Chaïm Soutine

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Portret van Soutine door Modigliani

Chaïm Soutine (eigenlijk Chaïm Soutin) (Smilowitchi, Wit-Rusland, 1893 - Parijs, 9 augustus 1943) was een Joods-Franse kunstschilder die vooral bekend is geworden om zijn hevige persoonlijke expressie en zijn invloed op naoorlogse abstracte kunstenaars.
Soutine was afkomstig uit Wit-Rusland maar vertrok reeds voor de Eerste Wereldoorlog naar Frankrijk.

Levensloop[bewerken]

Soutine werd geboren als tiende van elf kinderen, de zoon van Sarah en Salomon Soutine. Over zijn nationaliteit verschillen de meningen licht. Zijn geboorteplaats was in het shtetl van Smilovitchi, een provinciestadje in de buurt van Minsk. Dit maakt hem een Witrus. In die tijd werden Litouwen en Wit-Rusland door de Joden echter samen gezien als hetzelfde gebied, dus vandaar dat velen hem ook de Litouwse nationaliteit toeschrijven.

Zijn ouders zagen hem het liefst als ambachtsman, maar al gauw werd duidelijk dat Soutine liever wil schilderen, wat voor enige problemen zorgt, aangezien het voor joden verboden is om mensen af te beelden. Soutine oefent enige tijd in zijn dorp en volgt tekenlessen in Minsk, maar wordt na enkele tijd door de kleermaker, de zoon van de rabbi in elkaar geslagen, omdat hij de rabbi getekend zou hebben, wat dubbele heiligschennis is. Als gevolg van zijn verwondingen moest Soutine enige tijd het ziekenhuis in, hetgeen hem een schadevergoeding van 25 roebel van de kleermaker oplevert.

Nadat zijn familie hun deel betaald is, heeft hij nog genoeg geld over om samen met zijn vriend Kikoïne, de belangrijkste bron over zijn leven, naar Vilnius te gaan, waar hij drie jaar lang de kunstacademie bezoekt. Onder druk van de toenemende pogroms en de reputatie die Parijs heeft als kunststad van de wereld, besluit hij in 1913 naar Parijs te vertrekken. Hier komt hij in contact met de andere bekende, voornamelijk joodse kunstenaars van Montparnasse, zoals Marc Chagall, Markus Lipchitz en Amedeo Modigliani. Samen met Kikoïne bezoekt hij het atelier van Fernand Cormon, een plaats waar veel jonge, veelbelovende kunstenaars les krijgen. Zijn onmogelijke karakter en nonconformistische houding zorgen er voor dat hij het na een tijdje voor gezien houdt.

Liever is Soutine in het Louvre, waar hij in contact komt met de grote schilders van het verleden. Jean-Baptiste Siméon Chardin, Gustave Courbet en vooral Rembrandt vormen belangrijke inspiratiebronnen voor hem. Later zal Soutine zelfs naar Amsterdam gaan, waar het Joodse Bruidje tentoongesteld wordt. Over de manier waarop Soutine een Rembrandt benaderde, wordt door Kikoïne gezegd dat Soutine aangeslopen kwam, en vervolgens in een soort angstige bewondering tijdenlang stokstijf bleef staan. Dit is een goed voorbeeld van een gril als gevolg van zijn te tere ziel, die hem later in zijn leven nog flink parten gaat spelen.

Les Maisons, 1921.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog besluit Kikoïne in het Franse leger te dienen. Soutine, die beseft te emotioneel te zijn voor het voeren van een oorlog, gaat bij een werkbrigade, maar wordt snel weg gestuurd vanwege zijn slechte gezondheid. Van rond deze tijd zijn ook de eerste echte "Soutines". Modigliani krijgt succes en verkoopt zijn kunst aan Leopold Zborowski, een joodse kunsthandelaar. Hij zorgt er ook voor dat Zborowski interesse krijgt in Soutines werk, zodat Soutine enige financiële armslag krijgt.

Soutine vlucht in 1918 voor de Duitse bombardementen op Parijs naar Cagnes-sur-Mer, waar hij stillevens met gladiolen en landschappen schildert. Deze trend zet zich voort als hij later dat jaar naar Céret, aan de Spaans-Franse grens gaat. Hier verblijft hij drie jaar lang met enige regelmaat, pendelend tussen Ceret, Parijs en Cagnès.

In 1920 wordt Soutine hevig geschokt door de dood van Modigliani. Diep bedroefd keert hij terug naar Parijs, waar hij biddende mensen schildert om zijn verdriet te illustreren. Hier valt een kleine parallel te leggen met de blauwe periode van Picasso, die soortgelijke taferelen afbeeldde na de dood van zijn vriend Carlos Casagemas. In de loop van de jaren die volgen blijft Soutine altijd enige droevigheid bij zich houden, wat terug te zien is in de dramatiek van zijn werken. Ook begint zijn werk steeds beter te verkopen. Schilderijen die eerst voor 30 franc verkocht werden, brengen nu 470 franc op, wat hem een stuk meer vrijheid bezorgt.

Hoogtepunt in deze reeks van prijsstijgingen en erkenning is de koop van 52 schilderijen bij Zborowski door de Amerikaanse multimiljonair en kunstverzamelaar Albert C. Barnes. Barnes zal Soutines belangrijkste beschermer en voorvechter blijven, en het is dankzij hem dat de kunstenaar niet vergeten wordt. Bovendien neemt hij de schilderijen mee naar Amerika, waar de abstract-expressionisten in de jaren die volgen veel inspiratie opdoen bij Soutines werk. Door deze ontwikkelingen wordt Soutine een bekend en geliefd kunstenaar, zij het in de avant-gardistische kringen van het jonge kunstenaarsmilieu in Parijs. Daarom kan er gezegd worden dat zijn grote doorbraak in 1922 is, hoewel Soutine enige moeite heeft met de rijkdom.

Een bekende anekdote over Soutines onvermogen met geld om te gaan is zijn voorliefde voor dure grijzen vilten hoeden. Soutine verzamelde deze dingen koortsachtig, maar weigerde bijna alle luxegoederen en at nooit meer dan strikt noodzakelijk om niet te verhongeren. Hij was niet vergeten hoe zijn jeugd in het shtetl geweest is.

Er breekt voor Soutine een tijd aan van betrekkelijke rust. Hij verwekt een dochter bij Deborah Melnik, maar weigert deze te erkennen. Ook de relatie houdt geen stand. Terwijl zijn schilderijen nu al 22 000 franc opbrengen en de eerste monografieën verschijnen, toont Soutine zijn devote liefde voor Rembrandt door een grote serie schilderijen te maken van een onderwerp dat hij in het Louvre heeft zien hangen, namelijk de geslachte os. Een van deze schilderijen hangt tegenwoordig in het Stedelijk Museum. Over Soutines ossenserie is een leuke anekdote bewaard gebleven: Terwijl hij bleef schilderen, begon het lijk te ontbinden. Ondanks dat de stank ondraaglijk was en er veel geklaagd werd, werkte hij koortsachtig verder, tot het moment dat de os niet meer de juiste kleuren had. In plaats van het lijk weg te halen, zorgde Soutine snel voor een paar emmers bloed, die hij over het karkas gooide, waarna hij in dubbel tempo verder werkte. Andere series die in de vijf volgende jaren ontstaan zijn de koorknapen en communicanten, badende vrouwen en dode dieren.

Als gevolg van de internationale recessie begint Soutine wat meer moeite te krijgen met het bij elkaar knopen van de eindjes, maar naar omstandigheden gaat het hem financieel redelijk voor de wind. Helaas komt met de recessie ook de xenofobie opzetten, zodat Soutine zich minder thuis gaat voelen in Parijs. In 1935 wordt zijn eerste eenmanstentoonstelling in de Verenigde Staten geopend, in de Chicago Arts Club. Het jaar daarop volgen twee soortgelijke tentoonstellingen in New York.

Weer een jaar later, in 1937, ontmoet Soutine Gerda Groth, een uit Duitsland gevluchte jodin, die met hem gaat samenwonen. Samen gaan zij in 1939 naar Civry-sur-Serein, in de buurt van Auxerre, maar krijgen als buitenlanders, als gevolg van de oorlog, huisarrest. Vanwege zijn gezondheid mag hij echter toch naar Parijs. Nog steeds neemt zijn faam, vooral in de VS, hand over hand toe. Hijzelf is echter minder gelukkig. Doordat het Vichy-regime de joden in concentratiekampen stopt, is hij genoodzaakt onder te duiken. Groth wordt opgepakt, maar overleeft de oorlog. Soutine echter niet. Zijn gezondheid gaat snel achteruit, en als hij in 1943 in Parijs geopereerd wordt, gaat hij alsnog dood aan de gevolgen van een aantal gescheurde maagzweren. Onder de weinigen die het lef hebben om op zijn begrafenis (die van een jood in door nazi's bezet gebied), op het kerkhof van Montparnasse te verschijnen zijn Picasso, Max Jacob, Jean Cocteau en Marie-Berthe Garde, een van de ex-vrouwen van Max Ernst en Soutines laatste geliefde.

Ontwikkeling van Soutines werk[bewerken]

Doordat Soutine niet in staat was zijn schilderijen te accepteren als ze hem niet aanstonden, is veel vernietigd of overgeschilderd. Dit, en het feit dat hij geen ondertekeningen maakte zijn de belangrijkste redenen dat vaak stijlperiodes bij Soutine lastig te herkennen zijn. Toch onderscheidt men er meestal drie.

Chaim Soutines stijl kan niet los gezien worden van zijn Joodse achtergrond. In zijn jeugd moest hij, zoals gezegd, zich losmaken van zijn culturele achtergrond. Paradoxaal genoeg slaan zijn thema's altijd terug op zijn achtergrond. Joden werden in die tijd met de nek aangekeken, en de onderwerpkeuze van Soutine laat dit duidelijk merken: droeve eenzame mensen zitten als verstilde wezens opgesloten in een ruimte en kijken de toeschouwer meestal terloops naargeestig aan. Er wordt zelfs beweerd dat hij een keer een vriend heeft gevraagd model te zitten voor een Joodse begrafenis. Deze verwerking van Soutines Joodse achtergrond in zijn kunst maakt hem een van de eerste Joodse naïeve schilders, een term die gebruikt wordt voor Joden die rond die tijd begonnen met schilderen op hun eigen, niet op een schilderkunstige traditie geschoolde manier (Joden mochten immers geen mensen afbeelden, dus dan kan er geen sprake zijn van een schilderkunstige traditie). Daarbij vergeet men echter zijn academische opleiding, die hij in Minsk en Litouwen genoot. Zijn stijl komt dus niet voort uit onvermogen, zoals bij een naïef schilder, maar berust op een keuze.

Soutines vroege periode[bewerken]

In zijn vroege periode (1913-1919) zijn alle dingen aanwezig die ook zijn late werk kenmerken: dikke, pasteuze verflagen en (licht) verwrongen en altijd figuratieve afbeeldingen in vrij felle kleuren. Hij is echter nog wel op zoek naar een eigen handschrift, waarin hij de gruwelen en grillen die hij uit wil drukken een plaats kan geven.

Hoewel hij het ontkent, zijn er in deze periode duidelijke invloeden van Vincent van Gogh en Paul Cézanne. De invloed van Van Gogh manifesteert zich het beste in de dikke verflagen en de verhoogde expressie die de alledaagse voorwerpen een ongekende directheid meegeeft. Cézannes invloed is het best terug te zien in de manier waarop Soutine zorgvuldig zijn vlakverdeling overdenkt, en heel bewust, uit naam van de compositie, deformeert. Albert C. Barnes, Soutines belangrijkste verzamelaar, noemde hem daardoor eens de enige ware erfgenaam van Cezanne.

Een goed voorbeeld is het "Stilleven met Haringen", uit 1916. De kunstenaar heeft drie haringen geschilderd, die op dramatische wijze 'te lijf gegaan' worden door twee vorken. De hulpeloosheid de haringen op de afbeelding is erg typerend voor wat Soutine vaker uit probeerde te drukken: een sterk gevoel van hulpeloosheid.

De Céret-periode[bewerken]

Na deze eerste periode volgde wat men de Céret-periode noemt, verwijzend naar Soutines verblijf in dit Franse plaatsje. Deze naam geldt voor de tijdsspanne van 1919 tot ongeveer 1923, dus van net voor tot net na zijn doorbraak. Over het algemeen wordt deze periode gezien als de meest expressieve periode in Soutines werk. Oorzaken hiervoor zijn de oorlog, en de dood van Modigliani in 1920. Deze twee dingen zorgden voor een ongelofelijke ontlading. Veel van Soutines bekendste werk stamt uit deze tijd.

In deze periode werd onder andere de serie geslachte ossen geschilderd, wederom een zeer wreed, dramatisch thema. Zoals al eerder vermeld, schilderde Soutine deze werken in navolging van Rembrandt, die hij erg bewonderde. Een ander thema dat Soutine overnam van Rembrandt was dat van de badende vrouw, welk ook uit deze tijd stamt.

In deze periode is tevens een duidelijke invloed van Picasso zichtbaar, hoewel Soutine zelf dit altijd ten zeerste ontkend heeft. Het is echter het logische gevolg van een invloed van Cézanne, aangezien Picasso immers de "opvolger" van Cezanne genoemd kan worden. Goed is dit te zien in de manier waarop dingen heftiger gedeformeerd worden en vlakverdeling en compositie een belangrijke rol spelen.

Critici van Soutine noemen deze periode ongecontroleerd en chaotisch, maar gaan daarbij voorbij aan het feit dat de schilder zijn indeling zeer minutieus uitkoos. Bovendien vormt de Céret-periode de aanzet tot meer gelijkmatigheid en ordening. Het is dus een belangrijke fase in zijn leerproces.

Hoewel Soutine rond 1922 bekend werd, tegelijk met "vooruitstrevende" stromingen als het uit Dada voortgekomen surrealisme en de acceptatie van kubisme bij het grote publiek, is hij gek genoeg niet verder beïnvloed door deze stromingen. Zijn belangrijkste doel blijft het weergeven van de natuur, en het gebruik van de natuur als metafoor voor een geestestoestand of gevoel. Een andere, hierdoor gevoede kritiek, is dat Soutine de vooruitgang van de kunst niet bij kon houden en een te late post-impressionist was. Uit de receptie van de kunstenaar door latere generaties is echter gebleken dat dit alles erg mee viel.

De post-Céret-periode[bewerken]

De opvolger van de Céret-periode is de post-Céret-periode. Soutine keert terug naar een realistischere, minder vervormde weergave van de werkelijkheid, waarbij dingen meer in vlakken ingedeeld worden dan in de voorgaande periode. Dit zie je terug bij de portretten van de pattiseurs en de communicanten. De schilder wordt wat traditioneler, maar daarvoor in de plaats staat een grotere beheersing van zijn ambt, en een toegenomen interesse in de problemen die een schilder tegen komt. Deze techniek en methodiek zal hij tot zijn dood, zij het in steeds licht gewijzigde vorm, aanhouden.

Soutines invloed[bewerken]

Door zijn voortijdige dood is het succesverhaal van Soutines kunst te vroeg afgekapt. Hij heeft echter een belangrijke bijdrage geleverd aan de naoorlogse moderne kunst. In Frankrijk nam bijvoorbeeld Jean Dubuffet het enigszins naïeve over, en combineerde dit met invloeden van de tekeningen van krankzinnigen.

De belangrijkste weerklank vindt zijn werk echter bij de Amerikaanse abstract-expressionisten. Sommige van Soutines expressieve werk is bijna nonfiguratief, niet meer dan een ritme nog. Dit heeft zeer veel indruk gemaakt op de jonge Jackson Pollock, die een manier zocht om de traditionele schilderkunst achter zich te laten. De andere voorman van het abstract-expressionisme, Willem de Kooning, is meer direct beïnvloed door Soutine in de manier waarop hij figuren afbeeldde en de verf dik en pasteus aanbracht, vaak verschillende kleurlagen en doorwerkingen over elkaar heen, daarmee de strijd van het schilderen tonend op het doek en zijn mentale worstelingen beeldend makend.

Een opvallende stilistische navolger van Soutine is Francis Bacon, die eenzelfde verwringing in zijn figuren gebruikte als Soutine en hiermee in dit opzicht ook verwant is aan Willem de Kooning, hoewel Bacon de Koonings werk minachtte. Ook de neo-expressionisten, zoals Anselm Kiefer en Georg Baselitz zijn bijvoorbeeld in de verfbehandeling artistieke navolgers van Soutine.

Indien Soutine nog geleefd had, was het (hoewel onwaarschijnlijk), mogelijk geweest dat hij verder had gewerkt in de trant van zijn navolgers, of in ieder geval met kennisneming van hun receptie van zijn werk, wat zijn houding tegenover het schilderen had kunnen veranderen. Helaas is dit niet het geval geweest.


Bronnen, noten en/of referenties
  • An expressionist in Paris: the paintings of Chaim Soutine - Norman L. Kleeblatt, Kenneth E. Silver, The Jewish Museum, New York 1998
  • Soutine - Raymond Cogniat, Crown Publishers Inc. - New York, 1973