Chatham Island-vliegenvanger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Chatham Island-vliegenvanger
IUCN-status: Bedreigd[1] (2013)
Black Robin on Rangatira Island.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Aves (Vogels)
Orde: Passeriformes (Zangvogels)
Familie: Petroicidae (Australische vliegenvangers)
Geslacht: Petroica
Soort
Petroica traversi
(Buller, 1872)
Afbeeldingen Chatham Island-vliegenvanger op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Chatham Island-vliegenvanger op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De Chatham Island-vliegenvanger of Chathamvliegenvanger (Petroica traversi) is een vogel uit de familie van de Australische vliegenvangers (Petroicidae). Hij is nauw verwant met de Nieuw-Zeelandse vliegenvanger. Het is een endemische vogelsoort van de Chathameilanden.

Kenmerken[bewerken]

De Chatham Island-vliegenvanger is een kleine vogel ongeveer zo groot als een roodborst (maar daarmee niet verwant) van 14 tot 15 cm lengte en een korte dunne snavel. Het verenkleed is geheel zwart. Mannetje en het vrouwtje zien er hetzelfde uit, het vrouwtje is iets kleiner.

Verspreiding en leefgebied[bewerken]

De vogel komt voor op de Chathameilanden. Tussen 1800 en 1980 ging het aantal broedvogels hard achteruit. Het dieptepunt was in 1981, toen waren er nog zeven vogels. De introductie van zoogdieren zoals ratten, honden en katten wordt gezien als de voornaamste oorzaak van de achteruitgang, maar ook het verdwijnen van het oorspronkelijke habitat in de vorm van struweel en bos.

Status als met uitsterven bedreigde vogelsoort[bewerken]

In 1976 werd een beschermingsprogramma gestart. De zeven overgebleven vogels werden ondergebracht op een eilandje uit de archipel, Mangere Island. Op dit eiland waren daarvoor inheemse bomen geplant om te zorgen voor geschikt leefgebied. Dit hielp niet, de vogels plantten zich niet met succes voort. Eerst werd geprobeerd om eieren te laten uitbroeden door de Chathammangrovezanger (Gerygone albofrontata) een endemische soort uit een andere familie, de Australische zangers. Dit was echter geen succes. Inmiddels was er nog maar één vrouwtje over, genaamd Old Blue. In 1981 werden haar eieren met succes uitgebroed en opgevoed door een Maorivliegenvanger (Petroica macrocephala), een nauw verwante soort. De drie uitgevlogen jongen werden losgelaten op het eilandje Mangere. Deze techniek werd de volgende jaren steeds met succes toegepast en in 1983 werden ook op een ander eilandje South East jonge vogels uit dit broedprogramma losgelaten. In 1989 werd deze intensive vorm van herintroductie gestaakt en alleen het effect bestudeerd. In 1990 waren er 116 vogels, in 1995 170 exemplaren, in 1998 226 en in 1999 in totaal 254 waaronder 178 volwassen vogels op de eilanden Mangere en Sout East. In 2007 volgde een terugval in aantal naar 180 individuen.

Deze vogel heeft daarom nog steeds de status van met uitsterven bedreigde diersoort op de rode lijst van de IUCN.[1]

Bronnen, noten en/of referenties