand II. Het huwelijk bleef kinderloos.

In 1860 deed Carlos Luis met zijn broer Fernando een tweede greep naar de Spaanse troon. De broers landden op 2 april van dat jaar bij San Carlos de la Rápita in Catalonië, maar werden na een mislukte opstand al na drie weken gevangengenomen. Om zijn hoofd te redden deed Carlos Luis op 23 april afstand van zijn aanspraak op de troon ten gunste van Isabella II. Eenmaal buiten de landsgrenzen trok hij deze verklaring weer in, maar zijn rol als pretendent was uitgespeeld. Hij vestigde zich hierna in Triëst en stierf twee weken voor zijn 43e verjaardag aan tyfus; zijn vrouw overleed de volgende dag. Zijn opvolger als pretendent was zijn jongere broer Juan.

Voorganger:
Karel (V)
Carlistisch troonpretendent
1845-1860
Opvolger:
Johan (III)