Cel (biologie)
In de biologie is de cel de kleinste onderdeel van een organisme of levend wezen dat alle genetische informatie van dat organisme bevat.
Alle planten, dieren, schimmels en bacteriën bestaan uit cellen. De cel bestaat onder meer uit een celmembraan, dat de inhoud omgeeft, en het cytoplasma waarin (behalve bij bacteriën) een celkern aanwezig is. Het cytoplasma bestaat zelf uit cytosol en hierin bevinden zich de celorganellen. Het cytoplasma bestaat uit ongeveer 70% water, de rest bestaat uit opgeloste stoffen zoals zouten en eiwitten- en vetachtige stoffen. Er zijn ook levende wezens die slechts uit één cel bestaan: de eencelligen. Bij bacteriën, schimmels en planten komt naast het celmembraan ook nog een celwand voor. Cellen hebben de functie om zich alsmaar door te delen, oude cellen te vervangen en opgeloste stoffen te vervoeren door middel van diffusie of osmose.
Inhoud |
Indeling [bewerken]
Prokaryoten (pro=voor; karyon=kern)
- circulaire chromosomen in het cytoplasma
- grootte: 0,5 - 3 micrometer
- celdeling door binaire deling, zelden door knopvorming
- Deze informele groep bevat de meeste soorten op aarde, hiervan zijn de bacteriën het meest bekend.
- geen celcompartimenten (organellen zoals celkern, mitochondria, plastiden, vacuolen, noch vesikels).
- Bacteriën
- Archaea
- enkelvoudige celmembraan
- celwand bevat glycoproteïnen (evenals bij eukaryoten)
- grootte 0,1 tot meer dan 15 μm
Eukaryoten (Eu=goed, echt; karyon= kern)
- celcompartimenten, dat wil zeggen organellen, zoals:
- celkern
- mitochondria (eukaryoten zijn aeroob)
- plastiden, zoals bladgroenkorrels
- vacuolen en vesikels
- lineaire chromosomen in de celkern
- celwand bevat glycoproteïnen
- cellen groter dan 3 micrometer
- Schimmels
- celwand (om elke cel )
- geen plastiden zoals bladgroenkorrels
- grotendeels haploïd
- Dikaryomycota met twee kernen per cel in bepaalde fase van levenscyclus
- Heterotroof ( zelfvoedend)
- Grootte 10-100 μm
- Planten
- celwand(om elke cel)
- plastiden, zoals chloroplasten: bladgroenkorrels (al zitten niet in elke cel van het meercellig organisme noodzakelijkerwijs bladgroenkorrels; bijvoorbeeld in sommige wortelcellen)
- meestal met 1 grote centrale vacuole dat omgeven is door een membraan
- plasmodesmata, plasmaverbindingen tussen de cellen
- gevarieerde levenscyclus: vaak diploïd met een korte haploïde fase (zoals vaatplanten) maar ook met een lange haploïde fase en een korte diploïde fase komt voor (zoals mossen) of polyploïd
- Autotroof (behalve enkele parasieten )
- Grootte 10-100 μm
- Dieren
- lysosomen
- centrosomen met centrioles
- geen celwand
- zelden een vacuole bij dierlijke cellen, maar wanneer vacuolen aanwezig zijn, zijn het er meerdere en kleiner dan in de plantaardige cel.
- geen plastiden
- diploïde
- Heterotroof (zelfvoedend)
- Grootte 10-100 μm
De microscoop en later de donkerveldmicroscoop en de fasecontrastmicroscoop maakten het mogelijk cellen te ontdekken en de samenstelling en opbouw ervan te bestuderen; de elektronenmicroscoop heeft het aanvankelijke simpele model van de bouw van de cel geweldig verfijnd.
Diagram van een typische dierlijke cel [bewerken]
Organellen:
- nucleolus (kernlichaampje)
- celkern of nucleus
- ribosomen
- vesikel of blaasje
- ruw endoplasmatisch reticulum (RER, R van rough)
- golgi-apparaat
- cytoskelet
- glad endoplasmatisch reticulum (SER, S van smooth)
- mitochondriën
- peroxisoom
- cytoplasma
- lysosoom
- centriolen
Diagram van een typische plantencel [bewerken]
Organellen en enkele andere belangrijke structuren:
- nucleolus
- celkern (nucleus)
- ribosomen (in RER)
- chloroplast
- leukoplast
- endoplasmatisch reticulum (ER) (bevat ribosomen)
- golgi-apparaat (golgisysteem)
- cytoskelet
- mitochondrion
- vacuole
- cytoplasma
- celmembraan
- peroxisoom
- celwand
- plasmodesmata
Transport in een cel [bewerken]
Het transport in een cel gaat via het passieve transport door het celmembraan, er wordt bij dit soort transport geen energie gebruikt. Bij diffusie gaan kleine moleculen ongehinderd door het celmembraan voorbeelden zijn zuurstof, koolstof en water. De opgeloste stof en het oplosmiddel van A naar B en omgekeerd om de concentratie gelijk te houden. Het membraan is permeabel voor beiden. Bij osmose zijn de opgeloste stoffen die door het membraan zouden moeten zijn te groot. De concentratie is aan beide zijden verschillend. Het water diffundeert dan ongehinderd door het cel- en vacuolemembraan naar de oplossing met de hoogste osmotische waarde (hoogste concentratie opgeloste stoffen).
Hemolyse (onder andere in de mens) betekend dat rode bloedcellen hemoglobine vrij laten komen nadat deze gebarsten zijn. Dit vind plaats in een oplossing met een zeer lage osmotische waarde: de omgevende vloeistof wordt dan rood.
Door het selectief permeabel membraan, dat wil zeggen doorlatend voor water maar minder permeabel (doorlatend) voor de opgeloste stoffen. Er ontstaat dan osmose: diffusie van water naar de oplossing met de hoogste concentratie opgeloste stoffen. In een natuurlijke situatie bevat het vacuolevocht een hogere concentratie opgeloste stof dan de vloeistof die de cel omgeeft; er diffundeert hierdoor water in de cel en vacuole totdat een evenwicht ontstaat met druk van de cel op de celwand (vergelijk dit systeem met de binnen- en buitenband van een fiets), de turgor. Turgor in de cellen geeft stevigheid aan kruidachtige planten waardoor ze recht op blijven staan.
Externe links [bewerken]
- Cell Biology - Graphics
- Geschiedenis, hoofdtypen, bouw, de plantencel
- Cel met uitleg van de onderdelen
| Zie de categorie Cell biology van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |