Char 2C

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Char 2C
Char 2C Alsace in 1931
Char 2C Alsace in 1931
Soort
Bemanning 12
Lengte 10,27 m
Breedte 3 m
Hoogte 4,09 m
Gewicht 68 ton
Pantser en bewapening
Pantser 10-45 mm
Hoofdbewapening 75 mm kanon
Secundaire bewapening 3x 7,92 mm machinegeweer
Motor 2x Mercedes benzinemotor 200pk of 2x Maybach 250 pk
Snelheid (op wegen) 15 km/u
Rijbereik 150 km

De Char 2C is een superzware Franse tank uit de Eerste Wereldoorlog.

Om duistere redenen gaf generaal Mouret in 1916 scheepswerf FCM de opdracht een zware tank te ontwikkelen. Het feitelijke ontwerpproces werd later overgenomen door Renault. Men begon met de bouw van drie prototypes, waarvan eind 1917 generaal Estienne het zwaarste voor verdere ontwikkeling uitkoos om te voorkomen dat de onmiddellijke productie van het meer belovende lichtste type de massaproductie van de FT-17 in gevaar zou brengen. Uiteindelijk werden er in 1921 tien exemplaren gebouwd van wat toen de zwaarste tank ter wereld was; deze bleven in dienst tot 1940, toen ze door de Fransen werden vernietigd om te voorkomen dat ze in Duitse handen zouden vallen. De Char 2C is de grootste tank die ooit operationeel geweest is.

Ontwikkelingsgeschiedenis[bewerken]

Discussie[bewerken]

Het fijne weten wij er niet van: door een tot op heden zeer gebrekkig onderzoek worden de precieze omstandigheden rond de ontwikkeling van de vierde Franse tank nog door de nevelen der geschiedenis aan het zicht onttrokken. De eerste schimmige gestalte duikt op in juli 1916. Op dat moment wordt de productie voorbereid van de eerste twee Franse tanks: de Schneider en de St Chamond. Hoewel met deze twee types dus nog niet de geringste gevechtservaring is opgedaan, geeft het Onderstaatssecretariaat van de Artillerie, geleid door generaal Mouret, die maand via het directoraat van de Services Automobiles aan Les Forges et Chantiers de la Méditerranée (FCM), een scheepswerf, opdracht een zware tank te ontwikkelen. Hoe die order was gespecificeerd, heeft het naschrijven van toenmalige geschriften niet aan ons overgeleverd. Ook is volstrekt onduidelijk wat eigenlijk de tactische overwegingen waren, die er toe aanleiding gaven. Misschien besefte men simpelweg dat de kans gering was dat de zware St Chamond een erg bevredigend wapen zou worden - een enkele blik op de ontwerptekeningen moet voor dat besef voldoende geweest zijn. Misschien dat overwegingen van politieke of frauduleuze aard een rol gespeeld hebben; we weten immers zeker dat die bij de St Chamond een beslissende invloed hadden. In ieder geval is het niet zo dat kolonel Estienne, die als vader van het Franse tankwapen later een rol als verwekker van iedere tank wordt toegedicht, er de hand in gehad heeft. Het tegendeel is waar, zoals we nog zullen zien.

Hulp van Renault[bewerken]

FCM ging ongetwijfeld met die opdracht aan de slag. Maar het project moet al snel in het slop geraakt zijn, want op 12 oktober 1916 doet Mouret een dringend beroep op autofabrikant Louis Renault, die op dat moment de productie van zijn eigen Renault FT-17 er door probeert te krijgen, om FCM assistentie te verlenen bij het ontwerp. Na de Britse inzet van tanks op 15 september is het politiek uitermate riskant geworden om ook maar de schijn te wekken verantwoordelijk te zijn voor de Franse achterstand en Mouret is kennelijk zo geschrokken van de stand van zaken bij de scheepswerf dat hij hun de leiding van het project op 30 september heeft ontnomen. Renault gaat voortvarend te werk; de ontwikkelingen schrijden zelfs zo verbluffend snel voort dat het vermoeden gerechtvaardigd lijkt dat zijn eigen ontwerpafdeling die zomer naast de lichte FT-17 al een zware tank ontwikkeld moet hebben.

Estienne, de commandant van de nieuwe Franse pantsertroepen, staat die tijd in nauw contact met Renault in verband met de introductie van de FT-17. De verse brigadegeneraal raakt gealarmeerd door de trotse verhalen van de industrieel over de vorderingen met de zware tank. Renault is bezig zijn eigen glazen in te gooien! In een brief van 27 november 1916 aan opperbevelhebber Joffre, met als doel de productie van de lichte tank te bepleiten, ontdekken wij zijn bezorgdheid. Zeker, geeft Estienne toe, zware tanks kunnen in principe heel nuttig werk doen. Maar het nu opzetten van hun productie zal zoveel capaciteit opslorpen dat er geen lichte tank meer geproduceerd kan worden - en dat terwijl het nog jaren kan duren voordat ze operationeel zijn. Joffre deelt zijn zorgen en maakt dat kenbaar aan Albert Thomas, de minister van wapenproductie. Die blijkt echter een voorstander van de productie van zware tanks want hij heeft zijn lot al verbonden aan dat van generaal Mouret.

FCM[bewerken]

Ondertussen had Mouret reeds op 20 oktober een officiële opdracht aan FCM laten uitgaan voor de productie van één prototype. Op 30 december 1916 wordt het project op papier gepresenteerd aan het Raadgevend Comité van de Stormartillerie. Op 17 januari 1917 kan voor hetzelfde orgaan een houten maquette, schaal één op één, onthuld worden. De heren zijn zeer onder de indruk van het hun getoonde. Het prachtige voorwerp is niet gesigneerd, maar voor de kenner draagt ieder detail de signatuur van de briljante ontwerper van de FT-17, Rodolphe Ernst-Metzmaier. Wat ze zien is het modernste tankontwerp van de Eerste Wereldoorlog, dat zijn tijd 15 jaar vooruit is. Het is laag en breed genoeg om een driemanskoepel met kort 105 mm kanon te kunnen dragen. Wat nog ouderwets aandoet is de lengte van 7,82 m, nodig om loopgraven te overschrijden, en het mitrailleusetorentje dat op dat lange achterdek geplaatst is. De geplande bepantsering van 35 mm levert een gewicht op van 38 ton, dat de sterkste inpasbare motor, een Renault van 210 pk, met 6 km/u moet kunnen voortbewegen.

Eind januari leert de nieuwe opperbevelhebber, generaal Robert Nivelle, van het project. Op 29 januari stuurt hij een ontradend schrijven aan Thomas. Te laat, antwoordt die op 5 februari, op 1 februari heeft hij de bouw goedgekeurd van maar liefst drie gelijktijdig te ontwikkelen prototypes: de Char A, gebaseerd op de maquette maar nu met 75 mm kanon en een gewicht van 30 ton; de Char B met een verlengd chassis van 8,29 m en een extra mitrailleuse, gewicht 40 ton; en de Char C met 105 mm kanon en een elektrische transmissie, gewicht 62 ton. De generaal moet zich vooral geen zorgen maken: het kan toch geen kwaad te kijken wat het oplevert?

Productiestop[bewerken]

Op 1 december 1917 wordt het eerste prototype, onder de naam FCM 1A, gepresenteerd aan de onderzoekscommissie. Ondertussen is er veel veranderd. Nivelle is opgevolgd door Philippe Pétain, die wil wachten met een groot offensief tot 1919, tot het moment dat er een grote hoeveelheid FT-17's zijn geproduceerd. Niets mag die productie in de weg staan. Zijn protegé, Estienne, is lid van de commissie. Mouret heeft een andere functie gekregen. Pétain stuurt Estienne een brief. Al in 1916 had Estienne aan Joffre voorgesteld om af te zien van de eigen productie van zware tanks, en Franse lichte tanks te ruilen voor zwaardere Britse. Was het niet het slimste om dat voorstel alsnog aan te nemen, nu de Britten en Amerikanen samen de zware Mark VIII Liberty tank willen produceren?

Estienne wijst in zijn antwoord van 17 januari 1918 die handelwijze af. Als lid van de commissie heeft hij gemerkt dat het politieke klimaat sterk ten gunste van zware tanks is veranderd. Het zou pure zelfmoord zijn zich pal voor de aanstormende monsters op te stellen. Maar inderdaad, hoe dan ook moet voorkomen worden dat hun productie door gaat. Er is simpelweg geen capaciteit voor. Jammer, want de FCM 1A is een prachtige tank en Estienne zou niets liever willen dan met zo'n geavanceerd wapen de strijd met de vijand aan te gaan. Het is dan ook met pijn in het hart dat hij al de eerste stappen gezet heeft om het hele project finaal te saboteren. Hij die zelf de Franse krijgsmacht zijn moderne artillerie, luchtmacht en tankmacht heeft geschonken, weet als geen ander dat niets technisch geavanceerde projecten zo ophoudt als het misplaatst verlangen ze nog eens extra te verbeteren. Dus heeft hij dat verlangen al in laten willigen. De commissie heeft gekozen voor de doorontwikkeling van het zwaarste prototype, de Char C. Alleen dan met een langer 75 mm kanon - zodat de koepel groter moet. En met een overschrijdingsvermogen van 5,30 meter (zo'n tank moet immers toch minstens de sluizen van een kanaal zelfstandig kunnen nemen?) - zodat het gewicht weer toeneemt. Maar om Pétain helemaal gerust te stellen, zal hij nu voorschrijven dat er ook nog een stormram op moet. Wat echter nog de meeste vertraging oplevert is het stellen van onredelijke streefdoelen voor de productie. Hij zelf had al een berekening gemaakt van 18 tanks voor ieder van de 40 divisies die aan het offensief zullen meedoen.

Toch zware tanks[bewerken]

Inderdaad legt op 21 februari 1918 Pétain een eis van 700 zware tanks bij het Ministerie van Wapenproductie op tafel (maar niet na op 16 februari van de Britten 600 Liberty-tanks te eisen). Dit heeft het gewenste effect: totale paniek in de politieke hiërarchie. Clemenceau die op dat moment zowel de functies van Minister-President als Minister van Oorlog vervult, neemt de heroïsche taak op zich het leger per 1 maart 1919 van minstens 1000 zware tanks te voorzien. Hij zal zelf 700 tanks bij de Britten proberen los te praten, maar de nieuwe Minister van Wapenproductie, Louis Loucheur (1872-1931), moet op zijn beurt 300 zware Franse tanks garanderen. Die antwoordt op 4 maart dat Monsieur le Président du Conseil er maar niet op moet rekenen dat het er meer dan 60 zullen worden. Clemenceau wordt boos en eist op 11 maart op hoge toon dat er 300 klaar zullen zijn. Loucheur geeft op 10 april door dat hij er vast 60 bij FCM besteld heeft en ze mogen er meer maken als ze kunnen. Clemenceau vindt dit volstrekt tekortschieten en verlangt de volledige inzet van alle middelen. Helaas, verzucht Loucheur, die middelen zijn er simpelweg niet! Het is Clemenceau echter niet ontgaan dat er die maand kennelijk wel middelen genoeg waren om 1200 lichte tanks extra te bestellen. Op 28 mei gaat Pétain nog eens stoken. Als het echt niet anders kan, dan maar wat minder lichte tanks, huichelt hij. Op 15 juni geeft Loucheur het verzet op en verzoekt FCM een heel nieuw productieplan in voorbereiding te nemen, nu voor 100 tanks per maand, de eerste tank te leveren op 1 oktober.

Nu verplaatst de paniek zich naar FCM. Honderd tanks per maand? Er is niet eens een prototype! En dat vergt 10000 geschoolde arbeiders! Waar zijn die? Dat weet Loucheur ook niet. Misschien kan hij Duitse krijgsgevangenen inzetten. Maanden gaan zo verloren met het zoeken naar arbeidskrachten en het maken van plannen voor de hogere productie.

Onzinnige eisen[bewerken]

Ondertussen proberen Pétain en Estienne elkaar te overtroeven in het vinden van de meest onzinnige eis. Op 16 september neemt de opperbevelhebber in deze race de leiding door van FCM, immers een scheepswerf, te verlangen dat iedere zware tank vergezeld gaat worden van een eigen rupsponton van 15 meter. Zo zal het Franse leger dat in zijn komende triomfantelijke opmars de Maas, de Rijn en de Elbe nog zal tegenkomen, door die geduchte waterobstakels niet onnodig opgehouden worden. FCM, dat zo'n complex systeem onmogelijk op tijd kan ontwikkelen, begint in plaats daarvan wanhopig aan een studie voor een waterdichte kazemattank die ondergedoken over de bodem van rivieren kan rijden. Maar de winnaar wordt op 1 oktober Estienne door zijn voorstel de tank te voorzien van een elektronische mijndetector (in 1943 zouden de Duitsers als eerste zo'n apparaat beproeven).

Op dat moment heeft Pétain echter al de kans rijp gezien het project de nekslag toe te brengen. Op 28 september schrijft hij Clemenceau dat hij, zwaar teleurgesteld door de niet te voorziene vertragingen in de productie, het project zo snel mogelijk wil beëindigen, in ieder geval na het 140e exemplaar. Nu is het Loucheur die boos wordt. Heeft hij daar zoveel energie in gestoken? Laat dan tenminste overgegaan worden tot de productie van de FCM 1A, die technisch wel haalbaar is! Een ironische wending die de generaals even de adem doet inhouden...

Duitse overgave[bewerken]

Alles blijkt irrelevant als Duitsland, moreel en militair gebroken, op 11 november 1918 de geallieerden om een wapenstilstand verzoekt (let wel: dit is dus geen aanbod tot een overgave). Ondanks hevige tegenstand van de Fransen die er zin in hebben in een paar laatste maanden het Duitse grondgebied over de volle diepte nog heviger te verwoesten dan de Duitsers in vier jaar de Franse grensgebieden hebben weten te havenen, wordt dit verzoek door Amerikaanse druk ingewilligd. Duitsland moet wel meteen al zijn tanks afstaan. De meeste Franse wapencontracten worden al snel geannuleerd. Zo ook dat voor zware tanks. Dan is er nog geen tank gebouwd, geen productielijn opgezet, geen arbeider in dienst genomen. Even lijkt het erop dat heel het verhaal van de zware tanks alleen een tragikomische klucht zal blijken, die niets tastbaars heeft opgeleverd.

Maar dan volgt toch nog een definitieve order voor de bouw van 10 exemplaren. We zullen nog zien waarom. Bij FCM maken de ingenieurs Jammy en Savatier het ontwerp af. Dat heeft dan al de naam Char 2C, die hoogstvermoedelijk duidt op het feit dat hij het tweede prototype van FCM vormt, ontwikkeld uit het derde project van 1917. De voertuigen worden vrijwel gelijktijdig afgebouwd, geleverd in 1921 en door de fabriek begeleid tot 1923.

Beschrijving[bewerken]

De Char 2C Alsace

De Char 2C is een klasse apart. Niet vanwege het gewicht. Met zijn, in absolute zin weliswaar heel forse, 68 ton gevechtsgewicht is hij nog net iets lichter dan de Tiger II, op dit punt de kampioen van de operationele tanks. Maar ook niet doordat hij alle andere in puur volume zeer overtreft en dus verreweg het grootste gevechtsvoertuig is dat ooit is gebouwd. Wat hem zo bijzonder maakt is zijn unieke positie als enige superzware tank die ooit in productie genomen is. Een superzware tank is niet simpelweg een tank die heel erg zwaar is. Het is een tank waar het zuiver titanische tot doel op zich is verheven. Dat klinkt niet erg rationeel. En dat is het ook niet. Het betreft hier een beruchte tankhistorische pathologie: de gigantomanie.

Steeds opnieuw denkt men de vijand te kunnen verslaan, niet door hem in het gevecht te overwinnen, maar door zich te vereenzelvigen met een object dat in zijn onversaagbare grootsheid de overwinning al meteen vertegenwoordigt. In de overige dierenwereld maken de mannetjes van een bepaalde soort typisch hun eigen lichaam tot zo'n object en dreigen daarmee de concurrentie af. Bij de mens wordt die drang veruiterlijkt in de productie van voorwerpen die, naarmate het technisch kunnen toeneemt, steeds buitenissiger worden.

Zware tanks[bewerken]

In de oorlog valt het summum aan mannelijke agressie samen met de snelste technologische ontwikkeling. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat in Frankrijk door Saint-Chamond een tank ontwikkeld werd die met vier 75 mm barbettes nog eens twee keer zo zwaar zou zijn geworden als de Char 2C. De Britten bouwden al in 1916 een 100 ton zwaar monster waarvan de bijnaam: Flying Elephant, al genoeg zegt. Duitsland was bijna klaar met twee prototypes van de K-Wagen van 120 ton. Rusland produceerde een prototype van de "Tsaartank": een reusachtige driewieler.

En dat was nog maar in de Eerste Wereldoorlog. In de tweede was het weer van hetzelfde laken een pak. Hitler, die al bevattelijk was voor grootheidswaan in het algemeen, beval prototypes te maken van de Maus van 185 ton en liet zich door Ferdinand Porsche tanks van 1000 ton voorspiegelen. Dat soort voertuigen had het Rode Leger al voorzien in de jaren dertig. De Britten maakten de Tortoise, de Amerikanen de T-95.

Geen van die voertuigen werd ooit door een leger in gebruik genomen. De Char 2C is enig in zijn soort. Hierboven is verhaald hoe Estienne het project opzettelijk de niche van de superzware tank ingedreven heeft, misbruik makend van de overspannen oorlogssfeer die het onzinnige redelijk doet lijken.

Afmetingen[bewerken]

Waar zit hem dat grote van de Char 2C nu precies in? Niet in de breedte. Die is met drie meter niet zeer uitzonderlijk. Ook deze tank moest per spoor vervoerbaar blijven. De hoogte is wel een record met 4,09 meter. Maar wat het volume echt opdrijft is de lengte van 10,27 meter schoon, zonder de afneembare staart van twee meter. In de tabellen lijken sommige modernere tanks dit te benaderen, maar dat komt dan doordat het (tegenwoordig zeer lange) kanon meegeteld wordt. De Char 2C was één van de weinige gevechtsvoertuigen waar de bemanning zich niet gevoeld moet hebben als de spreekwoordelijke haringen in een ton.

Binnenkant[bewerken]

Toch was er daar binnen aan mensen bepaald geen gebrek. Weliswaar is de Char 2C ook op dit punt geen recordhouder - die eer komt toe aan de Duitse A7V, met 18 stuks - maar onderbezet is hij met 12 man nu ook weer niet. Veel bronnen geven zelfs een aantal van 13 bemanningsleden. Dit misverstand werd veroorzaakt doordat op de vele foto's waar het hele team mooi op een rijtje voor het voertuig poseert, altijd ook de compagniescommandant erbij staat.

Om te weten te komen waar ieder lid van de bezetting zijn werkplaats heeft, moeten we ons in de buik van de Leviathan begeven door een deur in het loopwerk aan de linkervoorkant, die toegang biedt aan de voorste gevechtsruimte. Het eerste wat ons na het binnenstappen opvalt, zijn twee zetels die links boven ons hoog aan de voorwand hangen. Dit zijn de zitplaatsen van de chauffeur en rechts van hem de voorste mitrailleur. We merken dat ook direct links van ons de kogelbol van een 8 mm mitrailleuse schuin naar voren steekt. In de tegenoverliggende wand bevindt zich rechts haar tegenhanger. Beide worden bedient door een eigen mitrailleur.

Als we hierop het hoofd in de nek leggen, kijken we recht omhoog in de koepel, die geplaatst is op een cirkelvormige verbreding van de romp. Via een laddertje kan men naar boven de conische toren in klimmen. Die blijkt hoger dan op de begane grond het perspectief ons deed inschatten. De Char 2C is de eerste tank met een driemanskoepel, een kenmerk dat ooit alle tankproducenten zouden overnemen. Maar de plaatsing is nog wat ongelukkig. De schutter zit op zijn normale plek, rechts van het kanon; maar de tankcommandant bevindt zich links, zodat de man achter de schutter met de linkerhand het 75 mm kanon moet laden. Het platte dak dat de kegel van de toren afstompt bevat geen enkel luik. Dat bevindt zich in de achterwand. Ook de commandokoepel heeft geen luik. Toch heeft de commandant een perfect uitzicht over de omgeving door een unieke vinding: het stroboscopische vizier. Een binnenste vaste pantserstalen cilinder is gevat in een buitenste. Beide zijn voorzien van verticale sleuven. Als een elektromotor in het dak van de constructie de losse buitenste snel doet ronddraaien, schept dit voor de commandant de illusie dat de commandokoepel op slag verdwijnt. Zo heeft hij een onbelemmerde waarneming van de buitenwereld, terwijl hij toch volledig wordt beschermd: inkomende kogels en scherven zullen door de roterende cilinder worden weggeslagen. Een mooie vinding die in de praktijk echter zelden in werking wordt gesteld. De commandant zet het hele geval meestal op een kiertje. Door de onbetrouwbaarheid van de motor wordt het gebruik hem door zijn elektricien verboden.

De elektricien is de eerste man die we tegenkomen als we, na via de tweede trap van de lader weer uit de koepel afgedaald te zijn, ons dieper de tank in wagen, de centrale loopgang in, die naar de achterste gevechtsruimte voert. Voordat we daar kunnen binnenstappen ontmoeten we ruim drie meter verder in de gang nog de mecanicien. Achterin aangekomen zien we rechts (dus aan de linkerkant van het voertuig) de seiner zitten en boven ons de achterste mitrailleur in een koepeltje (ook voorzien van stroboscopisch vizier) drie meter hoog op het achterdek. Via een deur aan de rechterachterkant kunnen we daar de tank weer verlaten. We kunnen ons ook door een noodluik laten zakken, maar meestal zit daar tegenover de seiner het twaalfde bemanningslid op: de hulpmecanicien.

Aan hem moeten we vragen het monster tot leven te wekken. Hij zal dan een 18 pk Ballot viertaktmotor onder het achterste torentje starten. Dit drijft een 80 volt dynamo aan. Die wekt voldoende vermogen op om de elektricien vier meter naar voren een 600 volt dynamo op spanning te laten brengen. Als de wijzer van de spanningsmeter de plus bereikt, zet deze de schakelaar om, maar niet voordat hij eerst een magnetische velddemper geactiveerd heeft die moet voorkomen dat de hevige stroomstoot de stoppen van alle andere circuits zal doen doorbranden. De stroom laat de bougies vuren van een gigantische 200 pk Mercedes benzinemotor, geroofd uit Duitse Zeppelins. De motor begint benzine op te zuigen uit één van de zeven 180 liter tanks. Met een brandblusser in de hand staat de mecanicien ernaast. Lijkt alles goed te gaan, dan start de elektricien een tweede 600 volt dynamo op, want wat nu geactiveerd werd, was nog slechts de motor die de linkerrupsband aandrijft. De rechter heeft zijn eigen motor en voor hem moet de hele procedure nu herhaald worden aan de andere kant van de loopgang. Hebben beide motoren zo'n twintig minuten warm kunnen lopen, dan wordt het tijd hun kracht over te brengen op de elektromotoren van de transmissie. Net als de St Chamond heeft de Char 2C dus een petro-elektrische aandrijving ter verhoging van het koppel. De beide elektrische tractiemotoren drijven op hun beurt weer de tweemaal zes raderen van de versnellingsbakken aan. Uiteindelijk is het de barbotin, het aandrijfrad, dat de kracht op de rupsband overbrengt.

Om te sturen moet de chauffeur dus het vermogen van beide elektromotoren regelen. In noodgevallen kan de spanning van de twee 600 volt dynamo's of de 80 volt dynamo direct naar de elektromotoren gevoerd worden. Toen later, eveneens buitgemaakte, Maybach motoren van 250 pk geïnstalleerd werden, bereikte men op vol vermogen een maximumsnelheid van 15 km/u met een bereik van 150 kilometer. De Char 2C was hiermee een van de snelste tanks van zijn tijd. Het vergroten van een tank maakt hem weliswaar minder wendbaar, maar niet minder snel.

Bepantsering[bewerken]

Zijn grootte en absoluut lage snelheid maakten de Char 2C zeer kwetsbaar voor vijandelijke artillerie. Aan boord lagen 1260 liter benzine, 124 brisantgranaten en 9504 kogels te wachten om het hunne aan een explosie bij te dragen. Door diezelfde grootte echter was het onmogelijk het voertuig afdoende te beschermen tegen het meest reële gevaar: van boven inslaande granaten. Het dak had maar een pantsering van 10 mm - de bodem was nog beter beschermd met 13 mm! De zijkanten, waar zich ingebouwd in het loopwerk de brandstoftanks bevonden, was iets beter gewapend met 22 mm; dezelfde pantsering had het achterste torentje. De hoofdkoepel was zwaarder met 35 mm. Het allerzwaarst waren de pantserplaten aan de voorkant: een volle 45 millimeter. Om dit getal in een historisch perspectief te plaatsen: moderne tanks kunnen voor hetzelfde gewicht veertig keer beter beschermd worden. De enige superzware tank uit de geschiedenis was dus wel volumineus maar bepaald niet onkwetsbaar.

Operationele Geschiedenis[bewerken]

Allereerst dienen we nu de lastige vraag te beantwoorden waarom er überhaupt een operationele geschiedenis is. De Franse tankhistoricus Jean-Gabriel Jeudy blijft in zijn Chars de France steken in de verwondering om zoveel pure overbodigheid. Waarom tanks produceren in zo'n klein aantal dat de uitwerking op het slagveld vrijwel nihil zou zijn geweest? Waarom die kolossen nog tegen hoge kosten tot het bittere eind in dienst gehouden, toen ze al lang waren ingehaald door de technische en tactische ontwikkelingen?

Om dat raadsel op te lossen, moeten we de relevante beginvraag stellen: wie was het eigenlijk die, terwijl de orders al waren geannuleerd, toch de productie op liet starten? Het antwoord is verrassend: generaal Estienne, dezelfde man die er tijdens de oorlog juist alles aan had gedaan hun fabricage te voorkomen! Wat waren zijn motieven? Schuldgevoel? Fascinatie voor het meest moderne tankontwerp van zijn tijd, dat nu toch geen kwaad meer kon?

De bronnen wijzen in de richting van een paradox. Estienne zag de zware tank nog steeds als een groot kwaad - en juist daarom liet hij hem produceren. Door zijn ruime ervaring in vrede en oorlog had de vader van het Franse tankwapen een diep inzicht verkregen in de psychologische processen die ten grondslag liggen aan iedere militaire technologische ontwikkeling. Hij besefte dat de gigantomanie een eeuwige verleiding blijft voor soldaat en politicus. Beter dan de neiging te verdringen met de permanente dreiging van een plotse volledige omslag, kon men gecontroleerd aan haar toe geven. Dus schreef hij een richtlijn voor de toekomstige tankontwikkeling die het hele interbellum bepalend zou blijven. Daarin werd voorzien in een char léger, een char de bataille en, jawel, een char lourd. En die laatste was natuurlijk al aanwezig in de gedaante van de Char 2C. Door die dwingende conceptualisering werd ieder nieuw zwaar tankproject voor lange tijd de pas afgesneden. De superzware tank was er dus opdat hij er niet zou zijn.

In 1921 komen de tien Char 2C in gebruik bij hun eerste eenheid: de Groupement Lourd III. In 1923 wordt dit het derde bataljon van het 551e Régiment de Chars de Combat. De in plaats van de Liberty aangeschafte 76 Britse Mark V tanks vormen de andere twee bataljons. Februari 1929 worden deze tanks omgebouwd tot dépanneurs en artillerietrekkers en de Char 2C's gaan zelfstandig verder als het 51e Bataillon de Chars Lourds. Maart 1930 wordt deze eenheid opgeheven, drie tanks gaan de organieke sterkte vormen van de 7e compagnie van het 511e RCC, de andere zeven gaan in de opslag. Na de mobilisatie van september 1939 wordt de 511e RCC omgevormd tot de 511e Groupement de Bataillons de Chars. De Char 2C krijgt nu weer een eigen bataljon met de oude sterkte van tien: het 51e BCC wordt (her)opgericht. Uiteindelijk wordt dit bataljon herplaatst naar de 513e GBC. Hier dient de Char 2C broederlijk met zijn oude concurrent, de FT-17.

De wanverhouding tussen de reus en de dwerg wordt een geliefd onderwerp voor de propagandafotografen. Om de moed bij het Franse volk erin te houden laat men het monster uitgroeien tot een filmheld die voor de bewonderende ogen van de bioscoopbezoeker alles bestijgt, overschrijdt en verplettert - tot hele forten aan toe. Voor het ruimere Britse en Duitse publiek, dat nog nooit van het obscure tanktype gehoord had, komt dit optreden als een schok. De Char 2C verwerft al gauw de status van een mythische supertank, waarvan de afmetingen sterk overdreven worden.

Het Franse leger had al eerder de propagandawaarde van de voertuigen verbeterd door hun een eigen naam te geven. Terwijl de tanks in het begin van de Jaren Twintig nog zeer prozaïsch genummerd waren van een tot en met tien, werden ze later hernummerd en vernoemd naar de nobele gewesten van la Douce France. En wel als volgt:

  • 90: Poitou
  • 91: Provence
  • 92: Picardie
  • 93: Alsace
  • 94: Bretagne
  • 95: Touraine
  • 96: Anjou
  • 97: Normandië
  • 98: Berry
  • 99: Champagne

In 1939 wordt de Normandie hernoemd tot Lorraine.

Het 51e BCC doet in september 1939 niet mee aan het halfhartige Saaroffensief dat verlichting moet brengen aan de Poolse bondgenoot, hoewel het bataljon in de Maginotlinie gelegerd is. Men beseft dat het materieel eigenlijk niet meer geschikt is voor een moderne oorlog. Als de Duitse pantserdivisies op 10 juni 1940 bij de uitvoering van Fall Rot het Franse front openscheuren, besluit men de tanks niet in handen van de vijand te laten vallen. De tanks worden 12 juni op railtransport gesteld. Op weg naar het station van Landres krijgen de Picardie en de Touraine panne en worden opgeblazen. Het is dus niet zo dat deze tanks al eerder "gekannibaliseerd" waren om er bruikbare onderdelen uit te halen. Het enorme konvooi van ruim 100 wagons - de tanks zelf hangen ieder zonder ondersteuning tussen twee wagons in; geen enkele beschikbare wagon kan het gewicht in z'n eentje aan - poogt zich een weg naar het zuiden te banen. Op 14 juni volgt een bombardement van de Italiaanse luchtmacht dat van alles raakt behalve het konvooi zelf. De dag erna komt het einde. Vijftien kilometer ten zuiden van Neufchâteau blijkt een brandstoftrein door de Duitse luchtmacht in brand geschoten. Er ontstaat een file. De tanks kunnen niet meer voor- of achteruit en zelfs niet van hun wagons af. De vijand dringt uit het noorden op. Men besluit alle munitie in de tanks te stouwen, de brandstofleidingen door te snijden en in vlam te steken. Stuk voor stuk exploderen de tanks.

Versies en Projecten[bewerken]

In 1926 wordt tank numero 9, de latere Champagne, gebruikt voor een experimentele ombouw. De oorspronkelijke koepels worden verwijderd en vervangen door gegoten koepels, een koepel met 75 mm kanon voor de achterzijde en een korte 155 mm houwitser in de hoofdtoren. Om plaats te maken voor de munitie gooit men de mitrailleuses aan de zijkanten eruit. Experimentele thermische motoren van Sauter-Harlé moeten de gewichtsvermeerdering tot liefst 74 ton compenseren. In de literatuur vindt men dit voertuig terug onder de naam Char 2C bis, maar het is niet duidelijk of dit de officiële benaming was voor het project. Kennelijk verliepen de beproevingen niet naar wens want de tank wordt datzelfde jaar nog teruggebracht in de oude toestand. De nieuwe koepels vinden hun bestemming in de Marethlinie in Tunesië.

Eind 1939 besluit men de commandotank van de eenheid, de numero 97 Lorraine, van een zwaarder pantser te voorzien om hem immuun te maken voor Duitse antitankkanonnen. Hij krijgt een bepantsering van 90 mm aan de voorkant en de koepel, 65 mm aan de zijkant. Ook de uit het dak omhoogstekende motoren worden nog eens extra beschermd door een omhullend pantser. De dode hoek van de hoofdtoren - die kon maar 320 graden ronddraaien - wordt hierdoor nog verergerd. Het gewicht neemt toe tot ruim 75 ton, waaronder een halve ton aan oude verflagen! De Lorraine is hiermee de best bepantserde tank van 1939 en de zwaarste operationele tank uit de geschiedenis.

Als Hitler de Westwall, ofwel "Siegfriedlinie" begint op te bouwen, lijkt er in 1936 een reële operationele behoefte te ontstaan aan een superzware tank om Duitse fortificaties te overwinnen. De gigantomanie heeft toch weer een ingang tot de geesten gevonden. Dat jaar sterft Estienne. Het ministerie van defensie schrijft een ontwerpopdracht uit voor een tank die zelfs de pantsergranaat van het, dus toen al benauwenis opwekkende, Duitse 88 mm luchtafweerkanon moet kunnen weerstaan. Vier firma's nemen de uitdaging aan, waaronder de oude producent van de Char 2C, FCM, dat zelf met vier voorstellen komt. De houten maquette van het laatste uit 1940, de FCM F1 laat een gigant zien van 139 ton met een achterste hoofdtoren met lang 90 mm kanon, een voorste koepel met 47 mm antitankkanon, zes mitrailleuses en een bepantsering van 100 mm rondom. Romplengte 10,53 meter, hoogte 4,21 meter. De Duitse inval maakt een eind aan het project, maar de Britten en de Amerikanen maken in 1944 voor dezelfde Siegfriedlinie de al even vruchteloze Tortoise respectievelijk T-95.

Afloop[bewerken]

Er schuilt een bittere ironie achter het verhaal van de Char 2C. Estienne had de tank eigenlijk in leven geroepen om de dreiging van de FCM 1A af te wenden en zo de overwinning van 1918 veilig te stellen. Maar onwetend bezegelde hij zo meteen de nederlaag van 1940. Het ontwerp van Rodolphe Ernst-Metzmaier was zo modern dat het zonder al te veel aanpassingen een tank had kunnen opleveren die verreweg superieur was geweest aan de moderne tanks die Frankrijk in werkelijkheid in 1940 zou inzetten. Met zijn driemanskoepel had hij de tactische flexibiliteit gehad die de strategische fouten van het Franse opperbevel nog had kunnen goedmaken. Zijn prijs zou minder geweest zijn dan die van de Char B1 bis. Hij had de SOMUA S35 overbodig gemaakt. De afloop van 1940 was een andere geweest.

Een heel andere dan in ons 1940, waar Goebbels onmiddellijk een propagandaslag slaat door de wrakken van de Char 2C's breeduit in de pers te afficheren als slachtoffers van Duitse duikbommenwerpers. Göring maakt er goede sier mee. Churchill vermeldt het in zijn memoires over de Tweede Wereldoorlog met als gevolg dat talloze boeken de Duitse propagandaleugen overnemen.

De tanks hebben nog een andere propagandafunctie. Tijdens tegenoffensieven bij Amiens en Abbeville sloeg de Duitse infanterie voor Franse tanks op de vlucht? Geen teken van lafheid, ze werden immers aangevallen door Französische Riesenpanzer! En de Duitsers beschikten zelf ook over een hele vloot van dergelijke supertanks - fotoreportages van de prototypes van een afgewezen tankproject, de Neubaufahrzeuge, moesten als bewijs dienen - en hebben daarmee de Fransen verslagen. De Britse pers trapt er volledig in.

De meeste wrakken van het konvooi gaan naar de schroothoop. Aangezien de Lorraine over het dikste pantser beschikt dat de Duitsers ooit op een tank hebben aangetroffen, gebruiken ze het wrak voor schietproeven met hun nieuwste kanonnen. De Champagne wacht echter een ander lot. Bij deze tank is de munitievoorraad niet volledig geëxplodeerd - alleen is de commandokoepel van de hoofdtoren geslagen. De tank wordt naar Berlijn gevoerd om daar als overwinningstrofee te worden tentoongesteld. Tot 1948 verblijft hij daar. Daarna ontbreekt ieder spoor. Zo is de laatste mythe rond de Char 2C ook de meest romantische: dat ergens in een loods van het Russische Kubinkamuseum nog een reuzentank staat te wachten op zijn terugkeer naar het Franse Vaderland...